De rijkelui die in de dolle jaren twintig een herenhuis optrokken rond het Paul de Smet de Naeyerplein, vlak bij het Sint-Pietersstation, voelden zich de koning te rijk. De meesten hadden net hun oude huis in de binnenstad verlaten om hier van meer ruimte, groen en moderniteiten te genieten. Want hun nieuwe woningen waren zoveel comfortabeler dan die oude herenhuizen in het centrum. Hier kon je je automobiel voor de deur laten staan, genieten van een warmwaterbad, elektriciteit en een gezellig familiehuis.
...

De rijkelui die in de dolle jaren twintig een herenhuis optrokken rond het Paul de Smet de Naeyerplein, vlak bij het Sint-Pietersstation, voelden zich de koning te rijk. De meesten hadden net hun oude huis in de binnenstad verlaten om hier van meer ruimte, groen en moderniteiten te genieten. Want hun nieuwe woningen waren zoveel comfortabeler dan die oude herenhuizen in het centrum. Hier kon je je automobiel voor de deur laten staan, genieten van een warmwaterbad, elektriciteit en een gezellig familiehuis. Deze nieuwe huizen leenden zich beter tot een modern gezinsleven. Oude herenhuizen zitten vol pronksalons, zijn niet zelden te groot en werden geconcipieerd voor een strikte scheiding tussen personeel en bewoners. In deze nieuwe huizen werd de rol van het personeel beperkt, nu mocht de keuken bijvoorbeeld voor het eerst net naast de eetkamer liggen. Het sociale leven van het moderne gezin dat hier kwam wonen was dus intiemer dan dat van hun ouders, die waren blijven steken in het upstairs-downstairs-principe. Bovendien ontvluchtten veel rijke Gentenaars toen de binnenstad omdat er te veel fabrieken en woonkazernes waren opgetrokken. Kortom, de kersverse bewoners van het Miljoenenkwartier hadden het paradijs gevonden. Gent kende een eerste stadsuitbreiding met de verkaveling van de wijk rond het Citadelpark in 1874. Daaromheen staan nu trouwens de mooiste art-nouveauwoningen van de stad. Vanaf 1902 werden de lanen rond het Sint-Pietersstation aangelegd. Het nieuwe stadsdeel, van het Citadelpark tot aan de Sterre, werd vervolgens de plek waar de Wereldtentoonstelling van 1913 werd opgebouwd. Het Paul de Smet de Naeyerplein, nu een park, was destijds de centrale laan van de expo. De entree bevond zich aan de kant van de Onafhankelijkheidslaan. Nu kunnen we die expo alleen nog op postkaarten bewonderen, want er schiet vrijwel niets van over. "De imposante paviljoenen en paleizen werden immers opgetrokken volgens het staff-procedé, een Engelse techniek die erin bestaat pleister aan te brengen op houten of stalen geraamten. De monumenten waren dus vergankelijk", aldus kunsthistorica Leen Meganck die ons rondleidt. Ze heeft al veel over deze wijk gepubliceerd. "Van de expo bleef bijna niets bewaard, behalve de twee bronzen beelden in het park. Maar het stratenplan gaat wel terug op de plattegrond van de expo", legt Leen uit. De gebouwen en zelfs het groen verdwenen en toch bleef in deze schilderachtige wijk het expogevoel wat hangen. En dat heeft alles te maken met de uitzonderlijke zorg voor het tuinlandschap en de bouwkunst. Het is alsof je door een architectuurtentoonstelling stapt. In de jaren twintig werd de grond verkaveld. "De kopers kregen strenge reglementen onder de neus," onderstreept Leen Meganck, "zo moesten ze aan de stad tien procent van de aankoopprijs als borg betalen. Dit bedrag werd aangeslagen indien de plannen voor de gevels en de beplanting niet werden goedgekeurd." De bouwheren moesten extra veel beplanten, mochten geen bedrijf oprichten, platte daken waren uit den boze en stapelplaatsen moesten aan het oog worden onttrokken. Gent wilde een zuiver residentiële wijk, dat verklaart trouwens waarom je er ook nu nog geen restaurant of koffiehuis vindt. Aan de belangrijkste lanen en straten hoorden panden te staan met riante voortuinen. "Het groen is alomtegenwoordig en was eigenlijk nooit zo mooi als nu. Vergeet niet dat de eerste bewoners hier alleen jonge boompjes hebben gezien. Intussen staan de parkbomen en struiken op hun maximale omvang", merkt Leen Meganck terecht op. ??? Het Miljoenenkwartier, zo genoemd omdat de bewoners goed in de slappe was zaten, werd tussen 1926 en '40 volgebouwd, dus tijdens het Interbellum. De mooiste panden staan tussen de Congreslaan, de Krijgslaan en de Onafhankelijkheidslaan. Er woonden industriëlen en handelaars. De wijk werd een wonderbaarlijke