V oor iemand die een weekend aan zee boven de Parijse modescene verkiest, wordt Raf Simons (38) vaak bij de voornaam genoemd. Mediaschuw of niet, voor de meesten is het gewoon Raf. Voor de Belgische pers, die het sowieso over Dries, Dirk en Veronique heeft, maar ook voor buitenlandse winkeliers die nog nooit een foto van hem gezien hebben en voor Parijse studenten.
...

V oor iemand die een weekend aan zee boven de Parijse modescene verkiest, wordt Raf Simons (38) vaak bij de voornaam genoemd. Mediaschuw of niet, voor de meesten is het gewoon Raf. Voor de Belgische pers, die het sowieso over Dries, Dirk en Veronique heeft, maar ook voor buitenlandse winkeliers die nog nooit een foto van hem gezien hebben en voor Parijse studenten. Die vertrouwelijke omgang valt doorgaans slechts twee soorten ontwerpers te beurt : trendsetters als Hedi Slimane en Tom Ford, rond wie de hype op een bepaald moment zo groot is dat al hun stappen met ar-gusogen gevolgd worden, en ontwerpers die, door hun eigen achtergrond en leefwereld om te woelen, een gevoelige snaar raken. Mensen die los van trends en commerciële wetten zichzelf blootgeven en zo de spiegel van een generatie zijn. Bij Raf, ondertussen ruim tien jaar bezig, is het van beide een beetje. Ondanks zijn beperkte naamsbekendheid bij het grote publiek drukt Simons al jaren zijn stempel op de mannenmode. De slanke, sobere pakken met krappe schouders uit het begin van zijn carrière, de gelaagde, oversized silhouetten later, de futuristische experimenten met technomaterialen en -proporties, allemaal vonden ze vroeg of laat elders navolging. Gerugsteund door zijn reputatie als kleermaker, werd de Limburger een van de voornaamste, zij het bescheiden ideeënfabrieken in de mannenmode. "Er was er altijd een groot verschil tussen de belangstelling voor de shows en de verkoop", erkent Simons droog. Zijn voorliefde voor niet-professionele modellen, vaak adolescenten die op straat aangesproken worden, ging evenmin onopgemerkt voorbij. Die opende niet alleen de weg naar jongere consumenten, maar bood ook een radicaal alternatief voor de gespierde clichés rond mannelijke schoonheid. Een dat, gezien de verheerlijking van mannelijke voetbalgoden, nog steeds even rebels is. Simons reduceren tot kleding is echter moeilijk. Als culturele veelvraat en kunstverzamelaar heeft hij een universum gesmeed waarin woord en beeld, muziek en fotografie net zo belangrijk zijn als kleding. Zijn defilés, vroeger soms verwarrende "manifestallaties", lijken zo uit zijn eigen hoofd geplukt. Van tienerangsten en rebellie in het begin van zijn carrière tot kritische reflecties over de consumptiemaatschappij, globalisering en spiritualiteit later, zelden werd een ontwerper zozeer met zijn collecties geïdentificeerd. Dat Simons via jeugdculturen als punk en gabber vooral de mannelijke psyche verkende en niet die van zichzelf, werd daarbij vaak vergeten. Hoe dan ook, sinds Simons een contract tekende bij Jil Sander, wordt zijn voornaam evenzeer met sympathie als bezorgdheid uitgesproken. De Belg deelt er tot midden 2008 de creatieve lakens uit, en dat lijkt voor hem een grotere gok dan voor de voormalige dochter van de Pradagroep (zie kader). Na het vertrek van Sander zou Simons immers niet de eerste ontwerper zijn die botst met het management van een internationaal modehuis. Bovendien sprak Simons, een autodidact en volgens intimi een gevoelsmens, zich in het verleden zelf meermaals uit tegen de mode-industrie. De goed onthaalde wintercollecties, waaronder Simons' eerste volwaardige damescollectie, dienen twijfelaars van antwoord. Vriend en vijand noemen hem de ontwerper bij uitstek om Jil-Sander-na-Jil te leiden. De bladen schuiven aan en zijn agenda zit al vol. Vooral tijdens de mannenmodeweek, die voor Simons nu begint in Milaan en eindigt met zijn eigen collectie in Parijs. Op zondagochtend, Jil Sanders vaste stek op de kalender, krijgt hij zijn wake-up call al om vijf uur. Interviews backstage komen er niet van, en niet alleen omdat Simons tot een stuk in de nacht heeft gewerkt. Voor de Italianen deftig en