Op 19 september 1981 werd ik Zwitserse. Niet op de meest gebruikelijke wijze, door in een van de 26 kantons geboren te worden, maar door met een Zwitser te trouwen. Weliswaar in Antwerpen, maar toch : met een bonafide Zwitser van binnen de Röstigordel, meer bepaald Bern. Dat zoiets ernstige gevolgen kan hebben, werd meteen duidelijk. Om niet van de weeromstuit Belg af te zijn diende ik me immers zonder verwijlen tot de vaderlandse burgerlijke stand te wenden. Een dubbele nationaliteit leek me wel zo handig. Groot was mijn verbazing toen ik enige tijd later samen met het zeer herkenbare rode paspoort met het witte kruis meteen ook een nieuwe geboorteplaats cadeau kreeg. Voortaan was ik ausErlinsbach, Aargau gebürtig, terwijl ik daar nota bene nooit één voet gezet had. Mijn nieuwbakken echtgenoot ook niet, wél zijn voorouders aan vaderszijde.
...

Op 19 september 1981 werd ik Zwitserse. Niet op de meest gebruikelijke wijze, door in een van de 26 kantons geboren te worden, maar door met een Zwitser te trouwen. Weliswaar in Antwerpen, maar toch : met een bonafide Zwitser van binnen de Röstigordel, meer bepaald Bern. Dat zoiets ernstige gevolgen kan hebben, werd meteen duidelijk. Om niet van de weeromstuit Belg af te zijn diende ik me immers zonder verwijlen tot de vaderlandse burgerlijke stand te wenden. Een dubbele nationaliteit leek me wel zo handig. Groot was mijn verbazing toen ik enige tijd later samen met het zeer herkenbare rode paspoort met het witte kruis meteen ook een nieuwe geboorteplaats cadeau kreeg. Voortaan was ik ausErlinsbach, Aargau gebürtig, terwijl ik daar nota bene nooit één voet gezet had. Mijn nieuwbakken echtgenoot ook niet, wél zijn voorouders aan vaderszijde. Met afstamming wordt in der Schwiez niet lichtzinnig omgesprongen. Met niets eigenlijk, maar daarover later meer. Ik heb hem overigens vaak gebruikt, die Zwitserse pas. Op vele plekken ter wereld boezemde hij nu eenmaal meer vertrouwen in dan een Belgische. Dat was vóór het faillissement van Swissair. Hoe ook, telkens ik Erlinsbach, Aargau invulde in plaats van Wilrijk, Antwerpen had ik een soort Mata Hari-dubbelspiongevoel. Waarom ik nooit in Zwitserland heb willen wonen, mocht vooral Zwitsers verbazen. Velen beschouwen hun heimat namelijk als de Rolls-Royce onder de landen. Ik bedoel maar : een zeker chauvinisme is de modale Helvetiër niet vreemd. Toon mij een molshoop tussen Langenthal en Obersteckholz en de kans is groot dat er een Zwitserse vlag op prijkt. Koop een brik melk in de Migros en er staat nadrukkelijk en in nog een stuk of wat andere landstalen op vermeld dat het Schweizerische Milch is. Als mijn toenmalige echtgenoot en ik op vakantie in Berner Oberland kwamen, tuttutte de familie zorgelijk over onze bleke gelaatskleur, veroorzaakt door een chronisch gebrek aan zuivere berglucht. En het is waar, er valt veel voor Zwitserland te zeggen. De treinen rijden er op tijd. Wat zeg ik, alles is er op tijd. Als de rest van Europa zich nog eens omdraait in bed, zitten de nijvere Zwitsers al op school of op het werk. Wie in luchthaven Kloten ( kein Witz) over het rolpad gaat, ziet links en rechts op reclameborden de minuten voorbijtikken : Breguet, Breitling, Longines, Omega, Rolex, Patek Philippe... Elegante en kwaliteitsvolle bewakers van de punctualiteit, maar helaas ook van de menselijke vergankelijkheid. En schoon dat het er is. Ooit zag ik vanuit een stilstaande trein in het Baselse een carnavalsstoet voorbijtrekken : maskers, toeters, uitzinnige kostuums, bier, confetti, slingers. Het had warempel iets ensori-aans. Maar vlak achter de stoet reed een vloot elektrisch aangedreven