Nu ik het steeds beter begin te kunnen, moet ik er jammer genoeg bijna mee ophouden: fietsen in Amsterdam. Wat zijn de bewoners daar handig in. Ik fiets elke dag in New York, dus dacht ik dat dat in Amsterdam wel zou meevallen. Hollandse vrienden in New York die hier lang hebben gewoond, hadden gezegd: "Let op voor de tramsporen, vooral als het regent. En de chauffeurs zijn er even agressief als in New York. Voor de rest is het simpel." Was dat maar zo.

Thuis, in New York, heb ik een lichte fiets die ik gezwind elke dag de trap naar mijn voortuin op- en afdraag. Mijn Iron Horse heeft zeven versnellingen plus een betrouwbaar stel handremmen. Wat heb ik mijn New Yorks ijzeren paard al gemist. Hier rijd ik rond op een loodzware, oude rammelkast die omslachtig met drie sloten moet worden beveiligd. Dit volgens de instructies van de eigenares, die zich nu al enkele weken op mijn fiets vermaakt in New York. Het duurde drie dagen voor ik haar zwarte ros durfde beklimmen. Intussen had ik de Amsterdamse fietsers met bewondering geobserveerd. Voor dit machtige leger van snelle, zelfzekere, behendige stadsguerrilla's leek ik een ongeschikte rekruut. Op mijn vertrouwde New Yorkse fiets zou het me niet afschrikken, maar me ertussen gooien op een logge Hollandse fiets met van die rare torpedoremmen, dat was een ander paar mouwen.

Mijn eerste tochtje: traag als een breekbaar bejaard dametje hou ik angstvallig uiterst rechts op het fietspad van de Ferdinand Bolstraat. Aan mijn linkerkant zoeft heel Amsterdam op twee wielen voorbij. Aan het rode licht vlak voor het ingewikkelde ronde punt van het Wetering-circuit valt mijn oog op een fietsmoeder met een baby in een draagzak voorop en een peuter achterop. Die ga ik volgen, denk ik, zij moet wel voorzichtig rijden. Maar voor ik goed en wel weer in het zadel zit als het licht op groen is gesprongen, ligt ook zij alweer een stuk voorop. Auto's en vrachtwagen toeteren. Een tram piept en pingelt nerveus. Een Duitse touringbus staat op het fietspad op de brug geparkeerd. Een bromfietser jaagt zijn motor op. Ik beland heelhuids in de onvriendelijke Vijzelstraat. Op een idyllisch bruggetje over de Keizersgracht gaat het bijna mis. Ik bots net niet op een fietser die in volle vaart vanachter een stilstaande vrachtwagen komt aangestormd. "Heb je geen remmen?" roept hij kwaad als ik bergaf rijdend een allervreemdst manoeuvre uithaal om hem te vermijden. Natuurlijk heb ik remmen. Ik heb alleen in een decennia-oude reflex mijn niet bestaande handremmen dichtgeknepen zonder eraan te denken achteruit te trappen.

Vandaag, drie en een halve week later, gaat het al een stuk beter. Even goed rijden als de Amsterdammers kan ik nog steeds niet. Ik troost me met de gedachte dat de meesten onder hen in New York evenzeer zouden moeten wennen. Met hun wij-zijn-de-koningen-van-de-weg-blik zouden ze ginder weinig indruk maken. Ze zouden er in de minderheid zijn tussen honderdduizenden chauffeurs die, in tegenstelling tot de meesten hier, zelf zelden of nooit fietsen. Maar wat een prachtig niet aflatend spektakel zijn ze hier toch. Yuppies in piekfijne pakken, chique opgemaakte dames met juwelen en al, kinderen klein en groot, kerels met zeemanskoppen en winddoorwoelde haren, jonge meisjes met wapperende sjaaltjes, verleidelijke vrouwen met welgevormde benen, en fitte, gezond blozende bejaarden. Iedereen die uit de voeten kan, lijkt wel te fietsen. Lachen, praten, een boterham eten, telefoneren, ruziemaken, twee honden tegelijk uitlaten, een schilderij verhuizen, zingen, handjes vasthouden: ik heb ze het allemaal al zien doen op de fiets. Zoenen sparen ze gelukkig voor tijdens het stilstaan bij de stoplichten en het ontmoeten en afscheid nemen op de bruggetjes, met de fietsen als kuisheidsgordels tussen de benen.

Nieuwe fietsen zijn hier zeldzaam. Iedereen lijkt rond te hossen op versleten paardjes die ritmisch reutelen, ratelen, kraken, knarsen en tsjirpen als een concert van atonale straatmuziek. Mooi ook zijn de vele, naar New Yorkse maatstaven spotgoedkope bloementuilen waarmee fietsers zich naar hun doel haasten. Hier piept een bos gele tulpen uit een versleten fietszak. Ginder deint een tuil blauwe irissen mee in een rugzakje. Daar klemt een jongen een boeketje witte rozen tussen de tanden terwijl hij, handen van het stuur, prutst aan zijn koptelefoon. Even mooi maar ook wat beangstigend voor een inwoner van New York, waar kinderen jonger dan twaalf verplicht zijn een fietshelm te dragen, zijn de knikkebollende baby's in draagzakken, wier hoofdjes enkel beschermd worden door de ondersteunende hand van de fietsende ouder.

Gisteren zag ik vanop een brug voor het Centraal Station een indrukwekkend monument voor de Amsterdamse fiets. Een boot van de vuilnisdienst was de bodem van de gracht aan het dreggen. Op het dek lag een druipende stapel van meer dan dertig bemodderde, verroeste, verwrongen fietsen. Vanop de kade keken hun vele honderden twee- en driemaal vastgeketende soortgenoten gelaten toe.

Jacqueline Goossens (even niet) vanuit New York