De meeste bezoekers parkeren hun wagen en lopen dan recht naar de ingang. Maar wie de moeite neemt om een omweg te maken van enkele tientallen meters, wordt daarvoor beloond. Achter de wijdopen hoofdingang prijkt de statige, grijze woning alsof ze op een voetstuk staat. De statigheid wordt nog extra benadrukt door twee hoge, grijze muren, geflankeerd door twee magnifieke Engelse bloemenborders die schitteren in de middagzon. De woning met haar opvallende raampartijen is het werk van Edwin Lutyens, een van de beroemdste Britse architecten van de twintigste eeuw.
...

De meeste bezoekers parkeren hun wagen en lopen dan recht naar de ingang. Maar wie de moeite neemt om een omweg te maken van enkele tientallen meters, wordt daarvoor beloond. Achter de wijdopen hoofdingang prijkt de statige, grijze woning alsof ze op een voetstuk staat. De statigheid wordt nog extra benadrukt door twee hoge, grijze muren, geflankeerd door twee magnifieke Engelse bloemenborders die schitteren in de middagzon. De woning met haar opvallende raampartijen is het werk van Edwin Lutyens, een van de beroemdste Britse architecten van de twintigste eeuw. Hoewel het hier maar om een klein stukje van het hele domein gaat, mag u die eerste aanblik onder geen beding missen. Maar achter de woning ontvouwt zich een groot golvend park met bomen, dat reikt tot aan de oever van het Kanaal. Le Bois des Moutiers ontstond aan het einde van de negentiende eeuw uit de passie voor planten van een protestantse bankier, de toen veertigjarige Guillaume Mallet. In die tijd was Dieppe een bloeiende Normandische stad. Er wordt van gezegd dat ze "Engels, mondain en bevolkt met artiesten" was. Voor Varengeville-sur-Mer gold hetzelfde. Monet kwam er, aangetrokken door het speciale licht zo vlak bij zee én door het kerkje aan de rand van de klippen. Hij schilderde er meer dan honderd doeken in één jaar. In de negentiende eeuw woonden in Varengeville boeren en vissers. De plek stond bekend als "een dorp met straten afgezoomd met prachtige bomen, even goed onderhouden als de lanen in een park en even mysterieus als een bospad". Guillaume Mallet kocht er een domein, gelegen in een vallei. De bodem was er uitzonderlijk zuur, zodat er veel planten van Aziatische oorsprong konden gedijen, waaronder rododendrons. Op het hoogste punt troonde een indrukwekkende, maar niet echt stijlvolle woning. Guillaume Mallet had een grote belangstelling voor botanica en plantencollecties. Uit zijn kindertijd herinnerde hij zich beelden van een aards paradijs, tuinen die hij gezien had toen hij met zijn familie tijdens de oorlog van 1870 in ballingschap leefde op het eiland Wight. Hij was toen elf en Engeland is voor hem altijd een referentie gebleven. Zo valt meteen te begrijpen waarom hij Edwin Lutyens vroeg om de woning een nieuw gezicht te geven. Lutyens was amper 29, maar een beroemdheid in Londen. Zijn faam reikte al tot in Parijs, want hij bouwde er het Britse paviljoen voor de Wereldtentoonstelling in 1900. Op weg naar een werkbezoek stapte hij in mei 1898 aan wal in Dieppe en kwam hij voor de eerste keer bij de Mallets op bezoek. Wat ook een rol speelde in de beslissing van Guillaume Mallet om met Lutyens in zee te gaan, was Lutyens' samenwerking met de grote Engelse tuinspecialiste uit die tijd, GertrudeJekyll, voor wie hij een jaar eerder een huis in Munstead Wood had gebouwd. Die deal tussen Jekyll en Lutyens resulteerde in talrijke projecten met typische kenmerken, zoals pergola's. Le Bois des Moutiers heeft er ook een, steunend op rechthoekige bakstenen zuilen. Gertrude Jekyll adviseerde Guillaume Mallet bij de aanleg, onder meer bij de borders met vaste planten, een specialiteit die haar onsterfelijk heeft gemaakt. Maar in de archieven zitten eveneens voorstellen voor borders met lenteheesters. Ze suggereert ook om er coniferen, Pieris en heide tussen te planten. Maar Guillaume Mallet is een man met een gezonde nieuwsgierigheid en hij vraagt advies bij de beste plantenkwekers in Frankrijk, Engeland en elders. Al zijn aankopen staan zorgvuldig genoteerd in een aankoopboekje dat hij bijhield van 1899 tot 1934. Niet alleen de namen en de hoeveelheden van de planten staan vermeld, maar ook de leveranciers, de prijzen, de verzendingskosten en zelfs de bedragen die hij als fooi gaf. In 1902 bijvoorbeeld kocht hij bij één kweker 500 Pinus excelsa, 500 zilverceders, 1000 groene eiken en drie hydrangeasoorten, 50 stuks van elk. Dat lijken indrukwekkende aantallen. Volgens Robert Mallet, de kleinzoon van Guillaume, werd zijn grootvader in die tijd beïnvloed