Fotografen sleepten in het begin van de eeuw met statieven en indrukwekkende donkere kamers, tegenwoordig kan fotograferen op een redelijk niveau ook met een toestelletje ter grootte van pakweg een sigarettenpakje. En er wordt al geroepen om een cameraatje zo plat als een creditcard. De consument is een veeleisend en ondankbaar wezen. Hij wil alles en liefst nog meteen. En alles moet steeds weer kleiner en tegelijk ook krachtiger en veelzijdiger worden, en mooi zijn ook als het nog even kan. Met slogans en uitroepingstekens wordt zelfs de meest sceptische klant tot kopen verleid.

Enkele jaren geleden werd het Advanced Photo System (APS) met veel toeters en bellen gelanceerd. De formule stond voor een nieuw fotoformaat, een ietsje kleiner dan de klassieke 24 x 36 mm, die meer dan een halve eeuw aan de top stond. APS biedt een paar voordelen, naast het nadeel van de volautomatische werking en een kleiner belicht oppervlak (16,7 x 30,2 mm). Dat betekent in de praktijk een stap achteruit, omdat het negatief groter moet worden opgeblazen voor eenzelfde formaat van afdruk. Sommige cameraverkopers keken verbaasd op toen we hen daarmee confronteerden, ernstiger collega's hadden het meteen door: "Iemand die een serieuze foto wil, koopt geen APS", concludeerde één van hen.

Het succes van de APS-camera's is gestoeld op de gemakzucht van de klant die geen filmpje meer kan laden, op diens droom in een handomdraai gewone en panoramische foto's door elkaar te kunnen maken, en op zijn zucht naar steeds kleiner. Toegegeven, sommige APS-toestellen ogen prachtig, en daardoor werden ze al snel hebbedingetjes, want zo duur zijn ze nu ook weer niet.

Het klopt dat het laden van de film nu spelenderwijs en bijna automatisch gaat. Ook na de ontwikkeling gaat de film weer in zijn cassette, zodat beschadiging uitgesloten is. Daarnaast kan uit sommige camera's een gedeeltelijk belichte film worden weggehaald en door een andere vervangen, bijvoorbeeld omdat men de camera even wil uitlenen of omwille van de omstandigheden een gevoeliger film wil gebruiken. Maar eigenlijk is dat niet nieuw: we wisselen al vier decennia halfbelichte films en passen die later weer perfect in in het toestel - op voorwaarde dat de film manueel kan worden teruggespoeld.

Opmerkelijk is dat de fotoamateur voor drie verschillende basisverhoudingen kan kiezen: C (classic) of 16,7 mm x 25 mm, H waarbij het volledige filmoppervlak (16,7 x 30,2 mm) wordt afgedrukt, of P (panorama) waarbij een strook van 10 x 30,2 mm wordt uitvergroot. Al is dit allemaal een beetje misleidend. Vooral met het woord panorama wordt hier nogal slordig omgesprongen. Het lab knipt gewoon bovenaan en onderaan van het negatief een stuk weg, en vergroot (kwaliteitsverlies) de brede strook die overblijft. Wat afgedrukt wordt is geen panoramische foto, maar een in de breedte verknipte foto. Maar goed, de enthousiaste klant troost zich blijkbaar met die trucjes. Een ander APS-argument is de mogelijkheid om op de achterzijde van de foto iets af te drukken, te beginnen met de datum. Dat is weer zo'n gadget: persoonlijk staan we er meer op dat de voorzijde van de foto goed wordt verzorgd - maar misschien klinkt dat ouderwets.

Op de APS-film wordt automatisch optische of magnetische informatie aangebracht die zowel voor de fotograaf (identificatie) als voor het lab (gekozen formaat, opnameomstandigheden) van belang is. Die gegevens kunnen gebruikt worden om de afwerking beter te verzorgen. Die mogelijkheid heet PQI ( print quality improvement). Het lab kan bijvoorbeeld een correctie toepassen als blijkt dat een flits werd gebruikt. Aan het einde van de rit krijgt men én de cassette én de prints én een index met miniafdrukjes mee naar huis. Dat geheel valt duurder uit dan de prints van een klassieke kleurenfilm van een kleinbeeldcamera. En de APS-gebruiker moet het (voorlopig?) zonder zwart-wit- en diafilms stellen.

