Als er ergens ter wereld een kleurrijke markt bestaat, dan moet het die van Chichicastenango zijn. In het land van de maya-indianen hebben zelfs begraafplaatsen de kleuren van de regenboog. Een reisverslag uit een oogverblindend Guatemala.
...

Als er ergens ter wereld een kleurrijke markt bestaat, dan moet het die van Chichicastenango zijn. In het land van de maya-indianen hebben zelfs begraafplaatsen de kleuren van de regenboog. Een reisverslag uit een oogverblindend Guatemala.Jo Blommaert / Foto's Global Pictures Sta vroeg op. Ga een kopje koffie drinken bij de indiaanse vrouwen op de markt. Maak je klein en ga zitten, want je gastvrouwen komen amper tot aan je oksel en dat geeft een gênant reuzen-gevoel. Op dit ochtendlijk uur hebben de (andere) toeristen deze overdekte ruimte meer keuken dan eetplaats op de plaza van Chichicastenango nog niet ontdekt. Weggekropen in je hoekje, slurpend van je koffie, kan je er rustig de bedrijvigheid observeren. Het lange ravenzwarte haar keurig samengebonden of -gevlochten, lichtblauw schortje met witte rand boven een roodbebloemde blouse, al dan niet een baby op de rug gebonden. De vrouwen zijn naarstig aan het werk. Dampende kookpotten op miserabele kacheltjes. Mannen met sombrero en in zwarte leren jas zullen straks de rijst en kip verorberen. Kleine kinderen lopen gevaarlijk dicht bij de open, hete vuren. Op de tafel waar je aanzit, maken jonge meisjes balletjes van maïsdeeg, die tussen twee planken tot tortilla's worden gedrukt. Anderen draaien het deeg tussen hun handen om en om tot het een pannenkoekvorm krijgt. Het ritmisch handgeklap dat met deze activiteit gepaard gaat, wordt na verloop van tijd een vertrouwd achtergrondgeluid. Het klinkt bijna-vrolijk. Nochtans, lachen doen de meisjes niet. Ook de kokende vrouwen niet, de etende mannen evenmin. Je kan ook niet zeggen dat ze boos of triestig lijken, maar ernstig zijn deze mensen wel. En stil. Geen uitgelaten gelach, geen geroep of getier op deze markt. De Guatemalanen proberen hun overvloedig uitgestalde waar te verkopen, ze lopen je achterna om over de prijs te discussiëren als ze zien dat je twijfelt, maar echt opdringerig of arrogant zijn ze niet. Wanneer je niet toehapt, leggen ze zich daar gelaten bij neer. En kinderen zouden geen kinderen zijn als ze niet wat vrijpostiger waren of om een caramel zouden vragen... Naarmate de ochtend vordert en de mist optrekt in het 2000 meter hoog gelegen stadje, neemt de drukte toe. De marktkramers, die uit alle streken van het land komen (te voet met hun koopwaar op de rug, of per bus), zijn meestal uren in de weer om al hun gerief uit te stallen. Elk kraampje is een curiosum op zich. Alle wanden van de kubus, op de voorkant na, zitten volgestouwd. Met maskers, sieraden, geverfde kistjes en andere prullaria. Meest overweldigend, althans voor de westerse toerist, is het massale aanbod van kunstig geweven en geborduurd textiel, dat werkelijk in alle kleuren van de regenboog, in alle mogelijke combinaties en figuren op je netvlies wordt gebombardeerd. Tussen straatjes en steegjes kan je uren blijven flaneren, gefascineerd door zoveel creativiteit, tot je ogen er pijn van gaan doen. Een visuele hallucinatie. Van zuurtjeskleuren en pasteltinten. Van indigoblauw en maïsgeel. Vooral de huipiles, de traditionele blouses voor vrouwen, springen in het oog. Eenvoudig van snit maar versierd met bloemen, papegaaien of steeds weer andere geometrische figuren. Maar ook ceinturen, sjaals, gewone lange lappen stof die voor alles en nog wat kunnen dienen, worden in eenzelfde verscheidenheid aangeboden. Je kan niet anders dan in bewondering staan voor die indiaanse vrouwen die vaak op hun knieën gezeten (het ene uiteinde van het weefgetouw om de rug gespannen, het andere aan muur, paal of boom) deze draadjes