Er is die ene, veelzeggende foto uit 1909 van Jan Olieslagers in zijn primitieve Blériot-toestel : een durfal met een ironische glimlach boven zijn parmantige knevel. Meteen is duidelijk op wie de Britse acteur Terry-Thomas zich inspireerde voor zijn rol van luchtvaartpionier in Those magnificent men in their flying machines, de bekende komedie uit de jaren 60. Tegenwoordig doet de naam Olieslagers wellicht niet meteen een belletje rinkelen, maar in de belle époque was den AntwerpschenDuivel een vedette en volksheld wiens exploten te land en in de lucht in ettelijke liedjes vereeuwigd werden. Een kerel die voor niets of niemand bang was, die het luchtruim trotseerde in fragiele en zeer windgevoelige constructies van lichte latten, linnen en pianodraad.
...

Er is die ene, veelzeggende foto uit 1909 van Jan Olieslagers in zijn primitieve Blériot-toestel : een durfal met een ironische glimlach boven zijn parmantige knevel. Meteen is duidelijk op wie de Britse acteur Terry-Thomas zich inspireerde voor zijn rol van luchtvaartpionier in Those magnificent men in their flying machines, de bekende komedie uit de jaren 60. Tegenwoordig doet de naam Olieslagers wellicht niet meteen een belletje rinkelen, maar in de belle époque was den AntwerpschenDuivel een vedette en volksheld wiens exploten te land en in de lucht in ettelijke liedjes vereeuwigd werden. Een kerel die voor niets of niemand bang was, die het luchtruim trotseerde in fragiele en zeer windgevoelige constructies van lichte latten, linnen en pianodraad. De jonge Olieslagers, geboren in Antwerpen op 4 mei 1883, kreeg niet veel cadeau in het leven. Op school blonk hij uit in rekenen. Maar toen hij elf was verloor hij zijn vader, die nog had meegewerkt aan het rechttrekken van de Schelde-oever. Zijn moeder bleef achter met zes kinderen. Jan kon meteen aan de slag bij de werf waar zijn vader had gewerkt ; hij verdiende er tien centiem per uur. 's Avonds en 's zondags kluste hij bij een fietsenmaker in de buurt. Daar leerde hij stiekem fietsen in de kelder. Nadat hij de fiets van een klant in de vernieling had gereden, kwam hij uiteindelijk bij de Belgische fietsfabriek Mercury Cycle Co terecht, waaruit later het bedrijf Minerva ontstond. In die periode begon hij wielerwedstrijden te rijden onder de vlag van de Royal Antwerp Bicycle Club en de Union Cycliste Internationale. In 1900 begon Minerva ook motorfietsen te maken. Dat gebeurde door een Ÿ pk 172 cc clip-on motor aan de voorste framebuis van een Minervafiets te monteren. Maar de ingenieurs kregen het ding niet aan het rijden. Het was Olieslagers die erin slaagde de motorfiets rijvaardig te maken. Hij werd lid van de Antwerp Motor Club en bij het eerste Kampioenschap voor Motoren in Zurenborg won hij meteen een gouden medaille. In 1901 vestigde hij het eerste van een reeks wereldsnelheidsrecords : tachtig kilometer per uur. Nadat hij ook de snelheidswedstrijd Parijs-Bordeaux-Parijs gewonnen had, blokletterde Le Figaro : 'Olieslagers, le démon Anversois, est le champion incontesté de la motocyclette'. Naast internationale roem leverde de race hem overigens ook een bekeuring van de Franse politie op wegens rijden zonder rijbewijs, want dat bestond toen nog niet in België. In 1907 sloeg het noodlot toe. Tijdens een schietoefening werd Olieslagers in het hoofd geraakt door een verdwaalde kogel. Volgens Olieslagerskenner Dirk Buytaert, voorzitter van de Aviation Society of Antwerp, zat die kogel op een plek waar hij met de middelen van die tijd niet verwijderd kon worden. Olieslagers zou er de rest van zijn leven mee blijven rondlopen. Het hield hem niet tegen om in 1908 op de motor een nieuw wereldrecord te vestigen : vijf kilometer in twee minuten en tweeënvijftig seconden. Al die records legden hem geen