wel geluncht hebben, zit hij immers alweer in Antwerpen. Daar voltooit hij dan zijn eigen defilé, nauwelijks enkele dagen later. Het is dan ook pas in zijn showroom op de Place des Vosges dat we hem te pakken krijgen. Na een zakendiner de avond voordien denkt Simons al aan de volgende afspraak : de lancering van een Jil Sanderparfum in Nice, later die week. "En ik ben al kapot", zucht de ontwerper. "Vroeger sliep ik graag uit na een show, maar dat lukt amper nu. Vooral omdat ik de moeheid pas na enkele dagen voel, als de spanning van het defilé verdwijnt en ik de eerste reacties heb gehoord. Dan krijg ik mijn klop pas."Mentaal kan ik de job goed aan, maar fysiek is het kapotmakerij. Temeer omdat ik mijn eigen show zelf opzet, zonder stylisten of modellenbureau. Die werkwijze geef ik niet op. Maar zoveel collecties per seizoen, twee shows in een week, dat doe ik niet tot mijn vijftigste. Dan zijn er andere dingen die me even hard boeien. De dag na een show zit ik urenlang te schetsen aan de volgende collectie. Het seizoen heeft dan lang genoeg geduurd, en anders lukt het toch niet. Als ik een break neem en er pas na twee weken aan begin, wordt het niks. En op vakantie val ik in een zwart gat. Ontwerpen moet een natuurlijk proces zijn. Als ik te hard moet nadenken, dan stop ik meteen. Dat mag geen labeur zijn. In mijn omgeving heb ik trouwens nooit anders geweten, ik heb veel mensen hard zien gaan tot hun zestigste. Misschien kan ik door nu zo te werken later sneller iets anders doen, zonder me zorgen te moeten maken. Dat is mijn romantische kant. De eerste vier maanden bij Jil Sander leefde ik van dag tot dag, of in Antwerpen, of in Milaan. Maar dat viel niet vol te houden. Nu wissel ik af : één week in Antwerpen, één in Italië. En omdat ik er maar de helft van de tijd ben, geef ik ook meer verantwoordelijkheid aan mensen die al jaren in mijn team zitten. Die is me heilig. Daarom ben ik ook in de mode beland. Als meubelontwerper voelde ik me geïsoleerd, terwijl hier een heel team bij hoort. Het is een heel groepswerk, en dat is altijd mijn belangrijkste drive geweest. Nauwelijks, want in Milaan héb ik geen privéleven. Ik ben er vaak tot elf uur 's avonds op kantoor en dus zelden alleen. Omdat het designteam van Jil Sander te klein was, heb ik ook veel kennissen meegenomen. Patrick van Ommeslaeghe bijvoorbeeld ( oud-leerling van de Antwerpse modeacademie en nu Simons' rechterhand bij Jil Sander), maar ook docenten en oud-studenten uit de periode dat ik les gaf aan de universiteit in Wenen. Uiteindelijk heb ik er zes maanden over gedaan om alle voorwaarden op punt te zetten, maar gevoelsmatig zei ik in een honderdste van een seconde "ja". Er waren ook maar een paar labels op de wereld die ik aanvoel : Helmut Lang en Jil Sander. Daarom vergde het ook allemaal zoveel tijd. Ik had bijna dagelijks contact met advocaten. Ik wilde weten waar ik aan begon, zonder verrassingen. Maar ik zag het niet als een avontuur. Ik was al eens verwikkeld in onderhandelingen met LVMH ( Simons kreeg een aanbod van het Parijse modehuis Celine). Ik wist dus wat ik kon verwachten. Als creatief directeur moet ik bij alles betrokken worden, en daar houdt iedereen zich aan. Mijn contract loopt van A tot Z, van de winkelinrichting en etalages tot de publiciteit, dus er gebeurt niets zonder mijn akkoord. Ik heb ook nog nooit het gevoel gehad dat ik bedrogen ben. Als ik iets nu pas besef, dan is het dat Jil Sander veel meer is dan wat je op de catwalk ziet. Met de precollecties voor de winkels en één cruisecollectie per jaar zit je al gauw aan vier, vijf collecties per seizoen. Doe daar mijn eigen label en de Rafcollectie bij, en er zijn er waarschijnlijk maar twee die meer doen : Karl Lagerfeld en Marc Jacobs. Ik heb duidelijk gezegd dat ik bepaalde dingen niet wil doen. Ik groet het publiek nu na elke show en dat valt beter mee dan verwacht. Maar ik doe geen fotosessies. Er is één officiële foto gemaakt door een vriendin, zonder haar- en make-upmensen, en we zijn eerst iets gaan eten in Antwerpen. Die foto gaat ook maar naar een handvol