"Mysteries bestaan alleen in boeken", zegt Jean-Luc Duvivier de Fortemps, telg uit een adellijk geslacht van militairen en jagers en in het zuidelijke landsdeel bekend als 'de schrijver van de Ardennen'. Ik moet wat bedenkelijk gekeken hebben, want hij verklaart : "Voor wat wij een mysterie noemen, bestaat er een perfect logische uitleg, alleen kennen we die niet. Maar als je het mij vraagt, is de verklaring hier in dit gebouw te vinden."
...

"Mysteries bestaan alleen in boeken", zegt Jean-Luc Duvivier de Fortemps, telg uit een adellijk geslacht van militairen en jagers en in het zuidelijke landsdeel bekend als 'de schrijver van de Ardennen'. Ik moet wat bedenkelijk gekeken hebben, want hij verklaart : "Voor wat wij een mysterie noemen, bestaat er een perfect logische uitleg, alleen kennen we die niet. Maar als je het mij vraagt, is de verklaring hier in dit gebouw te vinden." Het mysterie waarvan sprake en waaraan Duvivier een goed gedocumenteerd en rijk geïllustreerd boek wijdde, is de verdwijning van de stoffelijke resten van Sint-Hubertus, bisschop van Maastricht en Luik, en in heel de Nederlanden bekend als de patroonheilige van de jagers. Voor wie de legende alleen kent van de afbeelding op de doos van Sirop de Liège of van het logo van kruidenlikeur Jägermeister : Hubertus (655-727) was een zoon van de hertog van Aquitanië en nogal een bon vivant. Dat verklaart waarom hij op Goede Vrijdag 683 liever op jacht ging dan naar de mis. Dat deed hij in het woud nabij Andagium, het huidige Saint-Hubert. Toen hij met zijn honden een groot wit hert achtervolgde, keerde het dier zich plots naar hem toe, waarbij een lichtend kruis tussen zijn gewei verscheen. Een stem maande Hubertus aan om naar de bisschop van Maastricht -- later heilige Lambertus -- te gaan. Prompt hing Hubertus zijn boog en pijlen voorgoed aan de haak, zwoer zijn losbandige levensstijl af en ging in de leer bij Lambertus, die hij uiteindelijk als bisschop zou opvolgen. Bizar eigenlijk dat hij als patroonheilige van de jacht bekendstaat, terwijl hij die net afgezworen had. In 727 overleed Hubertus ten gevolge van gasgangreen, volgens de overlevering was dat in de Voerstreek, met name in de Villa Fura, een burcht in 's-Gravenvoeren. Op 30 september 825 werd het stoffelijk overschot van de inmiddels heilig verklaarde bisschop naar de abdij van Andage verkast, dat zich tot een bedevaartsoord ontwikkelde en Saint-Hubert ging heten. Ook de basiliek die bij de abdij werd opgericht, werd naar de heilige genoemd. Met de tijd zou ze uitgroeien tot het grootste christelijke heiligdom van de Ardennen. We bezoeken de basiliek op een mooie zomerdag en worden er getrakteerd op hemelse muziek : het orkest Anima Eterna repeteert voor een concert de volgende avond. De zon blikkert door de glasramen en doet de kleuren van de verschillende steensoorten opleven. De machtige gotische gewelven en barokke decoratie geven de kerk een uitstraling die je niet zou verwachten in een bescheiden provinciestadje. "Als deze muren konden spreken...", zegt Jean-Luc Duvivier. En het is waar, de basiliek heeft een uiterst bewogen verleden. In het noordelijke dwarsschip bevindt zich het rijk versierde grafmonument van Sint-Hubertus in wit carraramarmer. De heilige ligt erbovenop, op zijn zij, in een opvallend ontspannen en tegelijk zeer waardige houding. Maar de sarcofaag waarin zich de stoffelijke resten zouden moeten bevinden, is leeg. De enige relikwie van Sint-Hubertus in de kerk is zijn fameuze stola. Omdat de heilige werd aangeroepen bij hondsdolheid, placht men destijds een draadje van zijn stola in een snee in het voorhoofd van de onfortuinlijke patiënten aan te brengen. Dat zoiets niet altijd met hun instemming gebeurde, bewijst de ijzeren ring in de muur tegenover het altaar waaraan ze werden vastgeketend. Maar goed, waar is de rest van Sint-Hubertus gebleven ? In zijn boek A la recherche du corps perdu de Saint-Hubert zet Duvivier de Fortemps alle hypotheses op een rij. Meteen is dat ook een soort inventaris van alle oorlogszuchtige indringers die onze streken