windeieren : de simpele fietsenmaker werd een welgesteld man. Een kantelmoment in Olieslagers' leven was zijn ontmoeting met de Fransman Louis Blériot die een vliegschool dreef in Issy-les-Moulineaux en die recent het kanaal was overgevlogen. Dat sprak geweldig tot Olieslagers' verbeelding. Van toen af telde nog maar één ding : vliegen ! Hij kocht zijn eerste vliegtuig, een Blériot XI. Bij zijn eerste vlucht bereikte hij een hoogte van vijf meter. Toen de nieuwbakken aviateur de vliegtuigloodsen recht voor zich zag opduiken, zette hij simpelweg het contact af. Wonder boven wonder maakte hij een perfecte landing. Overmoedig ondernam hij een tweede vlucht, dit keer met bochten. Het bekwam hem slecht : het vliegtuig verloor hoogte, een vleugel raakte de grond en brak af, ook het landingsgestel werd afgerukt. Maar de piloot bracht het er heelhuids af. Zodra de Blériot hersteld was, wilde hij een nieuwe poging wagen, wat hem gezien de weersomstandigheden ten zeerste werd afgeraden door Blériot. Maar er was geen houden aan : Olieslagers steeg op, ondanks de sterke zijwind, met het gevolg dat hij opnieuw crashte. Je zou denken dat de man nu toch wel wat voorzichtiger zou geworden zijn. Maar nee, zijn geringe vliegervaring (drie vluchten, twee crashes) weerhield hem er niet van om anderhalve week later deel te nemen aan de eerste Vliegweek van Antwerpen. Die vond van 23 oktober tot 2 november 1909 plaats op het toenmalige militaire oefenveld van het Wilrijkse Plein. In het Cahier voor Luchtvaartgeschiedenis verscheen een uitgebreid verslag van het ambitieuze evenement. Waarom een luchtvaartmeeting zo laat in het seizoen ? De allereerste vliegmeeting ter wereld werd in augustus 1909 in Reims georganiseerd. Kratten die echt vlogen, het spreekt vanzelf dat iedereen dat met eigen ogen wilde zien. Natuurlijk kon Antwerpen niet achterblijven nadat 'men eerder reeds aeroplanen zwaarder dan lucht had zien vliegen te Gent, Doornik en Oostende'. Op 20 september 1909 was er de met veel bombarie aangekondigde Grande Quinzaine d'Aviation de Spa geweest, maar ondanks de aanwezigheid van beroemde Franse luchtvaartpioniers was het qua prestaties een flop. Ook in Antwerpen werd er meer gecrasht dan gevlogen, aldus Danny Cabooter, stichter van het Stampe & Vertongen Museum naast de luchthaven van Deurne. "Zowat de hele stad liep storm om helden als baron de Caters en Jan Olieslagers de lucht in te zien gaan. Om piloten te lokken, waren er aantrekkelijke prijzen uitgeloofd : vijfentwintigduizend frank voor wie het verst vloog, vijfduizend voor wie het hoogst ging. Zowel op het Wilrijkse Plein als aan de kathedraal hingen vlaggen. Wit als de piloten zich klaarmaakten, rood als ze vlogen en zwart als ze niet vlogen." Helaas, de eerste twee dagen woedde er een herfststorm die vliegen zo goed als onmogelijk maakte en 'het vliegplein' in een modderpoel veranderde. Niet minder dan vier hangars werden omvergeblazen, één toestel werd zodanig beschadigd dat het niet meer hersteld kon worden. Op de vierde dag van de meeting klaarde het op, maar er stond een stevige bries. Desondanks liet Olieslagers omstreeks tien uur de witte vlag hijsen. Na amper vijftig meter taxiën kwam hij al los van de grond en klom vervolgens in opeenvolgende luchtsprongen tot vijftien meter. Maar de wind schudde het toestel zo heftig heen en weer dat de onervaren piloot prompt de ontsteking uitschakelde. Een reflex uit zijn motorrennersloopbaan, maar niet raadzaam in de lucht : terstond verloor de Blériot alle vliegdrift en crashte in een steile hoek in een opspattende waterplas. Wonder boven wonder bleef Olieslagers ongedeerd, maar zijn toestel liep grote schade op. Dirk Buytaert : "De derde keer al dat 'de Jan' zijn machine bij de landing de grond in boorde, wat ons niet