magazines. Geen Belgische bladen, nee. Ik wil in Antwerpen over straat lopen zonder herkend te worden. Mijn privacy is heilig. Het is een grote onderneming. Ik had me aan een koele, zakelijke werksfeer verwacht, maar toch is het een hechte club. Er zitten heel wat gedreven mensen die zelfs meer gehecht zijn aan het label dan aan de figuur van Jil Sander. In die zin heb ik geluk dat Jil twee keer is opgestapt, want die mensen hebben ook een gezin en kinderen. Sommige patroonsnijders werken er al hun hele leven. Die willen niets liever dan iemand die er echt voor gaat. Oorspronkelijk wilde Bertelli dat ik de voorbije zomer al voor mijn rekening nam, maar dat heb ik geweigerd. Vergeet niet dat we in Antwerpen nu met acht man werken, terwijl het er bij Jil ruim tweehonderd zijn. Ik wilde dus alleen "ja" zeggen als ik een aanloopperiode kon nemen, van juni tot september, als de stoffen aangekocht worden. Zo kon ik in het bedrijf rondkijken, de waarden en psychologie van de mensen leren kennen en de archieven uitpluizen. Wat dik tegenviel. Voor een bedrijf dat zo strikt en perfect lijkt, waren die amper bijgehouden. Detlev is een miniversie van wat in Milaan gebeurt, maar het is op dezelfde manier gestructureerd. Met mensen die verantwoordelijk zijn voor de stoffen bijvoorbeeld en anderen die de contacten met de producenten verzorgen. Zelf werk ik in beide gevallen heel communicatief : we praten, analyseren en kijken waar we naartoe willen. Raf Simons werkt met referenties, Jil Sander daarentegen vertrekt louter vanuit het product. Die productontwikkeling is ook mijn oorsprong. Voor mij is het een experimenteel labo, Jil Sander. Er kruipt enorm veel tijd in de materialen, en dat sluit perfect aan op mijn obsessie voor vorm en proportie. Als je nieuwe vormen zoekt, helpen materialen daarbij. In de volgende mannencollectie wilde ik bijvoorbeeld hemden van honderd procent katoen, maar met een pasvorm die aan polyurethaan doet denken. Die kan ik dan laten ontwikkelen. Een luxe, want op mijn eentje kon ik technisch nooit zo ver gaan. Vroeger was ik nauwelijks met kleding bezig, meer met de psychosociale omkadering en de presentaties. Nu vertrek ik meer vanuit het product. Ik wil iets maken dat mensen willen dragen. Die zitten vaak aan de andere kant van de wereld en zien hoogstens een foto van de show. Het kledingstuk op zich moet dus sterk genoeg zijn. Ik ben gefascineerd door de jaren zestig en de futuristen. Ze maakten kleding op basis van abstracte vormen en keken vooruit. Daar herken ik me in. Veel mensen vinden historische referenties romantisch, ik niet. Je iets voorstellen bij de toekomst, dat is romantisch. Voor ik zelf kleding begon te maken, kocht ik stukken op de rommelmarkt en analyseerde ik hun constructie, maar dat doe ik niet meer. Vintage zegt me niks meer. Tenzij ik val op een detail als een stiksel op een kraag. Bij ons was er altijd een groot verschil tussen de belangstelling voor de shows en de verkoop. De volumes groeiden niet door. Nu zit ik daar niet meer mee, ook omdat ik nu beloond wordt. Bij Jil Sander hadden ze de impact van mijn shows ook in de gaten. En dat ideeën ergens anders opduiken, dat is van alle tijden. Denk aan Pierre Cardin en André Courrèges in de jaren zestig. In de mode zijn er altijd golven. Alleen op papier. Eigenlijk vind ik het makkelijker, al klinkt dat pretentieus. Er zijn gewoon zoveel mogelijkheden om een silhouet samen te stellen. Een man draagt vanaf hier ( wijst op zijn heupen) alleen een broek. Een ontwerper van mannenkleding knipt dus maar beter goede broeken. Vrouwen dragen rokken, jurken, zoveel stukken. Al heb ik daarbij veel te danken aan de knowhow rond mij. Iemand als Patrick van Ommeslaeghe is een geniale kleermaker, ook met softe constructies als drapering. Destijds was het geen bewuste keuze om een mannencollectie te maken. In mijn eerste video's waren zowel mannen als vrouwen te zien. Het begon allemaal heel naïef, maar we groeiden zo snel dat ik wel moest kiezen. Er komt ooit een dameslijn, maar dan moet alles juist zitten. De financiële ondersteuning, de productie