Château Léoville-Las Cases, algemeen erkend als een van de beste bordeauxs, ging bij een confrontatie met Franse en Amerikaanse soortgenoten uit 1990 falikant de mist in. Wat kan mislopen in een groot wijnjaar ?
...

Château Léoville-Las Cases, algemeen erkend als een van de beste bordeauxs, ging bij een confrontatie met Franse en Amerikaanse soortgenoten uit 1990 falikant de mist in. Wat kan mislopen in een groot wijnjaar ?Herwig Van Hove / Foto's Gerald Dauphin In een blinde proeverij van zes grote Amerikaanse wijnen en zes grote bordeauxs, alle uit 1990, is Château Léoville-Las-Cases 1990 afgegaan als een gieter (zie Weekend Knack 26/6/96). Toen de etiketten werden onthuld, kon niemand van het Knack proefpanel zijn ogen geloven. Men dacht eerst aan een vergissing of verwisseling van flessen. Maar niets daarvan. De consternatie was dus groot, want alle panelleden beschouwen Léoville als een van de grootste wijnen van Bordeaux en omstreken. Nu luidden de blind gegeven commentaren : ?Geen echte tonus, bovendrijvend bitter, iets verdunnend, ijl met strakke tannines, niet verweven zuur...? Deze Léoville 1990 haalde bij geen enkele van de zes proevers de nominatie ?excellent?. Een verklaring moest gevonden worden, zeker omdat 1990 een groot jaar is. Wat kon er misgaan ? De drie LéovillesLéoville-Las-Cases is het belangrijkste stuk van het in drie verdeelde vroegere Léoville-domein. Met 75 ha is het aanzienlijk groter dan Léoville-Barton of Léoville-Poyferré. De Las-Cases familie stamt ook rechtstreeks af van Blaise-André de Gasq, Baron de Léoville, wat niet het geval is voor de Bartons of voor de Cuveliers van Poyferré. Na de Franse revolutie werd het grote Léoville-domein verdeeld en een kwart ervan, waarvan de eigenaar uitgeweken was, werd verbeurd verklaard en publiek geveild. Het is dit kwart dat later in 1820 gekocht werd door Hugh Barton en dat nu nog altijd als Château Léoville-Barton in de Barton-familie is. In 1840 kwam er een verdere verdeling. Twee derden bleef bij Pierre Jean, Marquis de Las-Cases, het andere derde ging via zijn zus Jeanne naar haar dochter, Madame de Bonneval, die het later in 1860 zou doorschuiven naar haar eigen zus, ondertussen door haar huwelijk Barones de Poyferré-Cères : dit werd Château Léoville-Poyferré, nu eigendom van de familie Cuvelier. De twee derden van Pierre Jean kwamen in 1880 terecht bij zijn drie kleinkinderen Gaston, Gabriel en Clothilde die er in 1900 een bedrijf van maakten met twintig aandelen. Enkel Clothilde (Mme D'Alauzier) bleef met acht deelbewijzen in het bedrijf, de anderen verkochten hun aandelen aan grote wijnhandelaars van Bordeaux. Eén aandeel echter slechts één, maar voor de toekomst uiterst belangrijk , aan Théophile Skawinski, de toenmalige beheerder van het château tot 1930 en een alom geprezen wijnmaker. Hij werd opgevolgd door zijn schoonzoon André Delon. Deze Delons (vandaag kleinzoon Michel) hebben het goed aan boord gelegd : ze zijn nu bezitter van dertien van de twintig aandelen, de rest is nog altijd in handen van de nakomelingen van de D'Alauzier-familie, rechtstreekse afstammelingen van de Las-Cases. Daarom staat op het etiket van Château Léoville-Las-Cases ook expliciet : Grand Vin de Léoville du Marquis de Las Cases, maar het zijn wel de Delons die de laatste 20 jaar de Léoville hebben grootgemaakt. Moeilijke grote jarenIn koelere noordelijke of hogergelegen wijngebieden verloopt de rijping gemiddeld genomen langzamer. Tijdens