Het heeft eventjes geduurd eer APS zijn weg naar de klant vond, maar met de komst van aantrekkelijk gedesignde toestellen lijkt dat ineens wel aardig te lukken. De kleintjes zijn ook een stuk gesofisticeerder geworden en die kwaliteit slaat dan meestal op de zoomlenzen. In den beginne bezaten de toestellen alleen een vaste brandpuntsafstand (meestal een breedhoek), tegenwoordig gaat men traploos van breedhoek naar tele, wordt de brandpuntsafstand tot vier keer groter. Al moet men ook even uitkijken: de brandpuntsafstanden bij APS komen niet overeen met die in de kleinbeeldfotografie. De Nikon Nuvis 160i (14.990 fr.) kreeg een zoomlens mee met een brandpuntsafstand van 30-125 mm (vergelijkbaar met 37,5-156 mm in de kleinbeeldfotografie), de Minolta Vectis 40 (ook 14.990 fr.) van 30-120 mm. Compacte toestellen dus die met een bescheiden verrekijker te vergelijken vallen. Ziet men het leven in de breedte, dan zal de Fuji Fotonex 3500 met zijn 21-58 mm-lens bevallen.

Een grove beperking aan de meeste APS-toestellen is de geheel automatische bediening, waardoor de gebruiker noch het diafragma, noch de sluitersnelheid kan instellen - geen kleine frustratie voor wie van fotograferen houdt. Dat lijkt erop te wijzen dat APS vooral voor onkundigen werd bedacht die zich vergapen aan - toegegeven - een zeer fraaie verpakking, maar zelf wat minder scherp kijken.

Ben je op zoek naar een zeer compact en trendy toestel, dan spant de Canon Ixus met zijn body van geborsteld staal de kroon. En heimelijk geloven we dat het design van de Ixus meer heeft gedaan voor de populariteit van APS dan de optische kwaliteiten. De eerste versie ervan, met een vaste brandpuntsafstand van 26 mm, was slechts 90 mm lang, 60 mm breed en 27 mm hoog. Een hightechjuweeltje met het volume van een pakje sigaretten dus. Zijn opvolger met een 24-48 mm-lens (9990 fr.) is ongeveer even groot. De meest recente versie, de Z70 (13.990 fr.) met een driedubbele zoom (23-69 mm) valt ietsje groter uit, al blijft hij met afmetingen van 95x64, 5x32 mm toch wel in de categorie zeer handig.

In de nieuwste generatie van APS-toestellen ontdekten we een paar merkwaardige uitschieters, zoals de Fotonex-reeks van Fuji. Het meest gesofisticeerde model, de 3500ix, kreeg een soort afdekluikje mee, de zogenaamde Multi-Function Card. Dat deksel kan, eenmaal afgenomen, gebruikt worden als afstandsbediening voor zowel het kiezen van het formaat, de op te drukken tekst als het activeren van de sluiter. Aangesloten op de achterzijde dient het als controlepaneel voor de meeste camerafuncties. Het geheel is in een aluminium body verpakt.

Hoogvliegers in dit segment zijn verder de Minolta Vectis 40, de Nikon Nuvis 160i en de elegante en erg compacte Pentax Efina. Het zijn telkens de topmodellen in een reeks die van heel gewoon naar redelijk gesofisticeerd gaat. Een vreemde eend in de bijt is dan weer de onlangs gelanceerde Contax Tix, omdat Contax een fabrikant is van toestellen die altijd uitblonken door hun superieure Zeiss-lenzen. Bij de Tix, die een Zeiss Sonnar 28 mm lens-meekrijgt, kan de gebruiker de diafragmaopening zelf instellen, en dat is een geruststellende gedachte. Tenminste voor diegene die 40.000 frank overheeft voor de aristocraat onder de APS-toestellen.

Wie aandachtig gelezen heeft, zelf een filmrolletje kan inleggen en niet meedeint op de pseudopanoramamode, zal begrepen hebben dat het minstens zo interessant is om een klassieke compactcamera te kopen: die heeft voor hetzelfde of minder geld meer mogelijkheden. Ga dus ook eens kijken naar de Espio-serie van Pentax, de mju-varianten bij Olympus, de Riva-reeks van Minolta, of (voor de herinnering aan wat echte kwaliteit is) de heel wat hoger geprijsde Contax G2, om het bij die vier te houden.

Met dank aan Foto Leurs, Knokke en FNAC Brussel.

Pierre Darge / Foto's DSP-Jean Patrick Meert