mag verbazen want eigenlijk had niemand hem ooit getoond hoe hij dat moest doen, landen. Al doende leert men, moet hij gedacht hebben. Angst scheen hij niet te kennen, risico trok hem zelfs aan. Zijn zwaarste crash beleefde hij in 1910 in de buurt van Oran in Algerije, waar hij deelnam aan de eerste vliegdemonstratie op Afrikaanse bodem. Tijdens een race tegen een stoomtrein raakte hij telegraafdraden, waarna zijn toestel vuur vatte. Hij kwam met brandwonden in het ziekenhuis terecht, maar ook dat zou hem niet ontmoedigen." Eerder dat jaar had de Aëroclub van België hem het brevet van piloot-vlieger Nr. 5 uitgereikt. Hij nam deel aan allerlei vliegdemonstraties in Nederland, Frankrijk en Spanje. Die meetings trokken veel volk. Op de laatste dag van de Vliegweek van Enschede juichten vijftigduizend Nederlanders hem stormachtig toe. Maar de 'Vliegende Hollander', zoals ze hem noemden, was dus een Belg. Tijdens zijn triomftocht stal hij de harten der dames die getuigden dat hij er in het echt nog veel knapper uitzag dan op de foto. Uit die tijd stamt dit eerder cynische liedje :Als Olieslagers doodvalt Dan kopen wij een schaar En knippen al de krullen van zijn pettelaar Als Olieslagers doodvalt dan krijgen wij misschien De helft van zijn centen en ook nog zijn vliegmachien. Olieslagers, Olieslagers, Olieslagers val maar dood. In juli 1910 vestigde hij in Reims zijn eerste wereldrecords wat afstand betreft, uiteindelijk haalde hij 625 kilometer. Het hoogterecord bracht hij op 1524 meter. Met die records verzamelde hij trofeeën en geld zodat hij een tweede Blériot kon aankopen. Tijdens het eerste luchtvaartsalon van Parijs draaide Olieslagers zijn eerste loopings vóór het oog van onder anderen Winston Churchill. Tot grote tevredenheid van Blériot, die zo kon demonstreren dat alleen zijn toestel dergelijke acrobatische maneuvers aankon. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog deed bij Olieslagers hevige patriottische gevoelens losbarsten. Omdat hij 'uitgeloot' was, had hij geen legerdienst gedaan. Maar op 1 augustus stuurde hij een telegram aan baron de Broqueville, minister van Oorlog : 'Suis à la disposition de mon Roi et ma Patrie avec mes avions, mon auto et mon personnel.' Met zijn vriend en collega-vliegenier Jules Tyck meldde hij zich in het kamp van Brasschaat. Hij werd er ingedeeld bij de 'sapeurs-aviateurs' van de genie. Aanvankelijk moesten de Belgische piloten zich beperken tot observatievluchten. Er was een formeel verbod van de legeroverheid om luchtgevechten aan te gaan omdat het risico voor beschadiging van militair materieel te groot was. Maar op 10 augustus 1914 zag Olieslagers een Duitse Taube die verkenningsvluchten boven de linies uitvoerde. Als eerste Belgische vlieger achtervolgde hij het vijandelijke toestel en schoot ernaar met een Browningpistool. Op 12 september 1915 gaf de generale staf piloten uiteindelijk de toelating om luchtgevechten aan te gaan. Olieslagers schoot op 22 september zijn eerste Duitse vliegtuig neer boven Oudstuyvekenskerke. Op 17 juli 1917 nam hij een Nieuport met Rhône-motor van 80 pk in ontvangst. Piloten werden tijdens de Grote Oorlog zelden ouder dan vijfentwintig jaar. Al na zes officieel erkende overwinningen mochten ze zich 'aas' noemen. De Antwerpse duivel, toen al in de dertig, kwam ongedeerd uit 491 sorties en 97 gevechten. Uiteindelijk mocht hij maar zeven officiële overwinningen op zijn palmares schrijven. Dirk Buytaert : "Het zullen er zeker meer geweest zijn, maar het probleem was dat die neergehaalde vliegtuigen officieel bevestigd moesten worden door grondtroepen en dat was zelden het geval." In februari 1916 voegde Olieslagers zich bij het 1ste Jachteskader. In het Stampe & Vertongen Museum in Deurne is een vliegtuig van zijn jachteskader