W elcome to winter", zegt Bud, terwijl hij met zijn veertig jaar oude Cessna 206 naar 6000 voet klimt en er zich voor ons een paradijselijk wit landschap ontplooit tussen de omliggende bergen. Een kwartier geleden zijn we met het watervliegtuigje uit Anchorage opgestegen, waar het 23 graden zomert, nu klimmen we met de trillende machine boven de laatste gletsjers uit die zich in zeer brede ruggen en doorsneden met diepe kloven een weg naar het dal banen. Bud, die ik vooraan in de veertig schat, draagt een baseball cap en heeft de veerkrachtige en toch rustige tred van een kerel die ontspannen door het leven gaat. Thuis, in Oregon, verkoopt hij tweedehands uurwerken via het net en toert met zijn BMW-motor door de natuur. Boven de gletsjers duwt hij een cd in het sleufje en lacht. " The New Edge, van Acoustic Alchemy. Ik volg ze al jaren."
...

W elcome to winter", zegt Bud, terwijl hij met zijn veertig jaar oude Cessna 206 naar 6000 voet klimt en er zich voor ons een paradijselijk wit landschap ontplooit tussen de omliggende bergen. Een kwartier geleden zijn we met het watervliegtuigje uit Anchorage opgestegen, waar het 23 graden zomert, nu klimmen we met de trillende machine boven de laatste gletsjers uit die zich in zeer brede ruggen en doorsneden met diepe kloven een weg naar het dal banen. Bud, die ik vooraan in de veertig schat, draagt een baseball cap en heeft de veerkrachtige en toch rustige tred van een kerel die ontspannen door het leven gaat. Thuis, in Oregon, verkoopt hij tweedehands uurwerken via het net en toert met zijn BMW-motor door de natuur. Boven de gletsjers duwt hij een cd in het sleufje en lacht. " The New Edge, van Acoustic Alchemy. Ik volg ze al jaren." Begeleid door het gitaarduo, nu en dan opgetild en dooreengeschud door onzichtbare luchtstromingen, vliegen we over een onwerkelijk landschap waarboven een vage mist hangt, volgens de piloot het resultaat van bosbranden die sinds enkele dagen woeden, zo'n 200 kilometer meer naar het westen. Donkere piramides zijn met lang uitlopende strepen sneeuw bekleed, de gletsjers daartussen ogen aan de oppervlakte vuilgrijs. We dalen een beetje, nemen een paar bochten zodat ik zijdelings in de immense, onregelmatige spleten kan kijken die zich honderdvoud herhalen. En zie hier en daar kleine, hardblauwe plassen gletsjerwater. Vier dagen eerder had ik bij de approach van het vliegtuig van Continental Airlines al in de gaten dat Alaska meer was dan alleen maar sneeuw en ijs. Al leek het er eerst wel op : besneeuwde landschappen met bergen en stromen, landtongen omringd door donkergrijs water, een ongerept geheel dat de afwezigheid van menselijke activiteit liet vermoeden. Maar dan verschenen de eerste tekenen van menselijk leven : een langgerekte streep schuim in zee, een smalle weg langs de bossen en uiteindelijk een stad met het karakteristieke rechthoekige stratenplan, clean en rechtlijnig maar ook wat saai. Zeven uur nadat ik uit New York vertrokken was, zetten we de daling in naar Anchorage, een naam als een klok die herinneringen oproept aan de tijd toen jets de lange afstanden van tegenwoordig niet konden overbruggen en er een stop maakten, zoals vele cargo's dat nog doen. Zes millennia geleden streken eskimo's en indianen er neer, veel later gevolgd door trappers uit Rusland, gedreven door het uitzicht op snelle winst uit de verkoop van zeldzame pelzen. Honderd jaar geleden kregen ze onverwacht gezelschap van een bonte bende gelukszoekers die op de eerste berichten van de ontdekking van goud afkwamen. Het haastig bijeengezette tentendorp aan de baai werd in 1915 door spoorwegingenieurs tot een ordelijk geheel van streets en avenues herschapen, waar nu orde en netheid heersen en waar ik pas na veel zoeken in de bar van Simon & Seafords een Europees aandoende vorm van intimiteit vind. De plek kijkt uit over het water van de Cook Inlet, het personeel in wit en blauw gestreept hemd is jong, mooi en efficiënt, de sfeer allerhartelijkst. Van op een dwarsbalk kijkt een opgezette lynx ontspannen de zaal in. Ik bestel een Fishermans linguini en een lokaal amberkleurig biertje, en moet tot het besluit komen dat het aanpassingsvermogen, de energie en de vindingrijkheid van de zoekende mens geen grenzen