L e Corbusier heeft overal sporen nagelaten, van Chandigarh tot Antwerpen en van Roquebrune tot New York. Hij is wellicht de beroemdste architect van de 20ste eeuw, de Picasso van zijn metier. Een veelvraat ook: halftijds schilder, schrijver, publicist en criticus, urbanist, designer, en natuurlijk architect.
...

L e Corbusier heeft overal sporen nagelaten, van Chandigarh tot Antwerpen en van Roquebrune tot New York. Hij is wellicht de beroemdste architect van de 20ste eeuw, de Picasso van zijn metier. Een veelvraat ook: halftijds schilder, schrijver, publicist en criticus, urbanist, designer, en natuurlijk architect. Zijn meubilair, vaak ontworpen in samenwerking met Charlotte Perriand, is nog steeds bijzonder populair. Zijn uit staal en leder opgetrokken, kubusvormige fauteuils pieken op nummer twee in de hitparade van in bankgebouwen en ministeries geziene meubels, na de Barcelona van Ludwig Mies Van der Rohe. In 2001 wordt het ruwere, vooral uit de jaren '50 daterende werk van Le Corbusier op prijs gesteld. De gefortuneerde liefhebber heeft de keuze tussen, om maar twee voorbeelden te noemen uit het aanbod van de gespecialiseerde zaken, een stalen deur en de inboedel van een kamer in een studentenhuis. Waar te beginnen? Le Corbusier, 113 jaar geleden in Zwitserland geboren als Charles-Edouard Jeanneret, bouwt zijn eerste woning, de villa Fallet, al in 1906. Nog voor de Eerste Wereldoorlog werkt hij in Parijs als assistent van de gebroeders Perret, die gespecialiseerd zijn in gewapend beton (zie de heropbouw van Le Havre na de Tweede Wereldoorlog en een hartveroverende wolkenkrabber in Amiens), en in Berlijn bij Peter Behrens. In 1917 vestigt hij zijn kantoor in Parijs, waar hij niet veel later Amédée Ozenfant leert kennen, de puristische schilder met wie hij het tijdschrift L'Esprit Nouveau begint (de derde spilfiguur is een dichter, Paul Dermée). In dat tijdschrift, waarvan 28 nummers verschijnen, gebruikt Jeanneret voor het eerst de naam Le Corbusier onder een aantal artikels. Zijn greatest hits worden in 1923 verzameld als Vers une architecture, een klassieker. Een jaar eerder heeft hij met zijn neef Pierre Jeanneret een atelier geopend in de rue de Sèvres in Parijs, zijn hoofdkwartier tot aan zijn dood, in 1965. Bij de belangrijkste verwezenlijkingen uit de periode voor de Tweede Wereldoorlog: de villa La Roche-Jeanneret in Parijs (thans het adres van de Fondation Le Corbusier), de villa Stein in de voorstad Garches, de villa Savoye in Poissy (een wit functioneel paleis, zie Weekend Knack Special Wonen van vorig jaar) en Weissenhof in Stuttgart, een experimentele tuinwijk. In 1928 neemt hij het initiatief tot de oprichting van de CIAM (Congrès International d'Architecture Moderne), het ontmoetingsforum voor moderne architecten dat tot de late jaren '50 een enorme invloed zou hebben, in het bijzonder op de urbanistische politiek van de grote steden. Na de vierde editie van het CIAM, in Athene, schrijft hij het manifest La Charte d'Athènes, een leidraad voor de grote meerderheid architecten en stedenbouwkundigen na de Tweede Wereldoorlog: het manifest, in feite een groepswerk, pleit voor functionele steden waarin verschillende activiteiten (leven, kantoren, industrie, groen) in verschillende zones worden ondergebracht. Gevolg: in talloos veel steden werden oude bouwvallige wijken afgebroken en in veel gevallen vervangen door woontorens of braakliggende terreinen: de Brusselse Noordwijk is een goed voorbeeld. Of een slecht voorbeeld, al naargelang. In 1930 krijgt Le Corbusier de Franse nationaliteit. Hij huwt Yvonne Gallis. Het eerste deel van zijn Oeuvre Complète ligt dan pas in de winkels. In Parijs bouwt hij la Cité du Refuge: een enorm, langs de binnenkant beetje triest gebouw voor het Leger des Heils, plus het Zwitserse paviljoen voor de Cité Universaire en een appartementsgebouw in rue Nungesser-et-Coli, vlakbij het Parc des Principes, het stadion van voetbalploeg PSG. Zijn eigen appartement bevindt zich op de hoogste verdieping van dat laatste gebouw. Hij verdiept zich almaar meer in stedenbouw, en bedenkt vaak indrukwekkende, zelden uitgevoerde stedenbouwkundige projecten voor Moskou, Genève, Algiers, Stockholm, Parijs en de Antwerpse Linkeroever. Hij reist de wereld rond, van Italië over Moskou tot in Zlin in Tsjechoslowakije, waar hij een project heeft lopen voor de Keizer van de Schoen, mijnheer Bata. In Rio de Janeiro krijgt hij het ministerie van Opvoeding toevertrouwd, een gebouw dat uiteindelijk wordt verwezenlijkt door Lucio Costa. Hij reist ook naar de Verenigde Staten. Zijn indrukken van dat land worden verzameld in een boek uit 1937: Quand les cathédrales étaient blanches: voyage au pays des timides. In 1940 verbreekt hij de samenwerking met Pierre Jeanneret. Tijdens de oorlog werkt hij minder. In 1943 begint hij L'Assemblée des constructeurs pour la rénovation architecturale, ter voorbereiding van de naoorlogse reconstructie. Zelf werkt hij mee aan enkele kleinschalige projecten (de stadsplannen van Saint-Dié, Saint-Gaudens en La Rochelle-La Pallice), maar zijn ideeën worden gedwarsboomd en hij krijgt van overheidswege geen belangrijke opdrachten. India is happiger op zijn werk en vraagt hem een stedenbouwkundig plan en een aantal institutionele gebouwen voor Chandigarh, de hoofdstad van de staat Punjab. Voor het Indiase project werkt hij opnieuw samen met Pierre Jeanneret. Chandigarh is een immense opdracht: het laatste project, een monument, raakt pas af in 1985. In Frankrijk is zijn eerste belangrijke naoorlogse project de zogeheten Unité d'habitation van Marseille, de moeder van alle flatgebouwen, voltooid in 1952. Andere hits uit die periode: de kapel Notre-Dame-du-Haut in Ronchamp; het klooster van La Tourette in Eveux; het huis Jaoul in Neuilly; de Unités d'habitation van Rezé-les-Nantes, Briey-en-Foret en Firminy; en het Braziliaanse huis voor de Cité Universitaire in Parijs (met Lucio Costa). De architectuur is brutaler dan die van de jaren '20: grijs komt in de plaats van wit, maar er blijft wel veel aandacht voor kleurvlakken. Zijn boeken worden persoonlijker, en hij legt zich toe op het vermengen van verschillende kunstvormen. Hij schildert nog steeds, waagt zich aan beeldhouwen, en maakt ook wandtapijten. Een reeks projecten uit de laatste periode van zijn leven wordt nooit uitgevoerd, waaronder een gebouw voor Olivetti in de buurt van Milaan, de ambassade van Frankrijk in Brasilia en een congrespaleis in Straatsburg. Hij verdrinkt op 27 augustus 1965 in Roquebrune-Cap-Martin, vlakbij zijn Cabanon in de heuvels. Jesse Brouns