Jammer voor wie het gemist heeft. Tot 7 augustus klonken Tonen van de Zomer in het Thor Park bij de mijn van Waterschei. De openluchttentoonstelling Harmonic Fields, een wonderlijk orkest van vijfhonderd blaas-, snaar- en percussie-instrumenten die door de wind bespeeld werden. De bezoekers slalomden tussen bamboefluiten, rustten uit in ligstoelen die door cello's omringd waren en volgden routes van snaren. De instrumenten werden elke avond platgelegd, want de natuur moest zoveel mogelijk ontzien worden. Naar 't schijnt krioelt het er van reeën en reetjes, en geen mens weet hoe die op die exotische geluiden reageren. Zeker niet als de symfonie van gefluit, gezoem en tingeltangel 24 uur op 24 zou aanhouden.
...

Jammer voor wie het gemist heeft. Tot 7 augustus klonken Tonen van de Zomer in het Thor Park bij de mijn van Waterschei. De openluchttentoonstelling Harmonic Fields, een wonderlijk orkest van vijfhonderd blaas-, snaar- en percussie-instrumenten die door de wind bespeeld werden. De bezoekers slalomden tussen bamboefluiten, rustten uit in ligstoelen die door cello's omringd waren en volgden routes van snaren. De instrumenten werden elke avond platgelegd, want de natuur moest zoveel mogelijk ontzien worden. Naar 't schijnt krioelt het er van reeën en reetjes, en geen mens weet hoe die op die exotische geluiden reageren. Zeker niet als de symfonie van gefluit, gezoem en tingeltangel 24 uur op 24 zou aanhouden. Zoals het Thor Park moet vroeger de hele streek van Genk geweest zijn. Ongerept en leeg, plat als een dubbeltje. Gedurende eeuwen was Genk een onbeduidend Kempens dorp, zonder centrum, maar met hier en daar een gehucht. Door de droge, zanderige grond was de streek niet geschikt voor landbouw. Wel lokten de schoonheid en verlatenheid landschapschilders : heide, brem en berken, lemen huisjes met strodaken, vennen en moerassen, alles werd naarstig getekend en kunstig gepenseeld. Er ontstond zelfs een schooltje, dat van Brusselse kunstschilder Emile Van Doren (1865-1949) die er ging wonen en de gevleugelde woorden sprak : "Genk is geschapen om geschilderd te worden." Maar dat was buiten André Dumont gerekend, die in de nacht van 1 op 2 augustus in 1901 steenkool ontdekte in de diepe ondergrond van Winterslag. En dat kwam goed uit. De Belgische ijzer- en staalproductie draaide op volle toeren en groeide spectaculair. De hoogovens verslonden zoveel cokeskolen dat de mijnbekkens van Wallonië, Nederland en Duitsland de vraag niet konden bijbenen. Proefboringen leidden naar de Limburgse steenkoollagen, minstens vijfhonderd meter onder de grond. Er ontstond een internationale stormloop naar een van de grootste natuurgebieden van Vlaanderen : de Limburgse heide. En zo begon de razendsnelle ontwikkeling van Genk, met drie mijnzetels : Winterslag, Waterschei en Zwartberg. Winterslag was in 1917 de eerste Limburgse steenkoolmijn die in productie ging. In de jaren die daaraan voorafgingen, werden besteed aan voorzieningen die nodig waren om de mijnen te ontginnen. Nog voor de Eerste Wereldoorlog schoten de eerste woningen als paddenstoelen uit de grond. Met uitzonderlijk veel luxe voor die tijd : ook de werkmanshuizen hadden stromend water en elektriciteit. Vooral mijndirecteur Evence Coppée wilde comfortabele en hygiënische woningen voor zijn arbeiders, bedienden en ingenieurs. En hij wilde die hiërarchie ook weerspiegeld zien in de architectuur. Het tuinwijkmodel was dé ideale woonformule rond de Eerste Wereldoorlog. Zo werd er in Genk gebouwd : uitgestrekte tuinwijken, er was toch plaats genoeg. Lichte, ruime huizen met voor- en achtertuinen, veel pleinen, bomen, groen, ook alweer om het sombere