kennen. Anchorage mag dan naar Europese normen een beetje saai ogen, achter de gevels is het leven best genietbaar en op een paar uur van de stad is de natuur onaangeroerd gebleven, wat zorgt voor spectaculaire beelden en ontmoetingen. Onderweg naar Denali Park houden we halt bij Milepost 80 van Parks Highway, waar Ruth ons opwacht. De Oostenrijkse streek hier jaren geleden neer ("stuck with a man") en raakte bezeten door de traditie van tochten met sledehonden. Ze zette haar eigen team op en haalde behoorlijk wat succes, waarvan het grote aantal bekers in de hall getuigt. En toch loop ik met gemengde gevoelens door de tuin waar de vele honden aan hun hokken zijn vastgeketend en het daardoor met een bewegingsvrijheid moeten doen die voor de leek verrassend klein lijkt in een land waar ruimte zat is. Op de foto's tussen de bekers staat een glimlachende jonge vrouw met lang golvend haar. Tegenover me staat dezelfde vrouw, nu met verweerd gezicht, in shorts en met spillebeentjes en kort haar, die ons de prachtige sledes toont waarmee de lokale bevolking in vroegere tijden de meeste winters is doorgekomen. Rond die traditie zijn de mooiste verhalen ontstaan, die meestal gaan over het uithoudingsvermogen van de husky's en de vindingrijkheid van de menner. Die traditie wordt nog verder in ere gehouden bij de Iditarod Race, de jaarlijkse wedstrijd voor hondensleeën die over meer dan duizend mijl sneeuw en ijs gaat. Daarna lopen we langs een ander vehikel dat slechts van zeer ver op de elegante sledes lijkt. Een hybride met autobanden en een lompheid die schril afsteekt tegen het origineel. Ruth legt uit dat daar 's zomers met toeristen ritten op straat mee worden gemaakt, maar ik luister nog slechts met een half oor terwijl ik Button, die met de kop uit zijn hok in de zon ligt, door de haren strijk. Als ik met de slee rijd, zal het 's winters zijn. Een paar dagen later zitten we op het terras van een uit zijn voegen gebarsten kruidenierszaak langs de Parks Highway. Met een kartonnen kop koffie binnen handbereik kijken we naar de gedeukte Volvo's en Chevy's die onder stof en slijk zitten. Ernaast staan campers geparkeerd, bewoond door overjarige hippies in shorts en sandalen die even halt houden om water, proviand, sigaretten en gasoline in te slaan. De highway is minstens dertig meter breed, maar het verkeer veeleer schaars. Potige kerels, vaak zonder helm, tuffen op zware motoren voorbij. Koppels op leeftijd in motorhomes en jongelui met oude, zware achtcilinders waarvan het lage geroffel me met nostalgie vervult, reizen aan een ouderwets tempo door dit immense land. De volgelingen van Jack Kerouac zijn hier springlevend en rijden voorbij tegen een achtergrond van beboste hellingen die de grens van het Denali Park vormen. Ik ben om halfvijf in mijn lodge gewekt voor de acht uur durende uitstap per schoolbus door het park met de hoogste piek van Noord-Amerika, de rijzige Mount McKinley, die tegenwoordig weer zijn aloude naam draagt : Denali. Natuurlijk was ik liever gewoon te voet op stap geweest, vergezeld door een gids, maar dat is hier geen eenvoudige zaak. De massale aanwezigheid van beren en wolven vormt een echte bedreiging voor onervaren stappers, en de Amerikanen willen de plek bovendien zo authentiek mogelijk houden. Om die reden werd het laatste hotel van het park onlangs gesloten, zodat alleen de weg erdoor van de aanwezigheid van de mens getuigt. De medereizigers ogen slaperig en kil, drinken een kop thee vooraleer ze plaatsnemen in de bus, die door een manwijf met zware krullen en een rood verbrand gezicht wordt bestuurd. Meteen legt zij uit dat ze vandaag als chauffeur, gids en toeverlaat zal functioneren. Het zitten is wat verkrampt, de vrouw houdt een ononderbroken monoloog over leven en dood in het natuurgebied en onderstreept tot in den treure hoe gelukkig we zijn : de geheel besneeuwde Denali wordt slechts door minder dan een derde van de bezoekers aanschouwd, de rest van de tijd zit hij verstopt in mist en nevel. Ondertussen speurt ze de hellingen af naar wild in dit deel van het vier miljoen hectare grote park, groter dan de staten Massachusetts of New Hampshire. Aanvankelijk houden we halt voor bewegende speldenkoppen in de boomloze toendra, maar gaandeweg