Geen mens op de redactie die zoveel fanmail krijgt als hij. Dat komt ervan als je als man openhartig, wat zeg ik, soms op het pijnlijke af vrijmoedig over je innerlijke roerselen schrijft. Vandaar ons idee om Jean-Paul Mulders in het blad op voorzetten van lezers en lezeressen te laten antwoorden. Serieuze en minder serieuze vragen stroomden toe. Ha, een collega-columnist op het rooster leggen, die kans krijg je niet alle dagen !
...

Geen mens op de redactie die zoveel fanmail krijgt als hij. Dat komt ervan als je als man openhartig, wat zeg ik, soms op het pijnlijke af vrijmoedig over je innerlijke roerselen schrijft. Vandaar ons idee om Jean-Paul Mulders in het blad op voorzetten van lezers en lezeressen te laten antwoorden. Serieuze en minder serieuze vragen stroomden toe. Ha, een collega-columnist op het rooster leggen, die kans krijg je niet alle dagen ! Jean-Paul Mulders : Herkenbaarheid, dat is het woord dat altijd terugkomt. Mensen vinden het prettig om wat ze zelf ervaren door iemand anders verwoord te zien. Mijn gevoel daarbij is dubbel. Enerzijds denk ik : ben ik nu zo weinig origineel dat al die mensen hetzelfde gedacht hebben ? Ooit schreef ik dat ik zin had om het dashboard van mijn auto te laten volsneeuwen met parkeerbriefjes. Geen wet die dat verbiedt, maar je maakt het de parkeerwachter wel knap lastig om het juiste eruit te pikken. Dan denk je : dat is zo onnozel, zo overdreven dat niemand daar ooit aan gedacht heeft. Maar je kunt het zo bizar niet bedenken of iemand meldt dat hij dat ook al heeft willen doen. Anderzijds is het natuurlijk prettig om vast te stellen dat veel mensen denken zoals jij. Ik heb soms de neiging te geloven dat ik een gevoelige mens ben in een wereld vol klootzakken, maar dat blijkt dus niet zo te zijn. Zo kreeg ik een mail van een bedrijfsleider die het fantastisch vond dat ik verwoordde wat hij voelde, maar nooit naar buiten zou durven brengen. Dat fascineert mij, waarom mensen bang zijn om dat te doen, maar toen ik hem die vraag stelde, kreeg ik geen antwoord. Dat ging blijkbaar al te ver. Er zit nochtans een serieuze firewall tussen mij en de buitenwereld. Er zijn veel dingen die ik niét schrijf. Als mensen mijn columns desondanks ongewoon openhartig vinden, moet er toch veel schone schijn en hypocrisie zijn. Ik heb echt niet het gevoel dat ik tegen heilige huisjes schop. Ja, hoe komt dat ? Dingen verzwijgen, het is een techniek die ik blijkbaar nooit geleerd heb. Mijn motto is dat van commissaris Maigret : 'Comprendre, ne pas juger.' Het is allemaal zo menselijk, ik vind weinig dingen een schande. Al die taboes en waardeoordelen van mensen, soms ben ik me er niet eens van bewust, omdat ik daar al voorbij ben. Als je maar ver genoeg gaat, ben je niet meer kwetsbaar. Ik herinner mij een uitspraak van Clem Schouwenaars, of all persons : "Ik heb geen geheimen, over mij mag alles geweten zijn." Op een bepaalde manier vind ik dat heel bevrijdend. Stiekem gedoe, dat maakt je pas kwetsbaar, want het kan altijd uitkomen. Zogezegd gelukkig getrouwd zijn en al vijf jaar een relatie hebben met je baas, om maar iets te zeggen. Ik heb het nog nooit meegemaakt dat mensen mij pakken op iets dat ik geschreven heb. En toch... in het gebouw waar ik nu woon, zijn er minstens drie individuen die blijkbaar op de voet volgen wat ik schrijf. Als de overbuurvrouw buiten komt en een allusie maakt op de titel van mijn vorige column, dan denk ik : oei, dit komt wel heel dichtbij. Anderzijds ben ik niet alleen een journalist, maar ook een schrijver. Ik kan gemakkelijk dingen verzinnen en dat maakt het ook leuk. Alleen ik weet wat fictie is en wat waar. In een moeilijke situatie verwikkeld zijn en weten dat alle betrokkenen meelezen, dat is wel lastig. Dan krijg je wat Carmiggelt noemde : een voetbalveld vol verboden onderwerpen. Als je iets lovends schrijft over je nieuwe partner, kan je voormalige partner dat als kwetsend beschouwen. Te veel interactie tussen je echte leven en je columns maakt het moeilijk om iedereen tevreden te houden. Waarom doe