van de kolenindustrie te verdoezelen én om het iedereen naar de zin te maken. In vijftien jaar tijd kwamen er in Genk twintig- tot dertigduizend inwoners bij, want er waren niet genoeg Limburgers om in en voor de mijnen te werken. Buitenlanders werden geronseld en naar Limburg gelokt alsof dit het land van melk en honing was. Nu, dat wás het ook wel, want in elk van de drie mijnsites werden kerken en scholen uit grond gestampt. De jongens werden opgeleid tot goede, verstandige mijnwerkers die konden rekenen en schrijven. De meisjes werden tot perfecte mijnwerkersvrouwen opgekweekt : eerst lagere school, dan huishoudschool. Er ontstonden drie dorpen met allerlei sociale, culturele en recreatieve voorzieningen : kinderheil, kleuterscholen, ziekenhuizen, cinema's, casino's, muziekscholen en sportaccommodatie. Eerst werden vooral Italianen en Spanjaarden naar dit landje van belofte gelokt. Tot de mijnramp van 1956 in Marcinelle, ten zuiden van Charleroi, de grootste mijnramp in België. Toen brak er een ondergrondse brand uit en zaten de mijnwerkers als ratten in de val : 262 mannen van twaalf nationaliteiten kwam om het leven, onder wie 136 Italianen. Daardoor viel de immigratie uit Italië stil en werden er elders gastarbeiders gezocht, in Griekenland bijvoorbeeld, en later ook in Marokko en Turkije. Nu telt Genk 65.000 inwoners van bijna honderd nationaliteiten. Dat levert een bonte en kleurrijke samenleving op met Turkse supermarkten en Italiaanse eethuisjes in de zuiders getinte Vennestraat, de drukste handelsstraat van Winterslag. 65.000 inwoners is nauwelijks meer dan de helft van de verwachte 120.000, maar de aangroei hield op met de sluiting van de mijnen. Al bij al heeft de steenkoolnijverheid in Limburg niet zo lang geduurd. Tussen 1917 tot 1992 waren er zeven mijnzetels actief in Limburg, waarvan drie in Genk. Zwartberg ging als eerste dicht, in 1966. Niet zonder slag of stoot : tijdens de rellen met woeste mijnwerkers vielen er slachtoffers : negen politiekogels doodden twee mensen en maakten twee anderen levenslang arbeidsongeschikt. De regering besloot dat de mijnnijverheid beschermd moest worden : de eerste twintig jaar mocht geen enkele koolmijn gesloten worden. In Zwartberg is van de mijngebouwen niets overgebleven, ze werden vakkundig gesloopt. De tuinwijk staat er nog wel, en één herdenkingsmonumentje. Gelukkig is het in Winterslag en Waterschei anders verlopen. Daar werd de productie respectievelijk stilgelegd in 1986 en '87. De laatste Kempense mijn, die van Zolder, sloot in '92. Er zat nog steenkool in de ondergrond, maar de exploitatie was te duur geworden. De Kempense Steenkoolmijnen (KS) leden in de jaren tachtig een verlies van vierhonderd miljoen euro. Per jaar, welteverstaan. Eind '86 riepen de politici de hulp in van Thyl Gheyselinck, de omstreden crisismanager. Van de regering-Martens VI kreeg hij carte blanche om de Limburgse mijnen 'sociaal verantwoord' te sluiten en de economische reconversie uit te bouwen. Brussel gaf hem een enveloppe van bijna 2,5 miljard euro om de ontslagvergoedingen van de mijnwerkers te betalen, verliezen op te vangen, en een economische wederopstanding tot stand te brengen. Gheyselinck koos voor de korte pijn : in vijf jaar was de klus geklaard en waren álle Kempense Steenkoolmijnen dicht. Meer dan tienduizend werklozen. En ooit waren er 44.000 mijnwerkers geweest. Toch was het een goede zet : er bleef veel geld over. Want er was niet alleen die enveloppe van 2,5 miljard, Vlaanderen droeg een flinke steen bij en vooral het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling deed een aardige duit in het zakje. "De LRM (Limburgse