te bezichtigen, een Sopwith Camel, met Olieslagers' embleem, de distel, op de flank. Met zijn technisch vernuft slaagde hij erin belangrijke verbeteringen aan te brengen aan de Lewis-machinegeweren. Aanvankelijk stonden die op een spil op de bovenste vleugel van het jachtvliegtuig. Om zo'n mitrailleur te bedienen moest de piloot rechtop staan, waardoor hij het toestel afremde en uit evenwicht bracht. Dat zinde Olieslagers niet : hij liet de spil van het wapen op de rechterrompwand plaatsen, zodat hij zittend het wapen met één hand kon gebruiken en met de andere het vliegtuig besturen. De resultaten van die oplossing waren eerder ontgoochelend, maar de Antwerpenaar bleef aan het wapen sleutelen, geholpen door zijn broer Jules, een getalenteerd luchtvaarttechnicus. Dankzij hun gecombineerde inspanningen werd de mitrailleur lichter, wendbaarder en blokkeerde hij minder gemakkelijk. Hun verbeteringen werden door de constructeur overgenomen en op alle geallieerde toestellen toegepast. Uiteindelijk zou de Nieuport uitgerust worden met twee parallelmachinegeweren die boven de schroef schoten. Op 3 mei 1918 werd luitenant Olieslagers tot luchtheld uitgeroepen, maar een paar maanden later werd zijn toestel boven Gent door een obus geraakt. Tijdens zijn hospitalisatie in Eeklo zocht koning Albert I hem persoonlijk op. Toen de oorlogsheld op 3 augustus 1919 gedemobiliseerd werd, was hij negenendertig jaar en moest hij zich aanpassen aan het burgerleven. Dirk Buytaert : "Na de oorlog heeft Olieslagers, op wat demonstratievluchten en luchtdopen na, niet meer zo veel gevlogen. Voor het publiek was het nieuwe van het vliegen er een beetje af. Er waren ook meer piloten, zodat het prijzengeld bij wedstrijden terugliep." Vanaf 1920 ijverde Olieslagers voor een internationale luchthaven in Deurne bij Antwerpen. Zijn goede contact met Albert I heeft er zeker toe bijgedragen dat die luchthaven er ook kwam. Hij stichtte de Antwerp Aviation Club en was later medestichter van Les Vieilles Tiges (de oude vleugels), de vereniging van pioniers en oudgedienden van de Belgische Luchtmacht. Toen Koning Albert I in 1934 begraven werd, was Olieslagers de vaandeldrager van het Militaire Vliegwezen. Jan Olieslagers overleed op 23 maart 1942, net geen negenenvijftig jaar, vermoedelijk aan kanker. Want waar zijn curriculum vitae rijk is aan feiten, is over zijn privéleven redelijk weinig bekend. Zo vermelden biografieën graag dat hij naast selfmade man, technisch genie, ondernemer en durfal ook een echte casanova was, maar veel bewijzen daarvan zijn er niet. Dirk Buytaert, die volgend jaar een fotoboek over Jan Olieslagers uitbrengt : "Er was sprake van twee echtgenotes en twee dochters, maar zeker weten we enkel dat Jan in 1920 trouwde met de zesentwintigjarige Jeannot Levy en één dochter kreeg : Maggie. Die is zelf nooit gehuwd, zodat Olieslagers geen rechtstreekse afstammelingen heeft. Maggie, intussen zelf overleden, repte met geen woord over het privéleven van haar vader, ook niet toen haar medewerking aan een VRT-documentaire over de luchtheld werd gevraagd." Jan Olieslagers kreeg geen praaltombe, zijn laatste rustplaats is een eenvoudig soldatengraf in een perk van de militaire begraafplaats van het Schoonselhof. Maar toen hij in volle bezettingstijd overleed, werd zijn lijkkist met de Belgische vlag bedekt en klonk in de kerk, tegen elk verbod in, de Brabançonne. STAMPE & VERTONGEN, MUSEUM VAN HISTORISCHE VLIEGTUIGEN GENOEMD NAAR DE LUCHTVAARTPIONIERS DIE, MET HUN VLIEGSCHOOL EN VLIEGTUIGFABRIEK, SAMEN MET JAN OLIESLAGERS AAN DE BASIS LAGEN VAN ANTWERP INTERNATIONAL AIRPORT. LUCHTHAVENLEI 1 BUS 3, 2100 DEURNE. OPEN OP ZATERDAG EN ZONDAG VAN 14 TOT 17 U. INFO EN RONDLEIDINGEN : WWW.STAMPE.BE. DOOR LINDA ASSELBERGS & FOTO'S FILIP VAN ROE