zo'n langdurend proces krijgen nevenreacties de kans om vele smaakvolle en aromatische nevenproducten te vormen en daar komt complex smakende en dus attractieve wijn van. Daarom kan Duitsland het zo goed stellen met wijngaarden waarop één enkele druivensoort geteeld wordt (bv. riesling), en moet men in de meer zuidelijke wijngaarden grijpen naar een cocktail van soorten om een minimale complexiteit te bekomen. Zo komt het dat men in Bordeaux meestal werkt met cabernet sauvignon, cabernet franc en merlot samen, en dat bordeaux een zekere rijpingssnelheid best kan verdragen : grote jaren zijn gewoonlijk ook warme jaren. Maar wat zijn de grenzen, en wat is het effect op de kwaliteit en het type ? Warme jaren in Bordeaux geven rijpe en dikwijls zelfs wat overrijpe druiven met hoog zoetgehalte en laag in het zuur. De wijn ervan is rond, soepel, alcoholrijk en gedragen door een grote concentratie van smakelijke rijpe tannines (de tannins savoureux die volgens de grote Emile Peynaud een sleutelfunctie vervullen). De tannines worden goed door alcohol omringd en daar de zuurheid bovendien relatief laag is, zijn deze wijnen gemakkelijk jong te drinken. Door de hoge concentratie zouden ze echter ook lang moeten bewaren en verbeteren. Hoe zit dat nu ? In warme zomers spelen twee elementen : de gemiddelde hoge temperatuur en de uren zonneschijn. De gemiddelde temperatuur doet het vruchtvlees ontwikkelen en rijpen, met een hoog zoetgehalte en afgebouwde zuren tot gevolg. De bezonning echter treft vooral de buitenkant van de vruchten, met name de schillen, en hier rijpen de tannines, dragers van bitterheid. In warmere jaren vallen de ideale momenten van rijpheid voor vruchten en schillen gewoonlijk niet samen : het vruchtvlees is vroeger rijp dan de schil. Om dan toch nog rijpe tannines te oogsten moet men het vruchtvlees wat in overrijpheid laten gaan. Dat was het geval in de warmere (en grote) jaren 1982, 1985, 1989 en 1990. Die overrijpheid houdt echter risico's in. Er komt gemakkelijk een overdominantie van caramel- en confituuraroma's van, met geuren van gekookt ( cuit) en zware, simpele, snel vervelende smaken. Het is dit palet dat jarenlang vanuit Franse hoek aan de Californische wijnen verweten werd. Dit smaaktype haalt alles van het warme klimaat en nauwelijks iets uit de bodem : het is banaliserend en veegt terroir en streekeigenheid weg. Wijnen van warme landen of uit te warme oogstjaren evolueren vlug en lijken allemaal wat op elkaar. De structuur ervan wordt geduid met woorden zoals monotoon, ongenuanceerd, massief, stomp, lomp of zelfs banaal. De voornoemde Léoville-Las-Cases 1990 heeft wat van dit type en valt volkomen uit de reeks. De andere ?warme? Léovilles (1982, 1985, 1986 en 1989) zijn echter, zoals in het glas blijkt, volkomen evenwichtige en langbewarende voltreffers. Léoville in het glasHet Weekend-Knackpanel, zonder Herman De Schepper en Antoon Segaert, met als plaatsvervanger Dieter Bohrmann en versterkt met Michel Herbay, een jurist kandidaat-notaris uit Waals-Brabant, proeft 17 verschillende millésimes van Château Léoville-Las-Cases. Perfect bewaarde flessen uit een privé-kelder. We beginnen met de minst goede. De 1970 en zeker de 1973, de enige wijn met vermeldingen ?slecht?, zijn te oud om nog te bekoren. Jim Bruyndonx : ?Wat brokkelig en uitdovend (1973), licht verschralende finale (1970).? De 1987 is een gewoon goede wijn in zijn zwak millesime, maar valt wat tegen als