Schimmen zwerven over de mistige heide, de haren wapperend in de wind. Allen begeven ze zich in de richting van een oude druïde, mager en pezig, gewikkeld in dierenhuiden, het witte haar een kluwen tot halverwege zijn rug. Voorovergebogen zit hij bij een flakkerend vuur, volledig geabsorbeerd door het voorwerp in zijn knobbelige handen. Hoe kunnen we dat ding het best beschrijven ? Als een hol, bronzen object ter grootte van een vuist, met twaalf vijfhoekige vlakken, dertig ribben en twintig hoekpunten, de laatste voorzien van bolvormige pootjes. De binnenkant van deze dodecaëder, want zo heet zo'n ding, zit vol turf. In elke opening heeft de druïde een voorwerpje gepookt : een stukje boomschors, een botfragment, een tand, een gladgeschuurd keitje, een veer, de gedroogde resten van een mensenoog. Rond de bolvormige uiteinden van het bronzen object is haar gewikkeld : blond, bruin, rood en grijs. Op een teken van de druïde wijken de omstaanders weg van het vuur. Hij heft de dodecaëder omhoog, in de richting van de maan. Daarna doet hij hem rondtollen over een wolfsvel, onder het onverstaanbaar mompelen van vragen. Als hij klaar is, vertrouwt hij zijn waarzeggersgereedschap toe aan het vuur, waar hij het de volgende morgen terugvindt, nog warm in de smeulende as...
...

Schimmen zwerven over de mistige heide, de haren wapperend in de wind. Allen begeven ze zich in de richting van een oude druïde, mager en pezig, gewikkeld in dierenhuiden, het witte haar een kluwen tot halverwege zijn rug. Voorovergebogen zit hij bij een flakkerend vuur, volledig geabsorbeerd door het voorwerp in zijn knobbelige handen. Hoe kunnen we dat ding het best beschrijven ? Als een hol, bronzen object ter grootte van een vuist, met twaalf vijfhoekige vlakken, dertig ribben en twintig hoekpunten, de laatste voorzien van bolvormige pootjes. De binnenkant van deze dodecaëder, want zo heet zo'n ding, zit vol turf. In elke opening heeft de druïde een voorwerpje gepookt : een stukje boomschors, een botfragment, een tand, een gladgeschuurd keitje, een veer, de gedroogde resten van een mensenoog. Rond de bolvormige uiteinden van het bronzen object is haar gewikkeld : blond, bruin, rood en grijs. Op een teken van de druïde wijken de omstaanders weg van het vuur. Hij heft de dodecaëder omhoog, in de richting van de maan. Daarna doet hij hem rondtollen over een wolfsvel, onder het onverstaanbaar mompelen van vragen. Als hij klaar is, vertrouwt hij zijn waarzeggersgereedschap toe aan het vuur, waar hij het de volgende morgen terugvindt, nog warm in de smeulende as... Halt, stop, genoeg van die flauwekul ! Een mens mag zijn fantasie al eens de vrije loop laten, maar er is al genoeg onzin in de wereld. Was de dodecaëder een religieus rekwisiet, een mystiek symbool van de kosmos, een soort voorspellende dobbelsteen ? Uw speculatie is zo goed als de mijne. Maar dat het mysterieuze object tot de verbeelding spreekt, staat buiten kijf. Wie weet hoe een dodecaëder eruitziet, bracht in de jaren 1990 waarschijnlijk een bezoek aan het Gallo-Romeins Museum in Tongeren. Toen was er bij de ingang een speciale zaal aan gewijd, die de bezoeker via een mix van wetenschap en mysterie warm maakte voor de archeologie, die voyeuristische exploratie van het dagelijkse leven van mensen die al eeuwen niet meer zijn. En of het werkte ! Archeoloog en conservator van het museum, Guido Creemers, hield er in zijn kantoor twee dikke mappen met brieven en mails aan over, allemaal van mensen die een theorie hadden over de betekenis en het gebruik van de dodecaëder of die op de theorieën van anderen voortborduurden. Historicus Robert Nouwen schreef er in 1993 een heel boek over, De Romeinse pentagon-dodecaëder : mythe en enigma. Het mysterieuze voorwerp kwam nog meer in de belangstelling toen mentalist/illusionist Jan Bardi in een van de afleveringen van zijn tv-show, Ongelooflijk, maar Bardi, al pendelend het uit het museum gestolen pronkstuk terugvond. Wat hielp, was dat hij het ding in functie van de stunt van tevoren