tot dit resultaat hebben geweven. ?In de mayacultuur?, aldus de Guatemalagids van de Nederlandse uitgeverij Elmar, ?werd het weven van oudsher geassocieerd met voortplanting. Daarom was de maangodin Ixchel niet alleen de godin van de geboorte, maar ook de beschermster van de vlecht- en weefkunst. (...) Bij de oude maya's hadden de kleuren in het weefsel ook een symbolische betekenis. Zo symboliseerde geel het leven (maïs), blauw het offer, rood het bloed, de dood en de rouw, en zwart de oorlog.? De geschiedenis wil ook dat ten tijde van de kolonisatie de indiaanse bevolking in het kader van een verdeel-en-heerspolitiek per gemeenschap een eigen kleur kreeg toebedeeld. Vandaar dat tot vandaag de kledij van het ene dorp kan verschillen van die in het naburige dorp. En dat geldt niet alleen voor de vrouwen die meestal zo fleurig op postkaarten staan afgebeeld. Gezeten op de onderste trappen van de Santo Tomás-kerk, met boeketten lelies en wat groenten om zich heen, een zogende baby weggemoffeld onder een sjaal en omringd door houtvuurtjes en wierookgeur maken zij deel uit van een wonderlijk schouwspel. Chichicastenango is niet alleen vanwege de markt een intrigerende plaats, ook het religieuze gebeuren in en rond de Santo Tomás-kerk beklijft. Deze katholieke kerk werd in de koloniale periode rond 1540 gebouwd, bovenop de ruïnes van een mayatempel. Alsof de Spaanse veroveraars op die manier het ?heidendom? letterlijk de kop wilden indrukken. Santo Tomás is een mooi voorbeeld van de hardnekkigheid waarmee de indiaanse bevolking zich tegen die pogingen heeft verzet. Het is een van die vele plaatsen waar een mengvorm van christendom en mayageloof wordt beleden. De kerk staat er wel en wordt gebruikt, maar de rituelen die er plaatshebben, verwijzen overduidelijk naar een mayaverleden. Zo stamt uit de mayatijd de overtuiging dat zich binnen in de kerk de onderwereld bevindt, vandaar dat velen er buiten blijven en op de trappen hun gebeden doen. (Een gebruik dat toeristen allicht uit onwetendheid al te zelden respecteren.) Tot wie er gebeden wordt, hangt af van ieders persoonlijke voorkeur of situatie. De een bidt voor een goede oogst, de ander voor de goede afloop van een zwangerschap, en een derde richt zich tot de voorouders. Binnen in de kerk branden vele kaarsjes. Ook die kaarsjes illustreren hoe de indianen hun eigenheid wilden behouden. Van het katholicisme wilden ze wel het gebruik van kaarsen overnemen, maar door daar een of vele kleuren aan te geven, die elk weer hun eigen betekenis hebben, hielden ze toch hun innerlijk leven in eigen handen. Vertegenwoordigers van de Spaanse inquisitie schijnen het ondraaglijk te hebben gevonden dat ze daar geen vat op kregen. Ook het feit dat mannen overwegend westers gekleed gaan, zou op deze manier te verklaren zijn. Mannen gingen, in tegenstelling tot vrouwen, wel de straat op en waren bereid dan westerse kleren aan te trekken, omdat ze hoopten zo beter behandeld te worden. Maar die toegeving op uiterlijk vlak impliceerde niet dat ze zich innerlijk gewonnen gaven. De Spanjaarden vergisten zich ook toen ze de broederschappen of cofradía naar Guatemala probeerden over te planten. Ze hadden gehoopt met dit systeem de bevolking makkelijker te kunnen bekeren, maar de leden ervan gebruikten hun positie in hun eigen voordeel en zijn tot vandaag politiek zeer invloedrijk. Anno '97 blijven de indianen of indígenas, die ongeveer de helft van de bevolking uitmaken (de rest bestaat uit ladinos en blanken), trouw aan hun eigen gebruiken. Als bidden in de kerk niet helpt, of ook wel gewoon ?voor alle zekerheid?, beklimmen ze de heuvel net buiten de stad, waar zich een offerplaats bevindt. Twee indiaanse mannen (in westerse kledij) zijn er in alle serentiteit een offer aan het klaarmaken. Dat één van