en distributie, dat moet allemaal op poten staan. Als je een zekere bekendheid hebt, wil je niet op je gezicht gaan na drie seizoenen. Je mag de zaken niet verwarren. Dat is niet mijn wereld, maar die van het label. Er is de persoon Raf Simons, en er is het label dat ik gecreëerd heb. In het begin vielen die zo goed als samen, maar de collectie is al vrij snel zichzelf gaan ontwikkelen. Niet alleen omdat het nu met mensen over de hele wereld communiceert, maar ook omdat ik er zelf met meer afstand naar kijk. Ik bedoel, kijk naar mij. Ik draag geen trashy T-shirt en een smalle jeans, ik ga niet uit tot een stuk in de nacht. Ik leef mijn merk niet. Waarschijnlijk, al twijfelde ik er nooit aan dat ik dat kon. Ik heb altijd verantwoordelijkheden naast mijn label gehad. Een universiteitsafdeling leiden was evenmin mijn wereld. Maar dat had ik nodig om in balans te zijn. Na de eerste vijf jaar ben ik juist gestopt omdat ik alleen maar met mijn eigen label bezig was. Daar leer je mee omgaan. Ik kan heel gestrest zijn, maar dat valt de laatste jaren steeds minder voor. Met Patrick heb ik daar uren over gepraat, over die verwachtingen, want we hebben allebei gezien hoe het werkt. Daarom zijn we ook zo rustig begonnen bij Jil. Dat leek ons, na de hele voorgeschiedenis, de meest intelligente zet. Marc Jacobs drukte bij Louis Vuitton ook pas na enkele seizoenen zijn stempel. De fans van het label wilden opnieuw de essentie van het label zien, beseften we. Dat was de bedoeling, want het is een stijl die ik enorm respecteer. Ik heb me ook in haar plaats gesteld : wat als ik ooit mijn eigen label doorgeef ? Dan zou ik ook hopen dat mijn opvolger de sfeer en gedachtegang respecteert. Bovendien zit er ook nog zoveel in Jil Sander om uit te diepen in de 21ste eeuw. Denk aan de hele vraagstelling rond seksualiteit en sensualiteit in de vrouwenmode, wat doet het label daarmee ? De diepe uitsnijdingen en open ruggen in de wintercollectie stralen voor mij een enorme sensualiteit uit, ondanks de sobere voorkant. We hebben ook veel avondjurken getoond, iets dat Jil Sander nooit echt belangrijk vond. Constant. De nacht voor de eerste show dacht ik de hele tijd aan Jil. We zijn soms gelijktijdig aanwezig op kunstmanifestaties als de Biënnale van Venetië, maar de Pradagroep heeft nooit gewild dat ik haar zou ontmoeten. Haar zijde evenmin trouwens. Ondertussen heb ik opgevangen dat ze erg blij is met mijn aanstelling. In principe moet ik me dat niet aantrekken, maar het geeft me een beter gevoel. Onder de huidige omstandigheden wil ik tonen dat ik niet vast-zit aan een bedrijfsstructuur of -mentaliteit. Ik heb nog steeds de vrijheid om mijn label op mijn manier te runnen. Raf Simons is als bedrijf minder underground en mystiek dan velen denken, maar ik wil niet dat mensen vanaf nu alleen nog chique defilés van mij verwachten. Het is een tweestrijd : langs de ene kant wil ik een rebel zijn, langs de andere wil ik een meer volwassen richting uit. Het cliënteel weerspiegelt dat : sommige jonge mensen zien het label nog steeds zoals het de eerste zes jaar was, andere klanten willen een goed gesneden pak. Ik heb hard gewerkt aan mijn geloofwaardigheid. Die wil ik niet verkwanselen. Je bouwt niet iets op om na drie jaar om te schakelen naar iets dat veel commerciëler is. Mijn publiek verwacht iets anders. Nu ik op een punt gekomen ben dat ik al eens een rustigere collectie wil maken, creëert dat een bepaalde druk, maar ik wil loyaal zijn. Ik weet met welke verwachtingen mensen naar een defilé komen kijken. Die heb ik zelf gecreëerd. Ik heb nooit de ambitie gehad om kleren te maken. Ik heb me altijd creatief willen uiten, maar op welke manier, dat was nooit de essentie. Zolang het maar iets is dat gecreëerd wordt, dat vorm aanneemt. Vroeger waren dat de shows voor mij, nu meer de kleding op zich, en misschien is het over vijf jaar weer iets anders. Het hoeft zelfs niet mijn ding te zijn. Ik zie me perfect gelukkig in een ondersteunende rol, zolang het maar in een creatieve omgeving is. Info : www.rafsimons.com. Door Wim Denolf I Foto's Reporters