zelf 'geleend' had. Intussen is het een beetje stil geworden rond de dodecaëder. Er staat een megaversie op de kruising van de Nieuwstraat en Sint-Truidenstraat in Tongeren, vlakbij het plein met het standbeeld van Ambiorix. Maar het Gallo-Romeins Museum, in 2011 uitgeroepen tot European Museum of the Year, kreeg een nieuwe indeling, het enige intacte exemplaar van de dodecaëder in de permanente tentoonstelling staat nu in een vitrine met andere mysterieuze voorwerpen : replica's van voeten en laarzen, die het contact met de aarde symboliseren en vaak in graven teruggevonden worden. Er zijn ook symbolische zonnewieltjes, waarschijnlijk vruchtbaarheidssymbolen, naast afbeeldingen van fallussen en vulva's die als geluksbrengers fungeerden. Typisch is de combinatie van een hondenschedel met aardewerk in de vorm van een bord met een hap uit de rand. Mogelijk was dit een verwijzing naar een mythe over de zons- of maansverduistering. Samengevat : in een archeologisch museum stikt het van de raadselachtige voorwerpen en de dodecaëder is er daar één van. Met dit verschil dat men van de meeste artefacten een sterk vermoeden of zelfs bewijzen heeft van de betekenis, maar niét van de dodecaëder. Waarvoor het ding diende ? Geen mens die het weet. Wat we wel weten is dat de dodecaëder of het regelmatig twaalfvlak als ruimtelijke figuur al bij de Grieken bekend was. Samen met de tetraëder of piramide (het viervlak ), de kubus (het zesvlak), de octaeder (het achtvlak) en de icosaëder (het twintigvlak) in drie dimensies vormt het de zogenaamde platonische lichamen. Zoals historicus Robert Nouwen in de inleiding van zijn boek over de dodeca-eder vermeldt, komt de vorm in de natuur voor als het kristal van piriet, een geel mineraal met metaalglans dat in de prehistorie als vuurslag gebruikt werd. Haalden de Grieken daar de mosterd ? Weinig waarschijnlijk. Niemand zal het u kwalijk nemen als u nog nooit van de pythagoreër Hippasos van Metapontum (ca. 520-480 voor Christus) gehoord hebt, maar hij was degene die voor het eerst het meetkundig lichaam van de pentagon-dodecaëder construeerde en erover publiceerde. Het zou hem duur te staan komen, want voor deze goddeloze (?) daad zou hij gestraft zijn met de verdrinkingsdood. Als ik dat geweten had toen ik in de les 'handenarbeid' op het lyceum de platonische figuren met wit tekenpapier en lijm in elkaar moest prutsen, ik had wat meer ijver aan de dag gelegd. Plato koppelde de ruimtelijke figuren aan de elementen. De tetraëder staat voor vuur, de kubus voor aarde, de octaëder voor lucht, de icosaëder voor water. De vijfde, de dodecaëder, koppelde hij aan een element van een andere orde, de ether, een substantie die alle vier de andere doordringt. Vandaar dat de dodecaëder geassocieerd wordt met het universum. Hier zou ik een paragraaf kunnen inlassen over wat de ingewijden de 'Heilige Geometrie' noemen, wat de blauwdruk zou zijn van het universum waaruit alles wat we om ons heen zien geschapen is. Maar aangezien elke neiging tot esoterie mij vreemd is, zal ik u dat besparen. Toen Robert Nouwen in 1993 zijn boek over de dodecaëder publiceerde, waren er zevenenzeventig Gallo-Romeinse exemplaren bekend. Intussen zouden het er meer dan honderd zijn, daterend van de eerste of de tweede eeuw na Christus. Ze werden gevonden in een gebied dat grosso modo overeenkomt met de vroegere Keltische beschaving : Groot-Brittannië, België, Nederland, Duitsland, Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, Joegoslavië. Daar staat tegenover dat geen enkel exemplaar werd aangetroffen in het gebied van de Middellandse Zee : de Midi in Frankrijk, Italië, Spanje, Griekenland, Egypte. Wel werden er buiten het Keltische gebied vergelijkbare of verwante voorwerpen teruggevonden, tot in India en Vietnam toe. Wat het niet simpeler maakt om het hoe en waarom van 'het ding' te bepalen is dat de dodecaëders in de meest uiteenlopende vindplaatsen aangetroffen werden : in graven, openbare badgelegenheden, militaire kampen, stadswoningen, bij een theater