Het piepkleine stadje Aínsa, aan de samenloop van de rivieren Cinca en Ara, is een goed voorbeeld van de rol die de Pyreneeën eeuwenlang hebben vervuld: die van natuurlijke wal tussen christenen en moslims, later tussen Frankrijk en Spanje. Tegenwoordig telt Aínsa niet meer dan 700 inwoners en is het op de eerste plaats een toeristisch centrum in de Spaanse Pyreneeën. Maar in de Middeleeuwen fungeerde de plek als een van de eerste uitvalsbasissen voor de reconquista, de herovering van Spanje op de Moren. Bovenop een steile heuvel ligt de oude vestingstad. Het grotendeels afgebroken fort ernaast is een erfenis van Filips II, die niet gerust was in de afloop van de godsdienstoorlogen ten noorden van de Pyreneeën in de 16de eeuw.
...

Het piepkleine stadje Aínsa, aan de samenloop van de rivieren Cinca en Ara, is een goed voorbeeld van de rol die de Pyreneeën eeuwenlang hebben vervuld: die van natuurlijke wal tussen christenen en moslims, later tussen Frankrijk en Spanje. Tegenwoordig telt Aínsa niet meer dan 700 inwoners en is het op de eerste plaats een toeristisch centrum in de Spaanse Pyreneeën. Maar in de Middeleeuwen fungeerde de plek als een van de eerste uitvalsbasissen voor de reconquista, de herovering van Spanje op de Moren. Bovenop een steile heuvel ligt de oude vestingstad. Het grotendeels afgebroken fort ernaast is een erfenis van Filips II, die niet gerust was in de afloop van de godsdienstoorlogen ten noorden van de Pyreneeën in de 16de eeuw. Sinds de jaren '70 zijn de Spanjaarden begonnen met grote restauratiewerken in Aínsa, en die lopen nog steeds. Qua toeristische infrastructuur hinken de Spaanse Pyreneeën wel achter op de Franse, maar dat kan je vandaag natuurlijk ook als pluspunt bekijken. Vanuit de middeleeuwse kerktoren, die als uitkijkpost ooit een militaire functie moet vervuld hebben, blikken we een eerste keer op het besneeuwde massief van de Monte Perdido in de verte. De Verloren Berg is met zijn 3355 meter een van de hoogste Pyreneeëntoppen en een geschikt oriëntatiepunt voor de verdere reis. Cultuur en geschiedenis, allemaal mooi en wel, maar naar de Pyreneeën ga je eerst en vooral voor de natuur. Vanuit Aínsa zetten we koers richting Monte Perdido in het noorden. We volgen de vallei van de Cinca en zo belanden we van een voorgebergte met toppen tot 1000 meter, in het hooggebergte met pieken van meer dan 2000 meter. Onze gids wijst naar de Posets, 3371 meter hoog. Tegen de flank ervan ligt het dorp Plan, naar verluidt in heel Spanje gekend omdat er alleen mannen leven. Toen er vorig jaar een karavaan vrouwen heen trok, waren de Spaanse media ter plekke om gretig verslag uit te brengen. Dit gebied is het hoogste kalkmassief van Europa. En waar kalksteen is, zijn grotten. Je vindt hier ijsgrotten op 2000 meter hoogte. Als speleologen hier hun hartje niet kunnen ophalen, weten we het ook niet meer. Gangencomplexen tot 30 kilometer en wie weet meer, want alles is bijlange niet in kaart gebracht. Gargantes de Escuain en Sumidero de Gurrundué zijn twee gebieden waar je heel wat toegangen vindt. Bij Bielsa slaan we linksaf. Rechtdoor leidt de weg door twee tunnels rechtstreeks naar Frankrijk, wij willen de Rio Cinca blijven volgen door de Pineta-vallei. De weg eindigt in een keteldal, de Circo de Pineta. Veel dichter kan je niet bij de Monte Perdido geraken of je moet gaan klimmen. Het zicht is prachtig, tot nu toe stellen de Pyreneeën niet teleur. Een wandeling doorheen het dal brengt ons langs een aantal watervallen die de Cinca voeden. Op enkele kilometers van hier, hoog in de bergen, ligt het brongebied van de rivier. Na een uitgebreid middagmaal in de Parador de Bielsa, midden in het keteldal, liggen we uitgeteld in de fauteuils van dit staatshotel. 