beiden een indrukwekkende gsm aan zijn broeksriem heeft gegespt, maakt het contrast tussen heden en verleden enkel nog scherper. Uit hun tas halen ze al het kostbaars dat ze hebben meegebracht : koekjes, suiker, kaarsjes, bloemen en een paar flessen alcoholische drank. Ze stapelen alles heel zorgvuldig op en rond elkaar, tot het geheel op een feestelijke bruidstaart gaat lijken. Gehurkt en zonder woorden wordt het geschenk in brand gestoken... Ook op de begraafplaats Campo Santo tref je mensen aan die bezig zijn met een of ander ritueel. Verzonken in gedachten, converserend met de overledene, vuurtje stokend. Het wonderlijke aan deze en andere begraafplaatsen in Guatemala is alweer de kleurenpracht. Een kerkhof waar pasteltinten overheersen (zeegroen, azuurblauw en lila) blijft toch even wennen voor ogen die ingesteld zijn op grijs of zwart. Het zijn weliswaar alleen de rijkere families die zich een dergelijke grafkapel kunnen permitteren. De meeste indianen moeten vrede nemen met een witgekalkte heuvel, maar in hun doodskist krijgen ze wel vaak persoonlijke bezittingen, eten en drinken mee voor in het hiernamaals... Misschien hangt er in Chichicastenango meer spiritualiteit in de lucht dan elders omdat hier de Popol Vuh werd gevonden. Dit Boek van de raad, ontsnapt aan de grootscheepse boekverbrandingen tijdens de Conquista, is de bijbel van de Quiché-indianen, een van de belangrijkste mayavolkeren. Het werd in het begin van de 18de eeuw in de Santo Tomás-kerk gevonden door de Spaanse priester Francisco Ximenez, die het manuscript vertaalde. Het eerste deel, een soort scheppingsverhaal, vertelt hoe de mens uit maïs werd geschapen. Het tweede deel beschrijft de omzwervingen van de voorouders van de Quiché-indianen, die van het Tolteekse Mexico naar het huidige Guatemala kwamen en er een machtig koninkrijk stichtten. Het boek is een van de belangrijkste bronnen van de mayacultuur, en wordt elke jonge indiaan onderwezen. Wij hebben altijd hier op deze plaats gewoond. Het is ons volste recht om hier te leven en te sterven, omdat wij van deze plaats houden. Alleen hier kunnen wij verrijzen. Nergens anders zijn wij volledig aanwezig. Die onvolledigheid is een eeuwigdurende pijn. (Uit de Popol Vuh) Wie de mayacultuur in alle grootsheid wil aanschouwen, moet naar Tikal in de noordelijk gelegen Petén-regio. Tikal, de grootste van de klassieke mayasteden, is vooral bijzonder omdat het midden in het dichte tropische regenwoud ligt. Er bevinden zich hier een paar duizend bouwwerken (tempels, paleizen, terrassen, plaza's) van meer dan 1000 jaar oud. Tot nu toe is een 200-tal sites blootgelegd, maar nog een groot aantal is overgroeid met vegetatie en zit verborgen onder de oppervlakte. Om onbekende redenen verlieten de maya's in 900 dit gebied, en toen de Spanjaarden het ontdekten, hadden ze er geen belangstelling voor. Het duurde tot het midden van vorige eeuw eer men erachter kwam welke ongelofelijke cultureel-historische schat hier in de jungle verborgen lag. Inmiddels zijn heel wat waardevolle voorwerpen naar musea in Bazel, Londen of New York versast, maar momenteel is het archeologisch onderzoek toch in Guatemalaanse handen. Terwijl de apen in het groen zitten te grollen, kan je rustig naar de sites wandelen. Jawel, de paadjes zijn keurig onderhouden voor de toeristen, en worden regelmatig met een takkenbos schoongeveegd om slangen uit de buurt te houden. Een van de meest indrukwekkende constructies is de tempel van de grote jaguar. Het beklimmen ervan is een duizelingwekkende ervaring : amper 42 meter hoog, maar steil. De Lonely Planet-gids meldt dat tot nu toe twee mensen de klim met hun leven hebben moeten bekopen, maar voegt er verleidelijk aan toe dat het uitzicht bovenaan magnifiek is... Mensen met hoogtevrees kunnen zich beter