Rood zand, eindeloze vlakten en stenige woestijn, dat heb ik voor ogen als ik aan Australië denk. En strand, zon en surfers. Regenwoud? Dat lijkt meer iets voor Brazilië of Maleisië; met orchideeën, lianen, kolibries misschien, kikkers en zoemende insecten. En toch.
...

Rood zand, eindeloze vlakten en stenige woestijn, dat heb ik voor ogen als ik aan Australië denk. En strand, zon en surfers. Regenwoud? Dat lijkt meer iets voor Brazilië of Maleisië; met orchideeën, lianen, kolibries misschien, kikkers en zoemende insecten. En toch.Een grijze middag in Strahan, de westkust van Tasmanië, het hartvormig eiland onder Australië. De Cessna kreunt als hij zich vanop het gladde wateroppervlak van Macquarie Harbour de lucht inhijst met elf passagiers aan boord. We vliegen westwaarts en het stadje verdwijnt uit het gezicht. Van bovenaf is de baai een donkere spiegel die duistere geheimen verbergt in een onpeilbare diepte. In Macquarie Harbour werd dan ook een van de kwalijkste bladzijden uit de geschiedenis van Australië geschreven. We vliegen over Hells Gates, de poorten van de hel: een trechtervormige baai-ingang waar de oceaan als een stormram tegenaan beukt, waar zandbanken en zeestromingen het binnenvaren aartsmoeilijk maken. In het midden van de baai, op 30 km van de kust, ligt het minuscule Sarah Island. Een 200 jaar geleden was dit het eerste strafkamp op Van Diemen's Land zoals Tasmanië toen heette, en het allerergste van de Engelse strafkolonie die héél Australië was. Elf jaar heeft het kamp bestaan, lang genoeg om een reputatie van angst en terreur op te bouwen. Alleen al de locatie: "Van alle plekken die men voor een nederzetting in het gebied rond Macquarie Harbour had kunnen uitkiezen, was deze de winderigste en kaalste; zelfs drinkwater en brandhout moesten per boot van het vasteland komen. Maar het was ook de best beveiligde." ( Robert Hughes, De Fatale Kust) Ontsnappen was schier onmogelijk. Wie er toch in slaagde om dit eilandje te ontvluchten, was aangewezen op de wildernis van Tasmanië, waar de onaangepaste banneling reddeloos verloren was. De enkeling die het toch overleefde en de bewoonde wereld wist te bereiken, werd onbarmhartig naar Sarah Island teruggebracht en kreeg bovenop nóg een aantal jaren gevangenis aan zijn broek. De omstandigheden waren er erbarmelijk: het werk was hard en zwaar, er was zelden iets te eten, de gevangenen hadden nauwelijks kledij of dekens. Eigenlijk had dit strafkamp maar één reden van bestaan: de Huon pines. "Deze dennen bereikten een hoogte van 21 meter en een omvang van 4,5 meter. Sommige ervan waren jonge boompjes toen keizer Augustus nog een kind was. Huon-dennenhout was het beste ter wereld voor de scheepsbouw: elastisch, fijn van structuur, makkelijk te bewerken en zó tegen verrotting bestand dat er vandaag nog boomstammen van Huon-dennen langs de oevers van de Macquarie Harbour liggen die rond 1820 door gedetineerden zijn gekapt. (Robert Hughes) Vandaag ligt Sarah Island er vredig bij. Pogingen om gevangenisgebouwen te ontdekken, blijven vruchteloos. De erosie sleet ook de scherpe kanten van de geschiedenis af, en het land is opnieuw ingepalmd door groen. De Gordon River slingert zich als een zwart lint door het Gordon-Franklin Wild Rivers National Park. Rivier, bergen en woud, kilometers en kilometers ver. Regenwoud, want er valt gemiddeld 2400 mm neerslag per jaar, af en toe zelfs 3000 mm en meer. Dat is minstens dubbel zoveel als thuis: België krijgt jaarlijks amper 780 mm regen, en dan klagen