je dat nu ? denk ik soms. Waarom klim je elke week op dat papieren podium om wat applaus, erkenning en gelijkgestemdheid te oogsten ? Ergens vind ik dat ziek, maar ja, dan zijn veel schrijvers en kunstenaars ziek. Je rolt daar ook in. Toen ik vijftien was, was het mijn absolute droom iets te mogen schrijven dat door veel mensen gelezen werd. Je streeft daarnaar en als je het bereikt hebt, raak je verslaafd aan de reacties, aan de aandacht en kun je niet meer stoppen. Daarnaast : het is je werk, een deel van je inkomen. En toch heeft het ook iets dubbel, dat je denkt : het niét doen zou toch gemakkelijk zijn. De ideale situatie is die van Dimitri Verhulst : een klotejeugd gehad hebben, maar nu gelukkig zijn met je vriendin, je geborgen en gekoesterd weten. Want schrijven als je je rot voelt, is geen pretje. Geloof me, ik ben het kotsbeu om over de dood te schrijven, over mislukte liefdes, weemoed, door beregende ramen staren. Met de hand op het hart, het is niet iets dat ik cultiveer, ik streef al lang naar een periode van intens en volgehouden geluk, volgens mij zou dat fantastisch zijn voor mijn schrijverij. Maar om op die herkenbaarheid terug te komen : hoeveel mensen sukkelen niet met ongelukkige liefdes, met het verlies van dierbaren ? Toen mijn grootmoeder stierf, was ik maandenlang van slag. Dit gaat irriteren, dacht ik als ik dat onderwerp weer eens aanroerde, de mensen zullen zeggen : "Daar heb je 'm weer met z'n grootmoeder." Maar de reacties die je daarop krijgt... Meisjes van zestien die je bedanken omdat je ze de kans hebt gegeven om te huilen om hun eigen gestorven grootouders. Ik droom van een leven zonder angsten. Op mijn 25ste kreeg ik al klamme handjes als ik over het viaduct van Vilvoorde reed. Jaren aan een stuk kreeg je mij geen vliegtuig in. Die angsten overwinnen, dat is mijn opdracht en het lukt nog aardig ook : als ik daar vroeger 10 % van bereikte, zit ik nu toch aan 70, 80 %. Een van mijn hoogste betrachtingen is mezelf in de ogen te kijken en alleen te kunnen zijn. Er is die uitspraak van Jan Cremer : "Je komt alleen, je bent alleen, je gaat alleen." Van nature ben ik nogal een vastklamper, ik heb het moeilijk om te aanvaarden dat mensen komen en gaan. Het toeval wil dat ik in mijn leven al vaak met gemis geconfronteerd ben : als ik op een bepaald kerkhof ga staan, zie ik van op één plek de graven van zeven mensen die mij na waren. Ik ben altijd heel bang geweest voor de dood en nu ook mijn grootmoeder gestorven is, krijg ik stilaan het gevoel dat er aan de overkant al bijna evenveel liefde is als aan deze kant van de streep. Zij zijn mij voorgegaan, zij hebben het gekund. Er zijn natuurlijk afschuwelijke manieren om aan je eind te komen, maar zelfs daarvoor ben ik minder bang dan vroeger. Ik vrees dat ik een vreselijk saai antwoord moet geven : ik zit en ik wacht af. Tenzij je een parfum of een orchidee cadeau doen uitzinnig kunt noemen. Of nee, er schiet mij iets te binnen : ik heb een meisje uitgenodigd om samen met mij op Hiva Oa naar sporen van Brel te gaan zoeken. Is dat buitenissig genoeg ? Toen ik zes jaar geleden mijn roman Aftersun schreef, zei een vriendin : "Je moet dat blijven doen, je weet toch dat dat je voor vrouwen aantrekkelijk maakt." Eerst wou ik dat niet geloven, maar het is waar. Geld en macht werken al eeuwenlang erotiserend, maar voor de zwakkere dieren in het struikgewas bedacht de Heer een andere manier om hun sexappeal te vergroten : schrijven. Dat de man altijd de jager moet zijn, is trouwens grotendeels voorbijgestreefd. Vrouwen nemen nu veel meer het initiatief dan vroeger. Ooit schreef ik in een column dat ik hielrimpels bij vrouwen zo ontroerend vond. Prompt stuurde een juffrouw mij artistiek verantwoorde foto's van haar enkels in haar meest sexy schoenen. Daar zit je dan toch wel even sprakeloos naar te kijken. Het hartvuur niet geblust, Roularta Books, 319 p., 21,90 euro, ISBN 978 90 8679 136 1 Jean-Paul Mulders signeert op de Boekenbeurs op 2, 9 en 11 november, telkens van 14 tot 17 uur. zDoor Linda Asselbergs