Er zijn van die dagen dat ik zou willen dat New York geen deel was van Amerika. Toen ik onlangs op een muur USA get out of New York City gekrabbeld zag staan, kon ik de auteur van die kreet wel omhelzen. Ik wist wat hij of zij voelde: het is genoeg geweest. Laat ons met rust. Ga weg en kom nooit meer terug. De definitieve breuk. Alle bruggen, tunnels en luchthavens dicht wanneer het ons, New Yorkers, belieft. Leve de onafhankelijke republiek van New York City!
...

Er zijn van die dagen dat ik zou willen dat New York geen deel was van Amerika. Toen ik onlangs op een muur USA get out of New York City gekrabbeld zag staan, kon ik de auteur van die kreet wel omhelzen. Ik wist wat hij of zij voelde: het is genoeg geweest. Laat ons met rust. Ga weg en kom nooit meer terug. De definitieve breuk. Alle bruggen, tunnels en luchthavens dicht wanneer het ons, New Yorkers, belieft. Leve de onafhankelijke republiek van New York City! Een vloek van Tom onderbreekt mijn gedachtestroom. "Zijn redeneringen hangen aaneen met verroeste ijzerdraad", bromt hij, "en hij kijkt niet op een leugen meer of minder." Ik kijk op, minister van Defensie Rumsfeld, ook wel Rummy genoemd, wordt geïnterviewd op tv. Journalist Jim Lehrer van National Public Television is zoals gewoonlijk superbeleefd. Hij haakt telkens een nieuwe vraag aan de staart van Rummy's laatste antwoord, dat trouwens geen antwoord was op de vorige vraag. Rummy grijnst zijn standaard gluiperig lachje. Een uur geleden nog hadden we een discussie aan tafel over wie het griezeligst is in de Bush-regering. De keuze was moeilijk, maar we werden het eens dat Rummy de prijs won. Na het interview vlucht ik naar buiten. Ik geef de terrasplanten water, knijp hier en daar voorzichtig een uitgebloeide bloem of een bruin blad af. Het is een van de weinige dingen die me kalmeren als ik kwaad ben. "Dat is lang geleden", roept mijn buurvrouw Eleonore van de overkant van de straat. Ze is met haar hond Max aan het wandelen. Eleonore is een tijd bij haar dochter in Seattle op vakantie geweest. "Hoe gaat het me je?" vraag ik. "Met mij persoonlijk goed," antwoordt ze, "van de rest ben ik niet zo zeker. Het is maar best dat mijn buren niet weten wat ik denk", voegt ze eraan toe. "Ik weet wat je bedoelt", zeg ik terwijl ik discreet met mijn hoofd wijs naar het huis van mijn rechterbuurman waar de Amerikaanse vlag aan de gevel hangt. Hij is een achterdochtige vrijgezel en we verdenken hem er soms van dat hij vrijwilliger is in Operation Tips, het burgerkorps dat Justitieminister Ashcroft (nog zo'n griezel) heeft opgericht om buren die niet patriottisch genoeg lijken in de gaten te houden. Een uur later, rond halftien, gaat de telefoon. Het is Mike, nog een vriend in wiens gezelschap we geen blad voor de mond hoeven te nemen. Hij vraagt of ik voor hem naar de apotheker wil gaan. "Ik kom onmiddellijk", zeg ik. Zijn voordeur staat open. Hij zit te kermen in een fauteuil in de keuken. Zijn vriendin staat wat hulpeloos naar hem te kijken. "Hij heeft net gekotst", zegt ze. "Ik heb zo'n pijn", zegt Mike. Ik leg mijn hand op zijn voorhoofd. Het gloeit. "Ze zeiden in het ziekenhuis dat ze me geen medicijnen mochten meegeven", kreunt hij. Mike is net thuis van het ziekenhuis, waar hij vandaag voor de tweede keer in een week tijd werd geopereerd voor kwaadaardige melanoma. "Ze hadden je toch minstens een nacht mogen houden", zeg ik. "Dat mocht niet van de verzekering", zegt zijn vriendin. Om tien uur stap ik een grote supermarkt binnen, waar achterin een apotheek is. Het is een van die zaken die zeven dagen per week, dag en nacht open zijn. Er staan twee lange rijen aan te schuiven aan de twee kassa's van de apotheek. Achter de toog zijn vier mannen en een meisje in witte schort druk aan het werk. Alleen het meisje is blank. De mannen lijken Indiërs of Pakistani, het soort mensen dat door de brave burgers van Operation Tips argwanend wordt beloerd. Van ons wachtenden hoeven ze alvast niets te vrezen. Er staan verscheidene moslims in de rij, onder wie twee gesluierde vrouwen, en we zijn allen wanhopig om zo vlug mogelijk met onze pillen naar onze zieken te rennen. "Dat is dan 130 dollar", zegt het meisje dat een van de kassa's bedient. "130 dollar!" roept het kleine dikke vrouwtje dat aan de beurt is, "dat kan toch niet?" "Toch wel," zegt het meisje wier oogleden en nagels in hetzelfde koele groen zijn geverfd, "twintig pillen Cipro van vijfhonderd milligram. Zonder verzekering betaalt u 130 dollar. Als u dat niet kunt betalen, geven we u nu tien pillen mee en dan kunt u de rest later komen halen." Voor het mijn beurt is, ben ik getuige van nog meer disputen over pillenprijzen. Telkens trekt de klant natuurlijk aan het kortste eind. "De wachttijd is anderhalf uur", zegt het meisje als ik haar mijn twee voorschriften aanreik. Ze glijdt de verzekeringskaart van Mike door een machientje. "Die kaart is niet goed", zegt ze onverschillig en schuift ze me terug toe. Omdat ik in New York koppig geen gsm wil, ga ik op zoek naar een betaaltelefoon. De eerste is stuk. De tweede werkt, zij het krakend. "Hoe kan dat nu?' zegt de vriendin van Mike met wanhoop in haar stem. "Ik heb die kaart verleden week nog maar gebruikt. Oké, ik zal hun opbellen." Om halftwaalf roept het groene meisje eindelijk mijn naam af. Thuis zit Mike rechtop in bed met een suffe blik naar het avondnieuws te kijken. "Dat is niet goed om te genezen", zeg ik. Op dat ogenblik komt Rummy in beeld. " Bastard", kreunt Mike. "Zie je wel", zeg ik. Jacqueline Goossens, vanuit New York