wij al over vochtigheid. Vanuit de lucht is het woud een enorm tapijt, geknoopt uit talloze tinten groen, hard en ondoordringbaar: nergens vang je één glimp van de bodem op. Piloot Kevin zet het watervliegtuigje neer op de rivier, die daar net breed genoeg voor is. Buiten hoor je vooral stilte, het ruisen van de wind in bomen en struiken, en in de verte een gedempt geklater. Een pad van houten vlonders voert naar een waterval in het bos. Als dat pad er niet was, zou je je een weg moeten hakken door kluwens van takken, twijgen en omgevallen bomen, begroeid met mossen en varens. "Er zijn plaatsen op Tasmanië waar geen mens ooit een voet zette", beweert gids Stuart Lennox en het kost me geen moeite om dat te geloven. Ook het verhaal over de Tasmaanse tijger lijkt niet meer zo onwaarschijnlijk: officieel is de diersoort allang uitgestorven, sinds mensenheugenis heeft niemand er één gezien, maar diep verborgen in het woud zouden er nog veel van zulke tijgers leven. We maken kennis met Gary, die twintig jaar geleden deel uitmaakte van een groep milieuactivisten die zich hardnekkig verzette tegen het plan van de Tasmaanse overheid om een hydro-elektrische dam te bouwen op de Gordon River. De groep vreesde de teloorgang van het ongerepte regenwoud en wilde dat koste wat het kost behouden. Voor het eerst sinds die bewogen tijden keert Gary er terug. Voor het eerst ziet, hoort en ruikt hij waarvoor hij toen geijverd heeft. Hij is zichtbaar aangedaan en vertelt over de harde, lange strijd die begon toen in 1979 de aanlegplannen uitlekten. Het conflict tussen milieubeschermers en pro-dambouwers escaleerde tot een blokkade van de rivier. Het pleit werd pas beslecht toen dit stuk oerbos in 1989 in de World Heritage List van de Unesco werd opgenomen. Het is allemaal al tien jaar achter de rug, maar de zaak roept duidelijk nog steeds pijnlijke herinneringen op. Voor- en tegenstanders stonden lijnrecht tegenover elkaar, en de onenigheid sloeg zulke diepe wonden in de plaatselijke gemeenschap dat Tassies zelfs vandaag liever niet spreken over die periode. Op de terugvlucht naar Strahan kijk ik met andere ogen naar het woud: het is niet te geloven dat men dit schitterende gebied heeft willen opofferen."De beste manier om de natuur van Tasmanië te ontdekken, is te voet", zegt Stuart Lennox. De ervaren bergwandelaar neemt ons mee om het regenwoud vanuit een ander perspectief te bekijken. We staan in Cradle Valley, klaar om een stukje van het Cradle Mountain-Lake St Clair National Park te verkennen. Samen met het Gordon-Franklin Wild Rivers National Park en South-West National Park maakt het deel uit van de Tasmanian Wilderness World Heritage: in totaal 1,38 miljoen ha, bijna een vijfde van Tasmanië en groter dan Vlaanderen. Deze wildernis verbergt een schat aan geologische rijkdommen (de oudste rotsen zijn 1100 miljoen jaar oud), archeologische (40 grotten vertellen over de geschiedenis van de mens die hier zo'n 30.000 jaar geleden begon) en natuurhistorische. Het Tasmaans regenwoud is een cool temperature rainforest: behalve de enorme neerslag is het bergklimaat bepalend voor de opmerkelijke flora en fauna ervan. Het woud is oud, heel oud. Sommige bomen staan er sinds eeuwen. De Huon-den bijvoorbeeld kan wel 2000 jaar oud worden. Je hoeft niet zoveel fantasie te hebben om te beseffen dat allerlei dieren er hun toevlucht zoeken: vaak zeldzame soorten die enkel hier voorkomen of elders zijn uitgestorven. Het merkwaardigste beestje? De Platypus, oersymbool van