Het atelier voor haute joaillerie van Boucheron bevindt zich in de nok van Place Vendôme 26, op de hoek met de rue de la Paix : een deur van beveiligd glas, en daarachter drie of vier kleine kamers met lage plafonds en muren die een lik verf kunnen gebruiken. Je waant je in het kantoor van een privédetective in Hollywood circa 1936 - tot je blik valt op de ramen, en daarachter de bronzen kolom van de Place Vendôme.
...

Het atelier voor haute joaillerie van Boucheron bevindt zich in de nok van Place Vendôme 26, op de hoek met de rue de la Paix : een deur van beveiligd glas, en daarachter drie of vier kleine kamers met lage plafonds en muren die een lik verf kunnen gebruiken. Je waant je in het kantoor van een privédetective in Hollywood circa 1936 - tot je blik valt op de ramen, en daarachter de bronzen kolom van de Place Vendôme. In het atelier werken, naargelang de periode van het jaar, tien à vijftien mensen : juweliers, zetters en polijsters. De juwelier is een beeldhouwer in miniatuur. De zetter bevestigt de edelstenen in hun metalen karkassen. De polijster wrijft over de juwelen met schuurpapier (of met was en draad, soms ook met leer) tot ze schitteren en blinken als spiegels, en elke onnauwkeurigheid is weggewerkt. Het hoekje van de zetter is het enige dat rechtstreeks uitkijkt over het plein. De polijster zit afgezonderd in een achterkamertje. Claire Choisne, creatief directeur van het huis, heeft haar studio elders in het gebouw. In de zolderkamers van nummer 26 worden de mooiste, de meest unieke, en dus ook de duurste stukken van Boucheron gemaakt : bijzondere opdrachten van klanten, en twee keer per jaar de collecties van Choisne. "We kunnen alles", zegt de atelierchef. "Je moet ons alleen genoeg tijd geven." (Om veiligheidsredenen houdt het merk de namen van zijn personeel liever uit de pers.) De man toont ons een half-afgewerkt halssnoer met klimopbladeren, die elk apart licht bewegen, alsof de wind erdoorheen ruist. Ze zijn stuk voor stuk bezet met tientallen steentjes. Het juweel, goed voor achthonderd werkuren, is geïnspireerd op een halssnoer uit de archieven. "Maar het is geen pure 'hercreatie'. We werken anders dan vroeger. De technologie is geëvolueerd, de instrumenten ook." Handwerk blijft primeren, maar er wordt niet neergekeken op een laser hier, een elektronische microscoop daar. "We zijn niet bang van vernieuwing. We proberen altijd beter te doen." "Kijk," zegt hij, "elk blad is anders, en achter elk blad zit een piepkleine springveer. Maar die zie je niet. Want de achterkant van elk juweel is bij ons net zo mooi als de voorkant." In één blad van het klimop-sieraad zitten tachtig gaatjes, die één voor één gepolijst moeten worden, voor- en nadat ze gevuld worden met edelstenen. "Ik doe tien à vijftien gaatjes per uur", aldus de polijster. Frédéric Boucheron is sinds 1893 gevestigd op nummer 26. Hij volgde de Contessa di Castiglione, de jonge maîtresse van Napoleon III, die tussen 1856 en haar dood in 1899, als model te zien was op honderden legendarisch geworden foto's. Het "mooiste creatuur sinds het begin der tijden", zoals ze zichzelf ooit beschreef, kwam op het einde van haar leven alleen 's nachts buiten. Ze liet alle spiegels weghalen uit haar appartement, en leefde grotendeels in het duister, vergezeld door haar trouwe honden, die ze na hun dood had laten opzetten. Het is, met dat verhaal in het achterhoofd, ironisch dat Boucheron het gebouw koos voor de lichtinval. Als de zon schijnt, reiken de stralen tot in de winkelvitrines, waar ze ook nu nog van 's ochtends tot 's avonds worden weerkaatst door talloze fonkelende edelstenen : een orgasme van gefractioneerd licht. Boucheron was overigens het allereerste juweliershuis op de Place Vendôme. Cartier volgde in 1899, Joseph Chaumet in 1902 (op nummer 12, waar Frédéric Chopin zijn laatste maanden doorbracht), en Van Cleef & Arpels in 1906. Intussen heeft elke gerespecteerd juwelier een schrijn op het plein. Maar Boucheron en Chaumet zijn de enige juweliers die behalve een winkel ook een atelier ter plekke hebben. Frédéric Boucheron, die vaak wordt beschreven als een visionair, een verlichte geest en een avonturier (hij trok geregeld zelf naar de diamantmijnen, op zoek naar de mooiste stenen), begon zijn bedrijf in 1858 op wandelafstand, in de galerieën van het Palais-Royal. Hij werd bekroond op de Parijse wereldtentoonstellingen van 1867, 1878 en 1889, waar hij in de schaduw van de pas opgetrokken Eiffeltoren zijn Point d'Interrogation introduceerde. Dat halssnoer in de vorm van een fonkelend vraagteken wordt nog altijd gemaakt. Boucheron overleed in 1902. De zaak bleef in handen van de familie tot 1994, en bevoorraadde doorheen de twintigste eeuw maharadja's, tsaren, keizers, koningen en koninginnen. Sinds 2000 is het huis in handen van de Gucci Group, nu Kering. Het heeft intussen wereldwijd een vijftigtal winkels. Tekst Jesse Brouns"De achterkant van elk juweel is net zo mooi als de voorkant"