belaagden. Eind negende eeuw waren dat Normandische piraten die, ondanks de versterkte burchten, tot diep in de Ardennen konden doordringen, na onder andere Trier te hebben veroverd. Uit angst voor deze invasie namen de monniken van Andage de koffer met de resten van hun heilige mee naar een Karolingisch castellum in Paliseul. Maar goed ook, want de piraten veroverden inderdaad de abdij van Andage, zij het niet voor lang. Nadat het gevaar geweken was, kwam de kist met Sint-Hubertus opnieuw naar huis. Na de Normandiërs waren het in de tiende eeuw de Magyaren (Hongaren) die zich aandienden, ook al niet met goede bedoelingen. Dit keer zochten de monniken beschutting in een kasteel dat hen toebehoorde, in Jemelle bij Rochefort. De Hongaren geraakten niet eens zo ver en de monniken kwamen er met de schrik af. In 1097 kregen de monniken het aan de stok met hun eigen bisschop Otbert, meer veldheer dan geestelijke, die het kasteel van Mirwart dat hen toebehoorde wilde uitbreiden met een garnizoen. Om de prelaat tot andere gedachten te brengen, begaven de monniken zich vergezeld van een menigte gelovigen in processie naar Mirwart, de kist met Sint-Hubertus op kop. De verraderlijke Otbert deed eerst alsof hij in gebed voor de kist wilde knielen, maar greep dan plots een stok en begon wild om zich heen te slaan. Sommige monniken vluchtten het bos in, anderen zochten met de kist van Sint-Hubertus toevlucht in de kerk van Mirwart. De volgende morgen wilde de bisschop de met goud ingelegde zilveren kist buitmaken, maar niemand van zijn gevolg was bereid hem te helpen, zodat er niets anders op zat dan de monniken met hun precieuze vracht naar hun klooster te laten terugkeren. Daar konden de gelovigen de stoffelijke resten van Sint-Hubertus gedurende acht dagen groeten, waarna de kist opnieuw in de crypte verdween. Daar kon de aflijvige enkele eeuwen van een relatieve rust genieten, maar in 1525 was het weer prijs. Op 20 januari viel het stadje Saint-Hubert ten prooi aan een uitslaande brand die snel het klooster en de klokkentoren van de kerk bereikte. Maar toen de vlammen het kerkschip bedreigden donderde het monumentale kruis van de toren naar beneden en sloeg een gat in het dak dat de vlammen niet konden overbruggen. Op die manier bleven koor en crypte gespaard, alsook de kostbare kist met de resten van de heilige. Door de omvang van de schade besloot abt de Malaise een nieuwe kerk te bouwen, groter en majestueuzer dan de vorige. Van de oude romaanse abdijkerk behield hij wel de twee torens aan de voorkant, die gerestaureerd werden. De abt zou het einde van de werken niet meer meemaken. Op 19 januari 1538 overleed hij en werd begraven in de crypte, waar hij een paar maanden later al werd gevolgd door zijn neef en opvolger, abt Jean de Schenmalle. De gemeenschappelijke bronzen grafplaat werd in het verleden verkeerdelijk voor die van Sint-Hubertus gehouden, vandaar de sleetplek waar ontelbare pelgrims een devote kus op het graf drukten. Veertig jaar duurden de renovaties, waarna het nieuwe heiligdom kon rivaliseren met de prachtigste gotische bouwwerken van zijn tijd. Maar je zult het altijd zien, nauwelijks was de indrukwekkende basiliek opgeleverd, of een nieuwe calamiteit diende zich aan. Op 15 oktober 1568 zette een horde Franse hugenoten, die eerder al de abdij van Orval geteisterd hadden, koers naar Saint-Hubert. Abt de Lamock had nog net de tijd om de kist van Sint-Hubertus ergens in het gebouw te verstoppen en zich vervolgens met zijn monniken in de vesting van Mirwart te verschansen. De hugenoten zetten de stad en de abdij in vuur en vlam. De basiliek liep zware schade op, maar was verre van vernield. Volgens de annalen sleurden de hugenoten in hun iconoclastische razernij de resten van een paar zaligverklaarde abten uit hun graven, maar van Sint-Hubertus was geen sprake, blijkbaar was zijn relikwiekast wel erg goed verstopt. Dertig jaar heeft het geduurd om de schade te herstellen. Om de kosten te dekken waren de monniken verplicht een deel van hun bezittingen te verkopen. Daaronder ook de waardevolle kist van