Tasmanië, maar dat vogelbekdier laat zich uiterst zelden zien. Een opgezet exemplaar in een bezoekerscentrum moet ons troosten. Tot mijn verbazing is het bijna-mytische dier amper een halve meter lang. De wandeling rond Dove Lake, aan de voet van Cradle Mountain (1545 m) neemt een halve dag in beslag. We koesteren ons in het herfstzonnetje, genieten van de omgeving die doet denken aan die van een alpenmeer: een bergachtig landschap met struiken en bomen die zich hebben aangepast aan hoogte en koude. De opvallendste boom is de Myrtle Beech ( Nothafagus cunninghamii): de oranjerode blaadjes zetten de hellingen in een warme gloed. Hier en daar wordt het kleurenpalet onderbroken door een toets geel van een verkleurende Nothafagus gunnii. En natuurlijk zijn er talrijke gombomen - op Tasmanië alleen al zijn er 27 soorten eucalyptus. Verder geven vooral de palmachtige Pandanis en boomvarens een exotische aanblik. Wat mij het meest fascineert, zijn de tientallen soorten mos en korstmos in kleuren van grijs tot oranje, en met de meest vreemde vormen. De zon zakt. Nog even en ze verdwijnt achter de bergtoppen. Ik schrik op van een gesnuffel vlakbij. Het zijn drie kleine kangoeroes, ze onderzoeken mijn rugzak. " Pademelons", zegt Stuart. "Wallaby's. Ze ruiken dat er iets eetbaars in je tas zit." Ze zijn net zo nieuwsgierig als de twee possums (buideldieren met een grijpstaart) die mij gisteren bijna een hartaanval bezorgden: toen ik de deur van mijn cabin sloot, stonden ze mij vanop één meter aandachtig te bekijken. Zijn ze dan niet bang voor mensen? "Op sommige plaatsen krijgen ze voedsel", zegt Stuart zuinigjes. Je merkt het aan zijn intonatie: dit hoort niet. De overheid stelt alles in het werk om een einde te maken aan deze prakrijk, maar de gewoonte is hardnekkig, omdat het een simpele manier is om toeristen enkele van die schuwe beesten te tonen. Het is een bekend dilemma: waar trek je de grens tussen conservation en recreation? Hoe vind je een gezond evenwicht? In Tasmanië staat het hele gebied open; sommige delen zijn extra toegankelijk gemaakt. Dat is een voorwaarde om een World Heritage Area te worden: zoveel mogelijk mensen de gelegenheid bieden om er kennis mee te maken. Er zijn bezoekerscentra in de Tasmaanse wildernis, met aangelegde paden en uitgestippelde wandelwegen. In Cradle Valley bijvoorbeeld begint The Overland Track: de bekendste trekking van West-Tasmanië voert je in 8 of 9 dagen naar Cynthia Bay aan Lake St Clair. Dwars door het natuurpark, over bergen en dalen, met kamperen onderweg. "Het is best dat je geoefend bent vooraleer je zo'n meerdaagse trekking aanvat", meent Stuart. "Onervaren wandelaars beginnen beter met dagtochten." En overal geldt: vóór je vertrekt, noteer je in het wandelboek waar je naartoe gaat en met hoeveel mensen. Aan het eind van de tocht schrijf je jezelf uit: zo weten de park rangers wanneer, waar en hoeveel verdwaalde wandelaars ze moeten zoeken. Je kan ook afwijken van de platgetreden paden: een stuk avontuurlijker en spannender, al wordt aangeraden om zo'n expeditie enkel te ondernemen als je ervaring hebt, en liefst met deskundige begeleiding. Balina, in het noorden van New South Wales. In de aankomsthal van de luchthaven staat Paul ons op te wachten. Hij is een man van weinig woorden, hij spreekt een zangerig Australisch-Engels en brengt ons regelrecht naar de Terania Creek Picnic Area. Na een lange ochtend in luchthavens en vliegtuigen is het groen van het Nightcap National Park een verademing. Bovendien staat