wagentjes met roterende borstels. De optocht was nog niet uit het gezicht of de straat was al schoner dan ooit tevoren, je kon als het ware van het asfalt eten. Ik mag mij ook graag het openbaar zwembad aan de Aare nabij Bern herinneren, waar het gletsjerwater fris en helder is, de ligwei vrij van sigarettenpeuken en plasticflesjes en waar je je kleren niet in een locker hoeft weg te sluiten, maar gewoon aan een haakje in de gemeenschappelijke kleedkamer hangt, waar je ze na de zwembeurt met aan honderd procent zekerheid grenzende waarschijnlijkheid terugvindt. Orde en veiligheid, het zijn de steunpilaren van het Zwitserlevengevoel, waarover de Nederlandse tak van de verzekeringsmaatschappij Swiss Life in de jaren tachtig populaire reclamespotjes maakte. Zelfs de meer gore kant van het leven is er prima georganiseerd. Ooit stapte ik in een van de meest idyllische Bernse hoofdstraten, de Münstergasse, stoemelings een café binnen dat bij nader inzien een Spritzerstübli bleek te zijn, waar heroïnegebruikers hun dosis methadon kwamen halen. Sommige mensen worden een tikkeltje zenuwachtig van al die ordentelijkheid. Het lieflijke van de alpenweiden, nauwelijks aangetast door de parkeermeters tot op grote hoogten. Chalets als uit hun krachten gegroeide koekoeksklokken, geraniums in gerecycleerde badkuipen, koeien met bellen, rood-met-witte kabelliftjes als zwevende Surprise-eieren. En de irritante opgewektheid van de eveneens rood en wit verpakte skileraars die in een wolk van stuifsneeuw meejodelen met de Ländlermusik en je meedogenloos een Buckelpiste afjagen. Nimmer voelde ik mij sukkelachtiger dan met knikkende knieën ergens halverwege een steile helling, terwijl mijn voltallige schoonfamilie - stuk voor stuk geoefende skiërs - in het Mittelstation zaten te wachten om aan de Käseschnitte mit Kirsch te beginnen. Nee, voor bergsporten heb ik nooit aanleg gehad. Wel voor talen. Het is een wijdverbreid misverstand dat er in Zwitserland naast Frans, Italiaans en Reto-Romaans ook Duits gesproken wordt. Geloof me, Schwiezerdüütsch heeft daar niks mee vandoen, zowel qua woordenschat als uitspraak is het een heel eigen idioom. De gemakkelijkste manier om het hart van 65 procent van de Zwitsers te winnen is het foutloos uitspreken van het woord Chuchichästli (keukenkastje). Ook met Grüezi mitenand (hallo, tegen meerdere personen), Uf Widerluege (tot weerziens), Merci vilmal (hartelijk dank), En guete (smakelijk) en Äbä genau (inderdaad) kom je een heel eind. En ja, ook het Frans dat in Zwitserland gesproken wordt, heeft een aparte zangerigheid, met klemtonen waar je ze allerminst verwacht. Dat al die talen probleemloos naast elkaar existeren, daar kunnen wij Belgen natuurlijk een punt aan zuigen. Dat Zwitsers onvriendelijk zouden zijn, zul je mij niet horen beweren. Hoogstens zijn ze een tikkeltje gereserveerd. Zoals alle luxemerken heeft Zwitserland een aura van exclusiviteit, als een soort modelstaat die niet aan iedereen besteed is. Qua immigratie, verblijf en naturalisatie is de Zwitserse wetgeving vrij restrictief. Wie er als buitenlander eigendom wil verwerven kan maar beter goede papieren voorleggen, want jaarlijks worden daar maar een beperkt aantal vergunningen voor uitgereikt. Je kunt de Zwitsers ook bezwaarlijk teamspelers noemen. De Navo en de EU kunnen hen aan de reet roesten, pas in 2002 werden ze lid van de Verenigde Naties en niet bepaald met overweldigend enthou-siasme. Ook in oorlogstijd voer het neutrale Zwitserland zijn eigen koers. In 1942 gingen de grenzen onherroepelijk dicht voor Joodse vluchtelingen, wat voor velen een gewisse dood betekende. Een