of zelfs in een muntschat. Soms is de vindplaats onbekend. Vaststaat dat ze met kennis van de geometrische volumes en veel vaardigheid hol in brons gegoten werden, volgens de techniek van de verloren vorm en het gebruik van was. De bolletjes werden er in de meeste gevallen achteraf aan vast gelast. Geen twee gevonden dodecaëders zijn identiek. De intacte exemplaren variëren in grootte en gewicht, maar de meeste zijn een centimeter of zes groot, met een gewicht van circa 200 gram. Absoluut intrigerend zijn de cirkelvormige openingen in de vlakken ; bij sommige dodecaëders zijn ze van dezelfde grootte, maar bij de meeste niet. Guido Creemers van het Gallo-Romeins Museum deed een onderzoek naar de verhouding van de cirkels in de tegenoverliggende vlakken, in de hoop een verband te vinden met de stand van de zon gedurende het jaar, maar zonder sluitend resultaat. Ook qua versieringen zijn er verschillen, variërend van simpele gegraveerde lijnen tot astronomische symbolen. Vreemd toch dat geen enkele antieke auteur rept over het gebruik van de dodecaëder. Wel beschrijven een aantal auteurs uit de middeleeuwen en de renaissance het voorwerp als een dobbelsteen die niet enkel als spel, maar ook als instrument voor het voorspellen van de toekomst werd aangewend. Niet waarschijnlijk, want de verschillende vlakken zijn niet gemarkeerd. En waarom zouden de makers zich de moeite getroost hebben om het ding hol te maken, met openingen van verschillende grootte ? En waarom die bolletjes, die er toch gemakkelijk kunnen afbreken als je de dodecaëder als dobbelsteen zou gebruiken ? Dat er twintig bolletjes zijn, is wellicht van betekenis : de Kelten gebruikten een twintigdelig stelsel (vandaar : quatre-vingts in het Frans). Ruwweg kun je de bedenkers van hypothesen over de functie van de dodecaëder in twee groepen verdelen : diegenen die het voorwerp een praktisch, soms zelfs banaal doel toeschrijven (een landmeetkundig instrument, kalibermeter voor buizen, meesterwerkstuk, kaarsenhouder, scepterknop, wapenknots, kinderspeeltje). Een soort Gallo-Romeinse Rubiks kubus, dat laatste ? Weinig overtuigend toch als je bedenkt met wat voor een ingewikkeld ding we te maken hebben. Anderzijds heb je er die eerder in de richting van een religieuze, magische of goddelijke betekenis zoeken. Dat spreekt allicht meer tot de verbeelding. Guido Creemers : "Qua geloofsbeleving lieten de Romeinen redelijk veel toe. De inheemse bevolking had haar eigen goden, die soms een Romeinse gedaante kregen, zoals de moedergodinnen waarvan we hier in het museum beeldjes hebben. Maar tegelijk oefenden de Romeinen wel een vorm van controle uit. Misschien waren de dodecaëders mythisch-religieuze attributen die de Romeinen niet mochten zien." Volgens een tamelijk populaire hypothese zou de dodecaëder een astronomisch meetinstrument zijn voor het vastleggen van de optimale zaaidatum van de wintergranen. Ook de icosaëder zou in die hypothese passen. Met replica's kon volgens Wikipedia aangetoond worden dat met beide meetinstrumenten op de dag nauwkeurig de datum kon worden vastgelegd. "Daar geloof ik geen sjiek van", reageert historicus Nouwen laconiek. "Het probleem is dat alle hypotheses uitgaan van één exemplaar van de dodecaëder, maar dan weer niet opgaan voor de andere." Voorlopig geeft de pentagonale dodecaëder zijn mysterie niet prijs, het blijft een ULO ( unidentified lying object, in meer dan één betekenis). En zo blijft hij het onderwerp van onze drang tot kennis, maar net zo goed van gissingen, roddels en gegniffel. Het zal niemand verbazen dat er ook hypotheses in de erotische sfeer circuleren. En als je er maar lang genoeg naar staart, zie je er een mombakkes in dat grijnst om zoveel dwaze fantasieën. Gallo-Romeins Museum, Kielenstraat 15, 3700 Tongeren. 012 67 03 30. www.galloromeinsmuseum.be Door Linda Asselbergs - Foto's Wouter Van VaerenberghAbsoluut intrigerend zijn de cirkelvormige openingen in de vlakken. Bij sommige dodecaëders zijn ze van dezelfde grootte, maar bij de meeste niet