leren we op eigen houtje het wild in dit prachtige decor herkennen. Het best zichtbaar zijn de Dall-schapen, waarop ene Charles Sheldon in 1906 al ging jagen. De voormalige Yale-student verzamelde specimens voor musea, maar viel na enige tijd onvermijdelijk voor de charme van een zo rijk en zo gevarieerd leven. Toen hij terugkeerde naar de beschaafde wereld, was hij een ander mens geworden, een mens die besloot de rest van zijn tijd en energie aan een nobele zaak te geven. Het jaar daarop keerde hij terug en overwinterde in een kleine cabin aan de boorden van de Toklat, huurde Harry Karstens als gids in en leerde er de vele aspecten van het land kennen. Maar hij raakte ook geschokt door de grote aantallen schapen die door jagers werden gevangen en hij droomde al van een reusachtig reservaat waarin de mens de natuur ongemoeid zou laten. Tien jaar later slaagde hij er met een aantal sympathisanten in om Mount McKinley als Nationaal Park te laten erkennen. Driekwart eeuw later is de oorspronkelijke oppervlakte verdrievoudigd en min of meer in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht : een weelde van haast ongeschonden land met daardoor slechts de 91 mijl lange Park Road, waarvan zo'n derde, tot aan Stony Hill, door de bussen van de Tundra Wilderness Tour mag worden bereden. Onderweg moet de bezoeker zich van het nodige geduld voorzien, want alleen zo, en met een portie geluk, krijg je een 900 kilo zware eland te zien, een elegant lopende wolf, of Dall-schapen op een rotswand, het silhouet scherp afgetekend tegen de blauwe hemel. Of enkele kariboes keurig op een rij die hun schaduw werpen op de bevroren sneeuw. De bus stopt enkele keren, maar vele keren te weinig. We zien een beer met een jong, met de voorpoten gravend in de grond. Of een dood schaap dat langs de weg ligt en waarvan bij de terugrit nog alleen de ingewanden zijn achtergebleven. Terwijl het karkas enkele honderden meter verder door een wolf wordt beroerd. Fairbanks oogt als een te snel volwassen geworden no-nonsensestadje, karakterloos en functioneel, maar de natuur errond is spectaculair mooi en heeft een gevarieerd en interessant publiek aangetrokken. "Ik kwam in 1977 uit Missouri naar Alaska om er te studeren", zegt Randall Compton, "en moest toegeven dat tegen de tijd dat ik weer naar huis moest, de charme van het land me geheel in haar greep had. Toch drong de ernst van de situatie pas tot me door toen ik thuiskwam. Zoals voor zovelen die hun dienstplicht in Alaska hadden vervuld of aan de pipeline hadden gewerkt, bleken de roep van het land en het ritme van de natuur te sterk. En dus restte me niets anders dan zo snel mogelijk terug te keren en er mijn leven uit te bouwen." Randall is een gesofistikeerde schilder van dieren en landschappen, maar ook een master falconeer, een meestervalkenier, en zet daarmee een oude traditie voort. "Eigenlijk is het me om dat ene, lange moment van de duikvlucht van de valk naar het wild te doen. Daar gaan vele uren training aan vooraf. Aan een ballon die ik oplaat, maak ik een stuk prooi vast, en als die op de door mij gewenste hoogte is, laat ik de vogel los. Komt hij in de buurt van de prooi, dan blaas ik op een fluitje en laat de prooi vallen, zodat een soort geprogrammeerde reactie ontstaat. Tot het een gewoonte wordt en de valk vanzelf naar eenzame hoogten vliegt, speurend naar wild. De duikvlucht die bij het zien van de prooi wordt uitgevoerd, is de mooiste beweging in de natuur die ik ken." Randall lacht, wrijft zich door de baard. We zitten aan een terras langs de China-rivier, waar vele omwonenden een watervliegtuig achter hun tuin hebben liggen, en auto's stekkers aan hun voorbumper hebben bevestigd waarmee ze 's winters rechtstreeks via het net de motor starten om de batterij te sparen. "Het mooist is Alaska in de lente," zegt Randall, "vanwege de terugkeer van het licht. Ik woon op een heuvel die over de rivier uitkijkt en als de lente er aankomt, is het alsof je in drie dagen niets hebt gegeten en ineens alles krijgt opgediend. Een onbeschrijflijke ervaring."Fairbanks ligt vlak bij de poolcirkel en dat betekent dat het er medio juni zo goed als 24 uur licht blijft. Maar het is ook een hard land, met immens lange winternachten. Dat blanken