aanzienlijk deel van door nazi's in bezette gebieden of van Joden geroofd geld kwam op Zwitserse bankrekeningen terecht. Maar in 1945 bleven de landsgrenzen net zo goed dicht voor fascisten die uit Italië probeerden te vluchten. Nu ja, het land hoeft ook nergens bij te horen. En als je het geld van de halve wereld in je bankkluizen hebt, kun je het je permitteren om onsympathiek gevonden te worden. In februari 2009 hingen her en der in het land posters die de bevolking opriepen om tegen een wetsvoorstel te stemmen, dat Bulgaren en Roemenen hetzelfde recht zou geven als inwoners van de overige 27 Europese lidstaten om in Zwitserland te werken. Op die aanplakbiljetten pikten twee hongerige raven suggestief in de landkaart van de Alpenstaat. Toch werd het wetsvoorstel met een nipte meerderheid goedgekeurd. Maar een dik halfjaar later verbood de uitslag van weer een ander referendum de bouw van minaretten op Zwitsers grondgebied. Haalden moslims massaal hun geld van Zwitserse rekeningen ? Ik denk van niet. Het isolationisme bepaalt voor een groot deel het heel eigen karakter van Zwitserland. Wereldwijd bekend is het superhandige officiersmes van Victorinox. Voor een eeuwig neutrale en in vrede levende natie is Zwitserland trouwens verbazingwekkend militaristisch. Na Israël heeft het land in verhouding het grootste leger ter wereld, met een afdeling op ski's en tot voor kort ook op de fiets. Niet alleen is de dienstplicht verplicht, elke Zwitserse man wordt tot zijn 34e minstens één keer per jaar opgeroepen voor een herhalingsoefening van ongeveer drie weken. Na de dienstplicht nemen de Zwitsers hun wapen gewoon mee naar huis. En nee, dat leidt alsnog niet tot uitbarstingen van zinloos geweld. Wie in het buitenland verblijft en niet op de uitnodiging tot Wiederholung ingaat, moet Ersatzsteuern (een vervangingsbelasting) betalen. En in het geval van oorlog wordt van elke Auslandschweizer verwacht dat hij zich onverwijld over de Alpen spoedt om het vaderland te helpen verdedigen. Lang koesterde ik een wonderlijke brochure waarin precies werd voorgeschreven hoeveel mondvoorraad, tandpasta, paar sokken en onderbroeken de onfortuinlijke rekruut in dat geval moest meenemen. We hebben het hier over midden jaren tachtig. Ja, voor een West-Europees buurland heeft Zwitserland beslist een aantal pittoreske trekjes. Ze smelten er kaas en dopen er stukjes brood in. Veel mannen heten Urs. Vrouwen hebben er nog maar sinds 1971 stemrecht en in Appenzell pas sinds 1990. Schiessen (met de boog, zoals Wilhelm Tell) is een populaire hobby, net als schwümmerlen (paddenstoelen verzamelen) en jassen (klaverjassen). Zwitserland moet zowat het enige land ter wereld zijn waar kaartwedstrijden integraal op televisie uitgezonden worden. Maar als reactie tegen al die folklore is er ook een florerende tegencultuur. Toen in de rest van de wereld hippies al lang hun geitenwollen sokken en hennahaar hadden afgezworen, hingen er nog dichte wolken hasj en patchoeli boven Zürich en Bern. Zelf ben ik alweer twaalf jaar Zwitserse af, wat niet zozeer met mijn verhouding tot het land of tot één bepaalde Zwitser te maken heeft, maar met mijn gebrek aan aanleg voor de huwelijkse staat. En ach, misschien staat mijn hoofd toch meer naar plat en rommelig dan naar georganiseerde bergachtigheid. DOOR LINDA ASSELBERGS - ILLUSTRATIE KAROLIEN VANDERSTAPPENDe gemakkelijkste manier om het hart van de Zwitsers te winnen, is het foutloos uitspreken van het woord 'Chuchichästli' (keukenkastje). Na Israël heeft het land in verhouding het grootste leger ter wereld, met een afdeling op ski's en tot voor kort ook op de fiets.