onthouden, roekelozen evenzeer. Pas wanneer je boven bent, realiseer je je wat je gedurfd hebt en wat je zo meteen terug zal moeten durven... In afwachting sta je daar, op de plaats waar ooit in vol ornaat de mayapriester stond : hoog verheven boven het voetvolk, daar ergens in de diepte. In de kleine tempelruimte bovenaan kan je even op adem komen. Recht tegenover je staat tempel Twee, iets kleiner en momenteel niet toegankelijk. Links ligt de Noord-Acropolis, een ingewikkeld complex van gebouwen en van resten van gebouwen. Gidsen kunnen je uitleggen hoe geniaal die constructies waren, hoe demaya's dit alles zonder wiel, zonder lastdieren of metalen voorwerpen wisten te realiseren ; hoe hoogstaand ook hun kennis was op gebied van wis- en sterrenkunde. Om je bij dat laatste iets te kunnen voorstellen, moet je nog eens je moed samenrapen en tempel Vier beklimmen. Iets hoger (64 meter), maar in plaats van één steile trap is er af en toe ook een trapladder, en je kan je desnoods aan uitstekende boomwortels vastklampen. Hoger en dus een nog mooier uitzicht. Alsof je vanuit een helikopter naar de jungle van Tikal kijkt : de mayaruïnes steken als keitjes tussen de broccoli uit. Maar bovenal belemmert hier niks het zicht op de hemel : dit moet een ideale plaats (geweest) zijn om sterren, zon en maan te observeren. Als kampeerplaats lijkt het plekje overigens ook niet te versmaden. Maar diegene die hier zijn slaapzak uitrolt, kan zich wel aan bezoek van beneden verwachten : een poema, neusbeertje of wild zwijn. In de jungle hebben ook nog enkele honderden vogelsoorten, waaronder de toekan, hun nestje gebouwd. Ze kunnen daarbij kiezen uit 150 verschillende boomsoorten. Althans voorlopig nog, want zoals elders wordt ook hier het regenwoud bedreigd, o.a. door het toerisme. Tegelijk is het toerisme voor deze streek een van de belangrijkste bronnen van inkomsten geworden sinds synthetisch rubber de winning van natuurlijk rubber uit de chicle-boom (die de Amerikanen ook hun kauwgom bezorgde) overbodig maakte. Sinds er eind vorig jaar na vele jaren burgeroorlog een vredesakkoord werd ondertekend in Guatemala, is de uitbouw van het toerisme een prioriteit geworden van de regering. Tegelijk is duidelijk dat er dringend werk moet worden gemaakt van een herverdeling van de gronden. Op sommige plaatsen merk je met het blote oog hoe wraakroepend de huidige situatie is. Aan de oevers van het Atitlán-meer bijvoorbeeld ligt het dorpje San Antonio Palopo. Vanop de hobbelige weg ernaartoe kan je duidelijk zien dat het uit twee delen bestaat : een groen en vruchtbaar deel aan de waterkant (dat aan een rijke familie toebehoort), en het dorpje zelf dat tegen de heuvel ligt aangevleid, met daarboven de dorre grond waar de boeren hun gewassen op moeten telen. Vermoedelijk is de bevolking maar wat blij dat ze ook hier haar prachtige staaltjes van weefkunst aan de toeristen kwijtkan, al bestaat het risico dat ze net daardoor haar eigenheid dreigt te verliezen. De inwoners van de veertien dorpen rond het meer leven vooralsnog zeer traditioneel. Sinds de hippies indertijd de schoonheid van het meer ontdekten, hebben steeds meer toeristen de weg ernaartoe gevonden. Vandaar dat het plaatsje Panajachel de bijnaam Gringotenango (gringo's zijn buitenlanders) kreeg. Ook tal van rijke Guatemalen uit de hoofdstad hebben zich inmiddels rond het meer een ?stulpje? aangeschaft. Wat heeft Atitlán dat een ander meer niet heeft ? Ook hier weer geldt : sta vroeg op. Ga zitten aan het water en zie hoe mist en nevel optrekken, hoe de aanvankelijk in duisternis gehulde vulkanen langzaam door de opkomende zon verlicht worden en als het ware tot leven worden gewekt. Vanuit Panajachel kan je met de boot andere dorpen rond het meer bezoeken. Aan de overzijde ligt Santiago Atitlán, zwaar