Sint-Hubertus van wie de resten voortaan in een simpele en kleinere loden kist bewaard werden, gemakkelijker te vervoeren en te verstoppen. En dat was nodig, want de volgende jaren waren bijzonder woelig. In 1636 decimeerde de pest de bevolking van Luxemburg ; oorlog, brand en plunderingen volgden elkaar op. Maar de patroonheilige van de basiliek bleef buiten schot : slechts de abt en twee gezworenen kenden zijn rustplaats. De inval van de Franse republikeinen onder leiding van generaal Jourdan luidde het einde in van de abdij van Saint-Hubert. Na de gebruikelijke plunderingen en opeisingen werden de monniken op 27 januari 1797 uit de abdij verdreven. De hoogbejaarde laatste abt, Nicholas Spirlet, vertrok in ballingschap richting Eupen en dan naar Pruisen, maar stierf onderweg in Montjoie. Tot het laatst hield hij er de moed in : "Binnenkort zal ik in mijn rechten hersteld zijn en dan zal het volstaan om het lichaam van Sint-Hubertus gedurende een paar maanden te exposeren om genoeg geld te verzamelen om de abdij in haar glorie te herstellen." Het heeft niet mogen zijn, maar het bewijst in elk geval dat de kist met de resten van de heilige toen nog in het bezit van de monniken was. Wat is er daarna mee gebeurd ? Dom Neumann, een van de twee monniken die de oude abt Spirlet op weg naar Pruisen vergezelden, had de miraculeuze stola van Sint-Hubertus in zijn bezit. Zijn familie zou deze relikwie in 1908 aan de kerk terugschenken. Vlak voor zijn dood zou de geestelijke verklaard hebben dat hij niet wist waar de resten van de heilige zich bevonden, maar dat ze volgens de overlevering in een kelder aan de noordzijde van de kloosterkerk verborgen waren. Dat spreekt de geruchten tegen dat de kist samen met abt Spirlet in Montjoie terechtgekomen zou zijn, of in het slot Reinhardstein, de voorlaatste halte op zijn vlucht. Een andere piste voert naar het Château de Bure en Famenne, een residentie van de monniken van Saint-Hubert op het hoogtepunt van hun glorie. Een zekere père Craisse, pater assumptionist in Bure in 1922, beweerde dat het lichaam van Saint-Hubert in het souterrain van het kasteel verborgen werd. Voor de uitvoering van de werken zou een beroep gedaan zijn op een werkman uit het dorp, die geblinddoekt ter plekke gebracht werd. Deze theorie zou meteen ook verklaren waarom monniken die destijds de inval van de Revolutionairen overleefd hadden, altijd eerbiedig een kruis sloegen als ze een bepaalde plek van het kasteel passeerden. Het Château de Bure werd in 1938 door brand verwoest, al bleven de oude kelders gespaard. In de vreselijke oorlogswinter van 1944-1945 dienden ze als schuilplaats voor de bevolking. Maar niemand kwam er een kist met een dode heilige tegen. Algemeen wordt aangenomen dat die zich waarschijnlijk in Saint-Hubert of in de onmiddellijke omgeving daarvan bevindt, als ze nog bestaat tenminste. Naast de snelweg die van Champlon naar Saint-Hubert leidt, staat, half verborgen aan de rand van het woud, een groot rood kruis dat aan de bekering van Sint-Hubertus herinnert. Vlakbij staat La Converserie, een kleine kapel gewijd aan de patroonheilige van de jagers. Op de muren de wapenschilden van de veelal adellijke families die in 1906 bijdroegen tot het bouwen van de kapel op de plek waar zich in de middeleeuwen een hospice van de monniken van Saint-Hubert bevond. Pelgrims en andere reizigers vonden er beschutting, 's nachts luidde een klok om verdwaalden in het woud op het goede spoor te zetten. Het aardige schilderijtje boven het altaar van de huidige kapel stelt Sint-Hubertus voor met het mysterieuze hert. Waar bevindt zich de open plek in het woud waar dit tafereel zich afspeelt ? Volgens Jean-Luc Duvivier zou het wel eens Bilaude kunnen zijn, de meest mysterieuze plek van het woud van Saint-Hubert, voormalig koninklijk jachtdomein. En het is waar, zelfs op een zonnige zomerdag heeft de plek iets magisch en verstilds, met lage nevels boven een onpeilbaar diepe vijver, het water somber door de ijzerhoudende bodem. Duvivier komt hier vaak om wild te observeren, maar jagen doet hij al lang