's Namiddag doen we enkele bergdorpjes aan. Of wat daarvan overblijft, want hoewel er nu verharde wegen in het gebergte liggen, zijn de Pyreneeën dunner bewoond dan vroeger. Zeker buiten het zomerseizoen is de verlatenheid aan Spaanse kant nog groter dan in het Franse deel. Sinds veeteelt in deze regio niet meer zo interessant is, hebben veel Pyreneeërs hun geboortegrond verlaten. "Hoog-Aragon kent de kleinste bevolkingsdichtheid van Spanje, maar de grootste dichtheid aan everzwijnen", vertelt onze gids. Eén van de verlaten dorpjes, Sase, werd tot voor kort ingepalmd door krakers, maar toen de eigenaars hun rechten opnieuw lieten gelden, greep de politie in. Het protest van de nieuwe bewoners mocht niet baten. Na een oneindig aantal, kort op elkaar volgende kronkels bergop - je zou van minder wagenziek worden - belanden we in Tella. Intact gebleven terrasbouw en schapenteelt herinneren aan de Pyreneeën zoals ze vroeger waren. De weg naar Tella loopt dood, hier moét wel rust heersen. Van oudsher is dit een heilige plaats. Buiten het dorp vind je meerdere romaanse kapellen, en van enkele staat het vast dat ze bovenop heidense heiligdommen zijn gebouwd. Zelfs een dolmen tref je wat verderop aan. Je vraagt je af wat de mensen zo bijzonder aan dit oord vonden. Alleen voor de mooie vergezichten zullen ze niet gekomen zijn. In dit inmiddels bijna door God verlaten dorp valt nu weinig leven meer te bespeuren. Af en toe sloft een eenzaat door de straten. In het heksenmuseumpje zijn we de enige bezoekers. De grootste 'drukte' lijkt nog in het bureau voor toerisme te heersen, waar twee dames geduldig het toeristisch hoogseizoen afwachten. "Parlez vous français ?" proberen we, op 20 kilometer van de landsgrens. Nee, alleen Spaans natuurlijk. Voor het summum aan natuurpracht in de Aragonese Pyreneeën staan de vele cañons garant. In het 15.000 hectare grote Nationaal Park van Ordesa en Monte Perdido rijden we door de kilometerslange cañon Añisclo. Het is beslist één van de meest adembenemende erosiedalen van de Pyreneeën. Vanop een smal asfaltwegje kijken we steil de diepte in. Soms wordt de cañon zo eng dat het zonlicht er nog amper zijn weg vindt. Het microklimaat keert zich dan als het ware om: hoe lager je gaat, hoe kouder het wordt. Dat merk je ook aan de plantengroei. Terwijl op een normale bergflank beuken op een grotere hoogte dan de eiken groeien, is de situatie hier omgekeerd. Het moet heel wat arbeid gevergd hebben om het asfaltwegje doorheen de kloof aan te leggen. "Waarschijnlijk zijn we bij de laatste toeristen die ervan profiteren", zegt onze gids. "Want de weg zal worden afgesloten voor gemotoriseerd vervoer. Zo'n 50.000 mensen bezoeken het Nationaal Park jaarlijks. In de zomer geeft dat echt te veel drukte op dit wegje, ook al is het éénrichtingsverkeer." Met de auto konden we sowieso niet door de hele cañon. Willen we hem helemaal bezichtigen, dan moeten we te voet verder. Dat zal dan voor een andere keer zijn. Wij slaan af en rijden steil omhoog. Door het verdwijnen van veeteelt en terrasculturen groeit het bomenbestand in de Pyreneeën almaar aan, en krijgt het gebergte een wildere aanblik. Toch valt het ons vanop een uitkijkpunt op hoeveel bomen, vooral dennen, er kaal bijstaan. Zure regen? Onze gids denkt van niet. "Ook in de Pyreneeën wordt het klimaat steeds zachter én vochtiger. Voor dennen zijn dat misschien omstandigheden waarin ze gevoeliger worden voor ziektes." Onderzoekers hebben intussen vastgesteld dat een bepaalde vlindersoort haar eitjes op steeds grotere hoogte gaat leggen. Een bijkomend teken dat het steeds warmer wordt in de Pyreneeën. De volgende dag rijden we nog van een hele andere kant het Nationaal Park in. Dat moet wel, want tussen de verschillende valleien onderling bestaan geen wegverbindingen. Wil je toch van de ene vallei naar de andere, dan moet dat te voet. Overnachten kan in berghutten. Wie zoals wij daarvoor de tijd - of de zin, of de conditie - niet heeft, kan een eind de Ordesa-vallei inrijden. De weg eindigt op een grote parking, van waaruit rondwandelingen van verschillende afstanden langs de rivier Arazas kunnen worden afgelegd. Op het menu: watervallen en ander natuurschoon. Wie toch op zoek is naar meer uitingen van menselijke civilisatie in de Pyreneeën, kan een kijkje nemen in de kuuroorden. De hoogdagen van de vorige eeuw zijn wel voorbij, maar er valt nog steeds de - zij het muffige - sfeer van vergane glorie op te snuiven. Als we in Balneario de Panticosa aankomen, treffen we een zaal vol kaartende senioren aan in een van de gebouwen. Het behangsel gaat zichtbaar al een tijd mee, en hier en daar, vooral rond de biljarttafel, heeft de vloerbekleding zijn beste tijd duidelijk gehad. Zeven bronnen telt de bladplaats, elk met haar eigen helende werking. De Romeinen hadden hier al hun thermen. "Deze eeuw ging het succes van Panticosa