getroffen door de burgeroorlog en plaats van veel sociale ellende. Ook hier is religie in tal van gedaantes alomtegenwoordig. In een privé-woning kan je het bizarre beeld van Maximon opzoeken. De in westerse outfit gestoken pop krijgt een brandende sigaret in de mond gestopt en bankbiljetten toegeschoven. De vertegenwoordiger van het kwaad krijgt ook alcoholische drank aangeboden, met als sympathieke bijkomstigheid dat de milde schenker eerst zelf de helft van de fles mag leegdrinken... In de katholieke kerk zie je dan weer heiligenbeelden die door de bevolking in kleurrijke gewaden werden gehuld, terwijl op het plein voor de kerk voorbereidingen worden getroffen voor een bijeenkomst van de charismatische beweging... Waar vroeger 90 procent van de bevolking tot de katholieken kon worden gerekend, zou inmiddels 30 procent aanhanger zijn geworden van het uit de VS overgewaaide protestantisme, dat dan vooral bij monde van tv-evangelisten verspreid wordt. Wie alleen maar naar de markt van het naburige Sololá gaat om er een voorraad papaja's, avocado's of bruine bonen in te slaan, ontkomt niet aan de door luidsprekers over het marktplein verspreide boodschap : ?iglesia evangelista !?, ?aleluya !? weerklinkt het om de haverklap. Anders dan indoctrinatie kan je het nauwelijks noemen. Toch wordt het succes van de beweging niet alleen verklaard door deze manier van preken ; de evangelisten zouden de bevolking ook van concrete hulp voorzien en in tegenstelling tot het katholicisme niet geassocieerd worden met het verleden en de daarmee gepaard gaande onderdukking. Wie zich meer wil verdiepen in dat koloniale verleden, moet naar Antigua. Ook dit stadje ligt tussen vulkanen, maar werd behalve door lava ook talloze keren door aardbevingen geteisterd. Toch zijn er nog tal van ruïnes van kloosters en kerken bewaard gebleven. De laatste jaren schaffen Amerikanen-met-geld, zoals Paul Newman, zich in dit prachtige decor graag een fraai herenhuis aan, waardoor de autotochtonen naar de buitenwijken van de stad moeten verhuizen. Ondanks de ?aleluya?-luidspreker is Sololá autenthieker. Ook de markt is er minder dan in Chichicastenango op toeristen gericht. Het is meer een groenten- en fruitmarkt, rommeliger, kleinschaliger, en de bevolking heeft het absoluut niet op fototoestellen gemunt. Die weigerachtigheid tref je wel vaker aan in Guatemala. Onvergetelijk is het beeld van drie boeren die in een vruchtbare vallei met keurig aangelegde terrassen hun veld stonden te bewerken. Van zodra ze in de mot hadden dat ze een onderdeel waren van een fotogeniek geheel, draaiden ze zich alledrie prompt om. Benen gespreid, sombrero op het hoofd, leunend op de steel van hun hark bleven ze doodstil staan tot hun belagers verdwenen waren. Protest zonder woorden. Prachtig tafereel. Niet afgedrukt. Kunstig geweven en geborduurd textiel wordt in alle mogelijke combinaties en figuren op je netvlies gebombardeerd.Links en midden : op de markt van Sololá is elk kraampje een curiosum op zich. Rechts : de kerk in Santiago Atitlán is een van de vele plaatsen waar een mengvorm van christendom en mayageloof wordt beleden. De rituelen verwijzen naar een mayaverleden, de heiligenbeelden worden in kleurrijke gewaden gehuld. Wie de mayacultuur in alle grootsheid wil aanschouwen, moet naar Tikal, midden in het dichte tropische regenwoud. Tempel Twee (foto) is een van de geniale constructies die de maya's zonder wiel, zonder lastdieren of metalen voorwerpen wisten te realiseren. De vulkaan San Pedro, met aan zijn voet het Atitlán-meer.Wie zich wil verdiepen in het koloniale verleden van Guatemala, moet naar Antigua. De laatste jaren schaffen Amerikanen-met-geld, zoals Paul Newman, zich in dit prachtige decor graag een fraai herenhuis aan, waardoor de autotochtonen naar de buitenwijken