ons een verrassende verwelkoming te wachten: een uitgebreide lunch met Australische hapjes. Een broodje met kangoeroevlees, grote garnalen met een dipsausje van bush-kruiden... Wij zijn niet de enigen die het heerlijk vinden. Als iemand van het gezelschap achteloos een garnaal op een vork geprikt omhooghoudt, duikt er plots een vogel omlaag en gapt in volle vlucht de lekkernij mee. Even later weerklinkt het typische geschater van de vogel: hij heeft misschien een garnaal gestolen, maar zeker niet zijn naam: laughing kookaburra. Boven ons pakken dreigende wolken samen. Kunnen we het bos nog in, vóór de bui losbarst? Volgens Paul wel. Het duurt even voor mijn ogen gewend zijn aan de donkerte onder het dichte bladerdak. Ook al regent het nog niet, onder het dicht gebladerte is het nat. Van de hoge bomen drupt vocht en het stenen pad is glad en glibberig. Het regenwoud van New South Wales is subtropisch: duister, vochtig, planten en varens met grote bladeren, het bos wordt gedomineerd door eucalyptus. Heel anders dan het Tasmaans regenwoud. "Een walking stick palm", toont gids Paul. "Die heet zo omdat de Britten er vroeger wandelstokken van maakten. Ideaal: kaarsrechte stam, de bobbel onderaan is zeer geschikt als handknop." Verderop wijst hij op een enorme boom, die helemaal in de greep is van een strangler fig: de luchtwortels van de wurgvijg zullen de gastboom uiteindelijk verstikken. Soms blijft er niets van over, afgezien van een holte tussen de wortels van de vijg. Paul maant tot voorzichtigheid, leidt ons met een boog omheen een slapende python. Met die bruingevlekte tekening is het serpent nauwelijks zichtbaar tussen de dode bladeren op de bodem. Plots valt de regen met bakken uit de hemel en daalt de temperatuur gevoelig. Het zou té mooi zijn: een regenwoud bezoeken zonder een plensbui. Maar de bui blijft hangen en houdt ons voor de rest van de dag gezelschap. Jammer, want we hebben maar drie dagen in New South Wales.Ook dit regenwoud staat als Central Eastern Rainforest Reserves op de lijst van het Erfgoed van de Mensheid van de Unesco. In totaal gaat het om meer dan 50 beschermde gebieden - nationale parken, natuurreservaten en recreatiegebieden - met een totale oppervlakte van 366.455 ha, op de grens tussen New South Wales en Queensland. Geen aaneengesloten woud zoals in Tasmanië, wel een grote regio vol verschillende kleinere natuurparels, zoals het Nightcap National Park, Mount Warning National Park en het Border Ranges National Park. De laatste ochtend klatert de Crystal Creek en straalt de zon. Deze keer is het Ralph die ons mee op wandel neemt. Crystal Creek Resort ligt niet ín een natuurpark of -reservaat, maar het grenst eraan. Ralph en zijn echtgenote Judy willen dit woud beschermen. Voor de bungalows werden zo weinig mogelijk bomen verwijderd, zodat je het gevoel krijgt ín de natuur te verblijven. "Pak vooral je voeten goed in", waarschuwt Ralph vóór het vertrek. "Als je tenminste niet opgegeten wil worden door muggen en bloedzuigers." Het is er vochtig warm. Af en toe zak ik weg in natte aarde bedekt met bladeren en dode takjes. Zoals het licht gefilterd wordt, zo gedempt klinken ook de geluiden. Alsof je rondwandelt in een droom, maar dan wel één die veel te kort is want na anderhalf uur stappen, zit de wandeling erop. "Kijk", wijst Ralph op mijn schoenen, waar een viertal bloedzuigertjes zich voortbewegen. "Hier kom ik terug", neem ik me heilig voor, terwijl ik het ongedierte van mijn sokken pluk. openingspaginaHilde Verbiest