door de geschriften van William Robinson, die de raad geeft uitheemse planten te acclimatiseren, en ze massaal aan te planten, in grote groepen. De aanwezigheid van al die bomen - vandaar de naam Le Bois des Moutiers - wijst erop dat men een ware biotoop van sierplanten heeft willen aanleggen, planten van verschillende hoogten, zodat de ene beschutting bieden aan de andere. De rododendronbloei vormt nog elke lente een hoogtepunt. Jammer genoeg kon Guillaume Mallet niet voorzien wat er na zijn dood in 1945 met het domein zou gebeuren. In 1940 werd de familie namelijk van haar landgoed verdreven. De Duitsers palmden het in en legden het hele park vol mijnen, om op die manier de uitweg naar zee te blokkeren. In 1946 konden de erfgenamen opnieuw bezit nemen van hun landgoed. Het ontmijnde Bois des Moutiers was helemaal verwilderd. Het duurde nog tot 1955 voor André, de zoon van Guillaume Mallet, besloot om de gebouwen te restaureren en beetje bij beetje het verwaarloosde park aan te pakken. Na zijn dood in 1964 zette zijn vrouw Mary het werk voort, zich er wel van bewust dat ze extra middelen moest vinden. Daarom werd Le Bois des Moutiers in 1970 opengesteld voor het publiek. Mary overleed in de lente van 2004. Ze werd bijna honderd jaar en bleef al die jaren lang een elegante verschijning met een vastberadenheid die ze gemeen had met andere grote tuinliefhebbers uit haar tijd, zoals Robert en Jelena De Belder, die het Arboretum van Kalmthout maakten tot wat het nu is. De renovatie groeide uit tot een echte familiezaak. Mary's kinderen Robert, Claire en Constance, hebben de hele tijd eigenhandig meegewerkt aan de wederopbloei van het park. Elk van hen legde eigen accenten. De geschiedenis wordt nu voortgezet door AntoineBouchayer, de zoon van Claire. Hij staat in voor het dagelijks beheer. "Als je zo'n plek openstelt voor het publiek, dan moet je ze doen evolueren. De lentebloeiers zijn spectaculair in Le Bois des Moutiers. Om het seizoen te verlengen hebben we ook een rozentuin aangelegd en in de jaren tachtig hebben we het noordelijke terras aangeplant met hydrangea's", aldus Robert Mallet. Hij trok zich in die periode uit de zaken terug en begon een kwekerij naast de ingang van de tuin. Daar bracht hij de eerste exemplaren onder van een collectie die volledig aan hydrangea's is gewijd en die nu Le Jardin Shamrock heet. "In die tijd bestond er maar één boek over hydrangea's en dat was The Hydrangeas van Haworth-Booth, een boek dat bovendien maar heel schaars geïllustreerd was. Mijn vrouw Corinne is dan begonnen met het vergaren van notities en foto's met de bedoeling een actueler boek te schrijven. Het eerste deel werd uitgegeven in 1992, met de medewerking van Harry van Trier, oud-directeur van het Arboretum van Kalmthout." Corinne gaf nog een tweede deel uit in 1994. Dat was de vrucht van drie opeenvolgende reizen naar Japan, op zoek naar inheemse soorten. Daarvoor exploreerde ze verscheidene gebieden, waaronder de Fujiberg en het schiereiland Izu. Dat er vraag was naar zo'n boek bewijst de oplage, er gingen dertigduizend exemplaren over de toonbank. Corinne stelde zich niet tevreden met het uitkammen van de wilde natuur en de struiken te identificeren in hun natuurlijke omgeving. Ze breidde ook haar kennissenkring uit, onder wie de beste specialisten, die allemaal hun collecties openstelden. Dat heeft uiteraard haar tuin in Varengeville veel aanwinsten bezorgd, vooral cultivars van Hydrangea macrophylla en serrata. Robert Mallet geraakt niet uitgepraat over bijvoorbeeld de Hydrangea macrophylla 'Izu-no-Hana', een van de mooiste Japanse cultivars, met prachtige donkerpaarse bloemen in zure grond en mooie roze bloemen in neutrale grond. "En nog iets wat 'Izu-no-Hana' zo interessant maakt, is dat die cultivar bij ons winterhard is, in tegenstelling tot andere recente introducties van Japanse herkomst die al snel lijden onder de vrieskou." De Shamrockcollectie staat vanaf 2001 op haar huidige plaats, enkele honderden meters van de plek waar ze ontstaan is. Ze telt momenteel zowat 1200 referenties en wordt voortdurend verrijkt met nieuwe introducties, maar ook met herontdekkingen. "In tuinen in Australië en Nieuw-Zeeland hebben wij Europese creaties teruggevonden die bij ons verdwenen waren. Hydrangea ' Beauté Vendômoise' is er zo één." Bovendien komen er aldoor nieuwe variëteiten tot stand uit kruisingen. Het enthousiasme van Robert Mallet is gewoon niet te stuiten : "Dit is nog maar een begin, de Hydrangea wordt zeker en vast dé plant van de eeuw !" n Tekst en foto's Jean-Pierre Gabriel