Piet Swimberghe en Hilde Verbiest / Foto Lieve Blancquaert
...

Piet Swimberghe en Hilde Verbiest / Foto Lieve BlancquaertHet valt zelfs de leek op dat veel interieurs, design en architectuur op elkaar beginnen te gelijken. Blader door tijdschriften en je merkt een zekere uniformiteit op. Misschien evolueren vormgevers, van architecten tot meubelontwerpers - onbewust - naar een eenheidsstijl. Bovendien lijkt er zoveel terug te komen. Is er dan weinig nieuws onder de zon? Alle grote tenoren van ruim een kwart eeuw geleden zijn weer in: Panton, Pesce, Saarinen en Jacobsen. Zelfs in de meest blitse interieurs van jongelui, met een hoog Wallpaper-gehalte, krijgen hun oranjerode meubels een ereplaats. Wie van een uitgezuiverde, minimalistische stijl houdt, zweert bij oude goden als de gebroeders Eames en Le Corbusier. Moniek Bucquoye: 'Retro' is voor een designer natuurlijk een pijnlijk begrip. Het teruggrijpen naar vroegere stijlen is gedeeltelijk een gemakkelijke oplossing. Die meubels zijn vaak duur - en ook als dusdanig herkenbaar. Ze hebben een status in het interieur, vergelijkbaar met die van een bepaald kledingmerk of automerk. Anderzijds is dat déjà-vu-effect ook een gevolg van de enorme hoeveelheid informatie waarmee we overspoeld worden, zoals bijvoorbeeld in tijdschriften. De mensen inspireren zich op dezelfde bronnen en zo ontstaat vanzelf iets als een eenheidsworst. Er zijn nog maar weinig mensen die in een echt apart huis wonen. Dat merk je bij nogal wat ontwerpers die 'creatief kopiëren', zoals ik het noem. Het kleurenpalet van de jaren zestig en zeventig is helemaal terug. Oranje, bruin... je ziet het weer overal. Zelfs modeontwerpers bladeren volop in oude magazines om inspiratie op te doen. Maar veel replica's zijn pastiches: slechte nabootsingen van andere meubels. Dat wijst wel op een enorme popularisering van het moderne meubilair en van de moderne stijl. Kijk maar naar de keukens en badkamers, de rustieke keukens zijn weg, het totale aanbod is min of meer modern.Hernemen is niet per se negatief. Volgens mij mondt die retro uit in iets anders, iets nieuws. Begin jaren negentig hebben we de plastic meubels uit de jaren zestig en zeventig, met hun afgeronde vormen, opnieuw zien verschijnen. Ontwerpers als Marc Newson zijn daarmee begonnen. Aanvankelijk in die oudere stijl, maar ze begrepen al snel dat er met nieuwe materialen en tal van technische innovaties méér te beginnen was. Zo groeien we nu bijvoorbeeld naar een nieuwe plasticstijl, een ontwikkeling waarbij de grondstoffenfabrikanten nauw worden betrokken. Zeker, het materiaal bepaalt in grote mate de vorm. Dat is altijd zo. De fameuze Baydur van Panton kwam er dankzij het bestaan van plastic. Die vorm is ondenkbaar in een ander materiaal. Panton was zo slim om een techniek die op punt stond, te gebruiken voor iets nieuws, weliswaar waarschijnlijk geïnspireerd op de zigzagstoel van Rietveld. Een ander voorbeeld is de zitzak: die zou er ook niet gekomen zijn als het basismateriaal niet bestond. De meeste designers tekenen eerst iets, en dan pas gaan ze nadenken hoe je het maakt. Maar echt geniale vondsten komen net andersom tot stand: ze vertrekken vanuit het materiaal zelf. Dat speelt een grote rol. Nu wordt er druk gezocht naar nieuwe materialen en technieken, daaruit vloeien vormvernieuwingen voort. In het verleden waren er periodes waarin meubels nauwelijks van vorm veranderden. In de jaren tachtig, bijvoorbeeld, kwam er wat materialen betreft niets nieuws bij. Toen was design trouwens niet goedkoop, het was vrij elitair. Nu gaan we naar een verdere popularisering en grotere verspreiding dankzij goedkope meubels. De grens tussen design en populaire cultuur vervaagt. Zo gaat er een wens in vervulling, die sinds de jaren twintig werd gedroomd. Nu pas zijn die moderne meubels een commerciële realiteit. Voor honderd euro koop je een goede stoel, waarvan de kosten van het materiaal nauwelijks enkele euro's bedraagt. Een plastic stoel kost aan grondstof een peulschil, maar de prijs van de gietvorm waarmee de stoel wordt vervaardigd, ligt veel hoger. Maar toch zie je die plastic stoeltjes bijvoorbeeld bij iedereen staan, in alle lagen van de bevolking. Als je de voorbije halve eeuw bekijkt, dan hebben we, denk ik, iets afgesloten: de neergang van het minimalisme, dat nu helemaal naar beneden dondert.Daar zal het nog wel gedeeltelijk blijven bestaan. Zoals de fermettestijl nu ook nog voorbestaat (lacht). Maar het minimalisme is niet meer dé grote trend. De mensen die er vroeger mee bezig waren, willen nu zelfs niet meer als minimalist worden beschouwd. Ik denk dat 'design' als dusdanig voorbij is. Voor mij is 'design' een stijl geweest, zoals we de modernistische stijl hebben gehad in de jaren twintig, de spaghettistijl rond de eeuwwisseling en art deco vóór de Tweede Wereldoorlog. Ik denk dat dit voorbij is en dat er nu iets nieuws begint. Met de designstijl bedoel ik wat tussen de jaren vijftig en negentig industrieel in moderne stijl werd geproduceerd. Te beginnen met het meubilair van de Amerikanen Charles en RayEames. Het gaat om in opdracht gemaakte serieproducten, geen unieke of ambachtelijke stukken. De designboom die toen begon, is voorbij door de popularisering, de nieuwe materialen en technieken en zo meer. Hoe de volgende periode er echt zal uitzien en waar we naartoe gaan, kunnen we nu nog niet weten, daarvoor is het te vroeg. Maar het gevoel dat er iets voorbij is, leeft heel duidelijk Het kleurenpalet van de jaren zestig en zeventig is helemaal terug. Oranje, bruin... je ziet het weer overal. Echt geniale vondsten vertrekken vanuit het materiaal zelf.