Het was september, en in het schilderachtige stadje aan een Italiaans meer gingen we op zoek naar brood. Driekleurige pasta, ja, gedroogde paddenstoelen en olijfolie in fancy flessen, overvloedig uitgestald in een rood-wit-groen decor, zoveel je wou. Maar een bakker? Een slager? Verse groenten? Niet te vinden.
...

Het was september, en in het schilderachtige stadje aan een Italiaans meer gingen we op zoek naar brood. Driekleurige pasta, ja, gedroogde paddenstoelen en olijfolie in fancy flessen, overvloedig uitgestald in een rood-wit-groen decor, zoveel je wou. Maar een bakker? Een slager? Verse groenten? Niet te vinden. In Normandië, waar we vorig jaar een huisje huurden, waren we verplicht voor elke boodschap de auto te nemen naar de hypermarkt buiten het dorp, of te wachten tot het marktdag was. Het is dubbel pijnlijk omdat het twee landen zijn die we net zo koesteren om hun gastronomie. Tot zover de klachten van de toerist. Erger wordt het wanneer er ook in eigen land almaar minder buurtwinkels zijn, en men gaat spreken van voedselwoestijnen. Het begon zo'n vijftig jaar geleden met de opkomst van de supermarkten. De kleine winkels konden de concurrentie niet aan. Na de supers volgden de hypers, en toen alle kleintjes waren doodgeknepen, bedachten de grote ketens stadswinkels. Je kent ze wel: de Proxy's, Okays en aanverwante. Die komen op plekken waar veel mensen wonen, werken of passeren, dat is logisch. En zo komt het dat zelfs in een dichtbebouwd land als België er wijken zijn waar je verder dan één kilometer moet lopen om een winkel tegen te komen waar vers eten verkrijgbaar is. Dat noemt men voedselwoestijnen. Dat is vooral het geval in voormalige industriebuurten, waar oudere en minder gegoede mensen wonen. Gevolg: waar geen gezond en betaalbaar eten is, kiest men voor junkfood en neemt obesitas toe. Een ander effect is dat men vaker de auto neemt om te gaan winkelen. Een verlies-verliessituatie dus. Hoe ironisch dat er op feestjes een foodtruck of een rijdende barista staat, dat pizzakoeriers je in de stad van je sokken rijden, maar dat er in andere buurten niet eens een winkel is met groente en fruit. Gelukkig zijn er nog de markten, meer en meer ook boerenmarkten. Willen we de voedselwoestijnen een halt toeroepen, dan moeten er misschien weer rijdende winkels komen, en het liefst tweemaal per week een markt. En dan markten die niet alleen synthetische truien van vijf euro verkopen, maar verse vis, fruit, honing en geitenkaas, appelen per kist en paardenvlees. Laten we die oases koesteren, laten we geen voedselwoestijnen gedogen.