niet meer, net als Sint-Hubertus is hij een bekeerling. "Ik ben te vaak teleurgesteld door jagers, velen houden zich niet aan de regels, het is hen puur om het doden te doen." Over Bilaude deden altijd al vreemde verhalen de ronde, over een zwarte bok met vurige ogen, een duivelse stier, een verzonken schat ook die hebzuchtigen het zwarte water in lokte. Of het gerucht dat de monniken boosdoeners hier achterlieten, waarna er nooit meer iets van hen werd vernomen. Werden deze geruchten verspreid om nieuwsgierigen weg te houden van deze plek omdat er iets veel belangrijkers dan een schat verborgen ligt ? Maar waarom het zo ver gaan zoeken ? Is het niet waarschijnlijker dat de loden kist met de resten van de aanbeden heilige zich in de basiliek zelf bevindt ? Eén voormalige bergplaats werd in 1616 toevallig ontdekt, toen er een steen uit een muur naar beneden viel. Het ging om een holte van 8 meter op 60 centimeter tussen de twee torens aan de voorzijde van de basiliek, waar tegenwoordig het orgel staat. De bergplaats, dertien meter boven de begane grond, bevond zich buiten het bereik van indringers en van vlammen. Moest de toenmalige abt een nieuwe schuilplaats vinden toen te veel mensen van het bestaan van de oude op de hoogte waren ? In 1846 verscheen in L'Observateur du Luxembourg een interview met een honderdjarige inwoner van Saint-Hubert die zich uit zijn jeugd herinnerde dat grijsaards graag vertelden over de loden relikwiekist die door monniken in een kelder onder de grote kerk verstopt was. Een voor de hand liggende plek zou onder de huidige schatkamer zijn, die bij nadere inspectie een gewezen grafkapel blijkt te zijn. De oude mannen, die als kind in de schatkamer gespeeld hadden, herinnerden zich dat ze knikkers door een spleet in een kast duwden en die lang hoorden stuiteren, als op de treden van een trap. Maar doorgedreven onderzoeken, zowel in 1855 als 1868, brachten niets aan het licht. En dan is er het merkwaardige verhaal van Jules Brunin die in zijn boek L'enfer des gosses vertelt hoe hij in 1949 als twaalfjarige ontsnapte uit de tuchtschool in de oude kloostergebouwen vlak naast de basiliek. Dat deed hij met behulp van een plan van de oude abdij dat hij op zolder gevonden had. Samen met een lotgenoot muisde hij ervandoor en kwam in het souterrain terecht waar ze bizarre geluiden hoorden. Die bleken afkomstig van ratten die zich onder de vloer voortbewogen. Na over een balk over een diepe put gekropen te zijn, kwamen de jongens uiteindelijk drie trappen lager in een crypte terecht met sombere grafmonumenten en heiligenbeelden die zeer tot hun jonge verbeelding spraken. Geen wonder dat ze zo snel mogelijk de benen namen, waarna ze uiteindelijk via een nauwe doorgang de oude sacristie bereikten en zo de vrijheid. Hoe geloofwaardig is het verhaal van Brunin ? Ook tamelijk recent zijn er nog navorsingen geweest in de basiliek, met name in 1983, door de Franse arts en bioloog, Dr. Weinland, en een ploeg archeologen onder leiding van professor Raymond Brulet. Ze vonden de schedel en beenderen van abt de Fanson, degene die in 1616 een nieuwe schuilplaats voor de relikwiekist van de heilige moest zoeken, nadat de oude per ongeluk was ontdekt. Maar alle peilingen en boringen ten spijt werd er onder zijn grafzerk geen geheime kelder of andere ruimte gevonden. Wil dat zeggen dat de overblijfselen van Saint-Hubert voor altijd verdwenen zijn ? Niet noodzakelijk. De basiliek is groot en er zijn nog ruimten te over die nog niet onderzocht werden. Op zijn grafmonument ligt Saint-Hubert er majestueus en enigmatisch bij, met rechts tegen het plafond zijn lijfspreuk : amore, non timore (door liefde, niet door angst). Nee, mysteries bestaan niet alleen in boeken. A LA RECHERCHE DU CORPS PERDU DE SAINT HUBERT, ONDERZOEK JEAN-LUC DUVIVIER DE FORTEMPS EN ANDEREN, BOEK MET DVD, UITGEVERIJ WEYRICH, 15 EURO. LE TEMPS DU BRAME, PASSIONS SAUVAGES (OVER HET WOUD VAN SAINT-HUBERT), JEAN-LUC DUVIVIER DE FORTEMPS, ILLUSTRATIES JEAN-CLAUDE SERVAIS, UITGEVERIJ WEYRICH, 19,50 EURO. WWW.WEYRICH-EDITION.BE door Linda Asselbergs