er neerstreken, heeft alles met de goudkoorts te maken, die het leven in deze noordelijk gelegen regio zo ingrijpend heeft veranderd. De evocatie van die goudzoekersdagen wordt op verscheidene plaatsen op een wat romantische manier in beeld gebracht. Op een middag sluit ik me aan bij een groep die de El Dorado Gold Mine bezoekt en via een treintje door de tunnel in het permafrost naar een plek wordt gereden waar Yukon Yonda en Dexter Clark hun gasten verwelkomen. Het stel moet tegen de zestig aanlopen, en beiden kwamen ze elk afzonderlijk in de jaren zeventig naar Alaska, waar ze door een late aanval van goudkoorts werden gegrepen. Ze zetten een mobiel kamp op in het Circle Mining District, dat ze na elke zomer weer opbraken. De reis loonde, maar na jaren goud zoeken was de tijd gekomen om het iets rustiger aan te doen. Nu onderhouden ze het bezoek op enthousiaste wijze over hun stiel en nodigen de gasten uit om plaats te nemen aan lange banken die een even lange waterbank omzomen. Elke deelnemer krijgt een platte metalen schotel, de pan, en een linnen zakje met aarde en gruis dat erin wordt leeggeschud. De kunst bestaat erin het bord deels met water te vullen en in een cirkelvormige beweging te brengen. Tegelijkertijd wordt het water voorzichtig afgegoten, zodat de goudschilfers die zwaarder zijn dan het stof naar de bodem zakken. Voor de onervaren nieuweling een langdurige oefening omdat tussendoor ook kleine keitjes moeten worden verwijderd en de neofieten wat al te omzichtig te werk gaan, bang als ze zijn om hun goud met het water in de goot te gieten. Nu hebben Yukon en Dexter dat al duizenden keren zien gebeuren, en daarom hebben ze assistenten ingehuurd die de onhandige bezoekers waar nodig een handje toesteken. Aan het eind van de oefening blijven in het bord enkele glinsterende schilfertjes over, die dan keurig in een filmdoosje worden gedeponeerd. Met dat kostbare kleinood haasten we ons naar een andere, fraaiere barak waar lachende meisjes met witte tanden en een apothekersweegschaaltje klaarstaan. Om me na weging mee te delen dat ik voor pakweg vijf dollar bijeen heb gevist. Voor ik naar Anchorage spoor, wil ik nog Sherry Simpson ontmoeten, maar de tijd dringt. In een kleine boekhandel heb ik van haar The Way Winter Comes gekocht en meteen het avondeten afgebeld om in bed in één ruk haar Alaskan Stories te lezen. De schrijfster werd in Juneau geboren, maar leeft in Fairbanks, waar ze journalistiek onderwijst aan de University of Alaska. Als geen ander beschrijft ze in haar boek haar ervaringen met het wildlife. Vertelt van raven die bij min veertig op metalen palen zitten zonder daaraan vast te vriezen, en moo goo gai pan uit de vuilnisbak van de Chinees verkiezen boven elandkarkassen, omdat daar nu eenmaal gemakkelijker aan te komen is. Ze neemt haar lezers mee op zoektochten naar wolven, waarvan er in Alaska nog zo'n zevenduizend rondlopen, en getuigt van een diepe liefde voor de elanden in Strange Grace. Ze ergert zich aan wetenschappers van de new school die op computers vertrouwen om ecosystemen in beeld te brengen en de dynamiek van populaties te onderzoeken, maar niet weten hoe elegant elanden in het bos knielen om voorzichtig elke paddestoel te plukken, omdat die zo lekker zijn. Maar boven alles leert ze me dat er een naam bestaat voor een fenomeen waar zo weinig over gesproken wordt. Dat van mensen die op een dag de wereld achter zich laten en noordwaarts trekken. End-of-the-roaders, worden ze genoemd. Ze zoeken peace or oblivion or, sometimes, violence. Omdat ze behoefte hebben aan lucht, aan vrijheid of aan ik-weet-niet-wat, gevoelig zijn voor de onweerstaanbare roep van de natuur. En daar op een dag aan toegeven. Tekst en foto's Pierre DargeWe vliegen over besneeuwde landschappen met bergen en stromen, landtongen omringd door donkergrijs water, een ongerept geheel dat de afwezigheid van menselijke activiteit laat vermoeden. Natuurlijk was ik liever te voet het natuurpark in getrokken, maar de massale aanwezigheid van beren en wolven vormt een echte bedreiging voor onervaren stappers. "Ik woon op een heuvel die over de rivier uitkijkt en als de lente er aankomt, is het alsof je in drie dagen niets hebt gegeten en ineens alles krijgt opgediend."