Léoville. Jef Bessemans : ?Soepele smaakaanzet met een verzwakkend middengebied en nogal droog eindigend.? Dan komt een groepje van drie wijnen die men als goed ervaart met enkele trekjes van excellentie : 1979, 1984 en 1990. Dieter Bohrmann over de 1979 : ?Getaande kleur en een discrete, iets vermoeide neus met een ronde nogal korte smaak.? Michel Herbay over de 1984 : ?Robijnrode kleur met bruine rand en een harde onevenwichtige smaak.? En dan de 1990 : ?Animale neus met vegetale componenten en een weinig gevulde smaak met elementen van marmelade? (D.B.). ?Animale, zelfs licht weeë neus met een aangename smaak, maar overrrijp en stomp van expressie (Herwig Van Hove). ?Wat matte vegetale neus maar wel rijpheid na walsen met een animale smaakaanzet, gevuld maar ongenuanceerd? (J. Br.). De 1990 doet het dus in zijn eigen milieu zonder Amerikaanse broeders ook niet. Van de elf andere Léovilles worden er slechts vier door één van de vijf proevers met een nominatie ?goed? bedacht. Alle andere nominaties, 51 in aantal, zijn ?excellent?. 1989 : Intense kleur met lichte evolutie, rijke en kruidige neus met grote diepgang na walsen, soepele weelderige smaak met grote lengte, statig type maar toch iets minder klasse dan 1988. (J. Br.) 1988 : Goeddragende kleur en een statige neus met grote finesse na opschudden, stevige smaak met goed verwerkt hout en vooral grote lengte. (H.V.H.) 1983 : Redelijk gesloten neus die wat lucht nodig heeft, goedgevulde en versmolten smaak met mooi profiel maar wat uitdrogend in de finale. (J.B.) 1978 : Mooie kleur van robijn met een lichtbruine rand, ontwikkelde neus en een gevulde harmonische smaak met soepele tannines en een mooie lange afdronk. Perfecte wijn. (M.H.) De volgende zeven wijnen zijn allemaal unaniem excellent bevonden, ze vormen op zich een galerie d'excellence. 1993 : Neus met veel hout en rood fruit, smaak nog gedomineerd door het hout maar met goede structuur. Moet nog komen. (D.B.) 1991 : Intense kleur met lichte evolutie, verfijnde presente neus met verfijning en vol rood fruit, goed smaakvolume met eenheid en lengte. Een geslaagde drinkklare 1991. (J. Br.) 1986 : Intense nog jonge kleur, frisse breed opgebouwde neus met veel rijpheid maar ook reserve na opschudden, aangename smaakaanzet met duidelijke, nog niet helemaal verweven tannines en grote klassieke lengte. Grote wijn. (H.V.H.) 1985 : Nog vrij jonge kleur en een prachtig ontwikkelde neus met veel diepte, ook de smaak is volmaakt versmolten met nog grote lengte en een enorme tanninereserve. (J.B.) 1982 : Robijnrode kleur, een ontwikkelde neus met ceder en vanille, smaak met mooi hout en fluwelen tannines, enorme concentratie met eindeloze afdronk. Uniek evenwicht. (M.H.) 1981 : Rode kleur met toets van ruby, florale neus met ook veel fruit waarin het hout nog duidelijk spreekt, vlezige en tanninerijke smaak met structuur en lengte en versmolten fruit. (D.B.) 1975 : Intense kleur met evolutie in de massa, volkomen ontwikkelde neus, zuiver genuanceerd en diep, verrassend gevulde smaak, levendig, pezig, stijlvol, charmerend en traditioneel. Een piece of excellence. (J. Br.) 17 jaar Château Léoville-Las-Cases : goed tot excellent, op een uitzondering na.Gastproever Michel Herbay, jurist en wijnliefhebber, is afkomstig uit een familie van Hoegaardse brouwers (langs moederszijde) en champagnemakers (langs vaders kant). Hij volgde een grondige Cours d'Oenologie ('93-'94) en reist bij voorkeur in wijnstrek