spiegel van de diverse smaken die toen in trek waren. Leen Meganck : "Je krijgt hier alle stijlen naast elkaar, van de traditio- nele Franse stijlen, al dan niet met elementen uit het rococo, de régence of het neoclassicisme, tot de Engelse cottagestijl, de art deco of zelfs het Bauhausmodernisme." We beginnen onze wandeling op de hoek van de Onafhankelijkheidslaan en de Congreslaan, met twee naast elkaar gelegen panden die aantonen hoezeer smaken konden verschillen. Op de hoek staat een pronkerig pand vol tierlantijntjes in wat de "Style Hoge" wordt genoemd, naar de fantasierijke architect Charles Hoge, die elementen uit de Vlaamse renaissance vermengde met Normandisch vakwerk en art-deco- ornamenten. Maar daarnaast staat een strak modernistisch pand, eveneens uit 1928, van architect Jules Lippens, die helemaal weg was van de hoekige stijl van de Nederlandse architect Willem Dudok. Je vraagt je af of die buren eigenlijk wel overeenkwamen. Want de stijl kan de ziel van een bewoner weerspiegelen. In de negentiende eeuw was dat heel pertinent, katholieken kozen voor de neogotiek, liberalen bouwden liever neoklassiek. "Hier was dat minder uitgesproken," aldus Leen Meganck, "de Gentse upperclass koos traditioneler en vermeed het modernisme als bouwstijl." Architecten die sympathiseerden met de socialistische beweging trokken wel de kaart van de modernisten. Zoals de kubistische villa die Geo Bontinck ontwierp in de Vaderlandstraat 47 en de woning van architect Gaston Eysselinck op de hoek Vaderlandstraat en de Fleurusstraat. De woning van modernist Eysselinck is ontworpen als de woonmachine van Le Corbusier, voorzien van pilaren en een zonneterras. Dit is het enige pure avant-gardehuis van de wijk. Op amper een paar honderd meter van het architectuurexperiment van Eysselinck, aan het Paul de Smet de Naeyerplein, staat een Frans landhuis dat een verkleinde kopie is van het Petit Trianon, een van de lustpaviljoenen in Versailles. Dus waren er ook bouwheren die hun aristocratische imago graag wat opkrikten door te kiezen voor een vorstelijke stijl. Uiteraard staan er ook enkele panden in art-decostijl, de kubistische stijl van het interbellum, met frivole metselverbanden en prachtig gesmede tuinhekken. Het gebruik van de tuinhekken werd trouwens door de stad opgelegd. Sommige zijn uitbundig en kunstig, andere heel sober. Aan het park staat ook een villa in bootstijl, waarvan het hek net een scheepsreling is. Sommige hekken zijn versierd met bladgoud en moesten de rijkdom van de bewoners uitstralen. Andere zijn dan weer sober en zakelijk. De stijlverscheidenheid maakt deze wijk tot een landschappelijk unicum. Wie op alle namen van de architecten gaat letten, niet zelden vereeuwigd op een gevelsteen, en op alle verfraai-ingen, merkt pas hoe verscheiden de architectuur wel is. Het Miljoenenkwartier is niet enkel uitzonderlijk door zijn inplanting met veel groen en uitstekende staat van bewaring. Maar evenzeer door het feit dat de bouwheren misschien wel beter dan elders hun best deden om uit te blinken. In de buurt bouwden trouwens nogal wat architecten een eigen woning, hun visitekaartje dus. Denk maar aan het ongewone woonhuis van architect Jan-Albert De Bondt, Krijgslaan 124, met een bakstenen toren. Het lijkt wel geplukt uit een Amsterdams stadslandschap. Je kunt dit schitterende pand ook bezoeken, want de Villa De Bondt is een juwelengalerie. We merken toch nog even op dat het weinig heeft gescheeld of de harmonie van deze wijk geschonden werd. In de jaren negentig waren er plannen om villa's te slopen voor hoogbouw. Gelukkig werd de wijk in 1994 als stadsgezicht beschermd. Wie nog tijd overheeft, raadt Leen Meganck aan om door te stappen tot aan de Maurice Maeterlincklaan en Cyriel Buyssestraat, tussen de Kortrijkse- en de Oudenaardsesteenweg, waar er eveneens een kleine en minder bekende villawijk ligt uit het interbellum. Je kunt natuurlijk ook in de andere richting kiezen, naar het stadscentrum, en de buurt rond het Citadelpark verkennen, waar ook weer tal van architectuurparels staan. Onderweg tref je wél een plek waar je iets kunt eten of drinken. DOOR PIET SWIMBERGHE & FOTO'S WOUTER VAN VAERENBERGHSOMMIGE HEKKEN ZIJN VERSIERD MET BLADGOUD EN MOESTEN DE RIJKDOM VAN DE BEWONERS UITSTRALEN VEEL RIJKE GENTENAARS ONTVLUCHTTEN DE BINNENSTAD OMDAT ER TE VEEL FABRIEKEN EN WOONKAZERNES WAREN OPGETROKKEN