DE KATOLIEKE BLAUWKOUSSTIJL
...

DE KATOLIEKE BLAUWKOUSSTIJLWanneer het op schooldagen regende, moesten we galoches, zwarte rubberen ondingen met drukknopen, over onze schoenen aantrekken, en ons verschuilen in een caban, een stijfstaande regenkap die bijna tot op de grond reikte en waaronder ook onze boekentas droog bleef. Zo monsterlijk uitgedost begaven we ons beschaamd op straat, een plompe start in het leven die moddersporen naliet. Na de regendagen kwamen de kostschooljaren, in katolieke blauwkousstijl. Ik was een klein, rond meisje en kreeg een kleine, ronde opstaande muts op mijn kop met een potsierlijk steeltje op de top. Zes jaar plooirok, in de zomer met een dunne lichte en in de winter met een dikke donkere blouse, die met kraakwitte manchetten en een kraagje moest worden gedragen. Daar overheen, overal behalve in de kapel, een wit-blauw geblokte schort, binders op de rug en plooitjes op de borst, die rond stond als die van de nonnen. Toen ik oud en zelfstandig genoeg was om mij als mezelf te verkleden, had ik er het geld niet voor. Ik droeg spullen van mijn zus, haar keuze en maat. Of ik kocht verkeerd, omdat ik me liet leiden door mijn portemonnee, niet door mijn goesting en smaak. Mijn garderobe van gehate kledingstukken is dan ook een kast zonder spiegel. Ze hangt boordevol en stapelt de miskopen op. Ze ruikt naar motteballen en meisjesverdriet en mist zoveel kleurige vrolijkheid dat ik er kan om huilen. Zoek daartussen maar eens naar het allerellendigste stuk. Het plechtige-kommuniekleed, dat geel afstak tegen dat van mijn vriendinnen omdat ik het derde meisje uit een kroostrijk gezin was dat erin moest opdraven, had wel een mooi model. De rouwkleding waarin ik op mijn twaalfde een jaar lang opzichtig het moederloze meisje moest uithangen, was niet eens lelijker en saaier dan mijn schoolensemble. De rok, het hemd en de das waarin ik leidster van de jeugdbeweging was, kunnen me nog passen. Toen zaten ze me ongemakkelijk, nu besef ik waarom : het was een mannelijke en militaire outfit. Wist ik veel wat vrouwelijk was, mooi, sexy of elegant. Ik keur mijn uniformen met weerzin en er schiet mij iets te binnen : of hun kleur kaki of blauw was, het hatelijkste zat 'm ónder mijn rokken. In onderbroeken die ik bezwaarlijk slipjes kan noemen, hoorden dus die rare dingen thuis, witte banden van verscheidene lagen tricot met aan de uiteinden witte lapjes met een knoopsgat. Toen mijn moeder ze streek voor de kostschooluitzet van mijn zussen, dacht ik dat het manchetten waren. Toen mijn tante ze mij samen met een gordeltje meegaf voor mijn eigen uitzet, legde ze mij uit hoe dat zat. Ik heb het katoenen maandverband jarenlang gedragen, met een wat wijdbeense gang. Wat haatte ik die dingen en wat haat ik ze nog, met terugwerkende kracht. BRIGITTE RASKIN