achteruit", zegt de gids. "Dat proces werd nog nog versneld toen een aantal gebouwen door een sneeuwlawine vernield werd." Als je Balneario de Panticosa in de dalkom ziet liggen, lijkt een lawine op gezette tijden wel het minste wat je mag verwachten. Hogerop in de bergen zijn een een hele reeks stuwmeertjes gevormd waaraan de bergbewoners hun energie onttrekken. Vanop die hoogtes werden pijpleidingen naar beneden aangelegd, een verschijnsel dat in de Pyreneeën wel meer berghellingen ontsiert. Een rondwandeling door het dal leidt ons opnieuw langs een aantal, immer fascinerende watervallen.Van Panticosa rijden we zuidwaarts, en zo verlaten we definitief het hooggebergte. Geen toppen meer boven de 2000 meter, de Atlantische klimaatzone van de hoge Pyreneeën gaat over in de eerder mediterrane invloeden van het zuidelijke voorgebergte rond de stad Jaca, de Sierra de la Peña. Voorbij de tafelberg die Jaca domineert, kronkelt onze weg naar het klooster van San Juan de la Peña. Eerst houden we halt bij het zogenaamde 'nieuwe klooster'. Dat werd pas in de 17de eeuw gebouwd, en in 1809 al bij de Franse inval verwoest; één van die zeldzame momenten in de geschiedenis dat de Pyreneeënmuur het niet hield. Een deel van het klooster is thans omgebouwd tot Hostal, waar trekkers op weg naar Santiago de Compostela onderkomen vinden. Mindere sportievelingen kunnen vooral genieten van het schitterende, van oost tot west reikende panorama op de besneeuwde bergtoppen. "Het balkon van de Pyreneeën", noemt onze gids de plek bewonderend. Niet ver van het nieuwe klooster ligt het monasterio viejo, dat 's zomers aardig wat toeristen trekt. Het werd in de vroege Middeleeuwen onder, ja haast in de rotsen gebouwd. Als het er toen even killetjes was als nu, moeten de monniken er winter en zomer klappertandend hebben rondgelopen. Hoe dan ook genoot het klooster voldoende aanzien bij de koningen van Aragon en Navarra om zich hier te laten begraven. In de benedenverdieping sijpelt water uit een speciale nis. Toeristen hebben er geldstukken ingegooid. Wiens munt op de schuine afloop blijft liggen, mag een wens doen. God weet hoeveel munten er wereldwijd jaarlijks om gelijkaardige redenen in allerhande plasjes en stroompjes worden gemikt, mijmeren we in een wereldse bui. Wie de wensbusiness een beetje georganiseerd aanpakt, moet er toch zijn voordeel uit kunnen halen. Van het klooster dalen we door de bosjes een lang stenen pad af dat naar Santa Cruz de la Serón leidt en ooit nog door de monniken zelf is aangelegd. De zon die pal op de helling staat, moet voor de nodige thermiek zorgen, want boven ons cirkelen steeds meer gieren. Iemand merkt op dat het er 13 zijn. "Is dat niet hetzelfde aantal als onze groep?" Het gaat om vale gieren, één van de drie giersoorten in de Pyreneeën, maar wel de enige met het karakteristieke kale hoofd. Om de twee romaanse kerkjes in Santa Cruz te bezoeken hebben we geen tijd meer. Onze aandacht wordt alleen nog gevestigd op de typische, kegelvormige schoorstenen op de huizen. Binnen in de huizen lopen die verder taps uit. Ook opvallend zijn de beeldjes die bovenop de schoorsteen prijken. "Die dienden om het kwaad af te schrikken zodat het niet via de schoorsteen de woning zou binnendringen", luidt de uitleg. Weer een handige tip voor thuis.Langs de rivier Gállego komen we in de laatste uitlopers van de Pyreneeën. Opnieuw spectaculaire kloven en kale, geërodeerde bergtoppen waarbij je je soms in het landschap van een of andere western waant. Bij het dorp Riglos steken enkele rotsen van een paar honderd meter hoog loodrecht uit de grond. Het lijkt wel alsof deze Mallos er speciaal voor klimmers geplant zijn. Tientallen waaghalzen hangen tegen de steile wand, die in het moeilijkste stuk zelfs voorover neigt. Spannend om naar te kijken, dat wel, maar verder hoeft deze sport voor ons niet te gaan. Onze klimambities reiken vandaag niet verder dan de vele trappen in het kasteel van Loarre, een half uur verderop; hier zitten we echt op de uiterste rand van de Pyreneeën. Vanop 1100 meter kijk je mijlenver over de Ebro-vlakte. Het Castillo de Loarre vormde ooit een schakel in een hele verdedingsgordel tegen de moslimlegers. Vanavond vieren we onze laatste Aragonese nacht, buiten de bergen, in Huesca. "Bevrijd in 1096." Bart Vandergeten