Reconversie Maatschappij) heeft het geld goed en zeer verstandig besteed", zegt Kathleen Monard, die toegepaste economie studeerde en sinds 2005 voor de stad Genk werkt, van toen er volop plannen gemaakt werden. Nu is ze afdelingshoofd toerisme en evenementen van Genk. "Thyl Gheyselinck wou méér dan alleen een economische omschakeling. Hij zette vooral in op mensen. Hij vond dat het niet volstond dat papa ander werk had om van een echte reconversie te spreken. Papa's kinderen moesten een fatsoenlijke opleiding krijgen om de toekomst veilig te stellen. De universiteit van Hasselt werd uitgebreid, en ook de lagere en middelbare scholen zijn er wel bij gevaren." Bij de sluiting van de mijnen zag Limburg de toekomst somber in. Het herstel was allesbehalve glorieus. Maar na 25 jaar bleek het vlot verteerd. De sluiting van de mijnen had de provincie zichtbaar deugd gedaan : de streek was opgeknapt en opgefleurd, en blaakte van zelfvertrouwen. "We hadden het geluk dat we in die periode niet in een recessie zaten", zegt Kathleen Monard. "We konden terugvallen op een sterke economische conjunctuur. Er was geld voor een omschakeling, en wij stonden klaar om nieuwe bedrijven naar Genk te halen : Ford, Arcelor en allerlei nieuwe toeleveringsbedrijven namen die werkloze mijnwerkers in dienst. Maar nu, met het verlies van Ford Genk, zijn er nog maar eens tienduizenden banen verdwenen. Ik probeer het optimistisch te bekijken. Elke crisis brengt nieuwe uitdagingen en kansen met zich mee. Hoewel ... Deze groep werklozen bestaat vooral uit vijftigers. Die help je niet zo makkelijk aan een andere baan." Terug naar de tijd van de mijnsluitingen, toen er nog geen sprake was van de Vlaamse regering die in juli 2013 nog maar eens 81 miljoen uittrekt na de sluiting van Ford Genk, boven op de 65 miljoen euro die Europa bijdraagt aan investeringen in groeisectoren als onderwijs, toerisme en vrijetijdsindustrie. Onder meer door een nieuwe recreatiecomplex op de oude mijnterreinen van Beringen, een groot bungalowpark in Eisden, en de nieuwe uitbouw van een technologiecampus voor bedrijven en opleidingsinstellingen op het mijnterrein van Waterschei in Genk. Aan dat laatste wordt al volop gebouwd, in samenwerking met de KULeuven. "Nu C-Mine zo goed als klaar is, beginnen ze het Thor Park op het mijnterrein van Waterschei te renoveren." "Na de sluiting van de mijnen gebeurde een hele tijd niets. Eigenlijk was dat een geluk, want daardoor bleven er veel gebouwen staan. Uiteindelijk heeft de stad Genk beslist om de gronden en de bouwvallige panden te kopen, en er kwam een denkproces op gang : wie wil meedoen en waaraan ? Om te beginnen : wat doen we met de mijngebouwen ? In Zwartberg en ook in Nederland zijn ze meteen afgebroken nadat de productie was stilgelegd. Daar is er niets meer van over. Dat wilden wij voorkomen. Het terrein van Winterslag is beschermd sinds 1993 en werd C-Mine. In 2001 startten de werken voor de metamorfose. Men stond voor belangrijke infrastructurele ingrepen : het prachtige en indrukwekkende industriële mijnerfgoed moest met respect voor het verleden een nieuwe taak krijgen, én getransformeerd worden. Op de oude mijnsite van Winterslag zijn nu elf van de oorspronkelijke 45 gebouwen beschermd monument. De andere zijn gesloopt", zegt Kathleen Monard. "Daardoor ontstond er een gigantisch plein, dat makkelijk tienduizend man aankan. Er zijn plannen voor een muziekfestival, maar dat staat nog niet op punt. En er kwam ook plaats voor nieuwe initiatieven, zoals de MAD-Faculty. De KHLim (katholieke hogeschool van Limburg) en de PHL (provinciale hogeschool Limburg) wilden iets doen met Media, Arts en Design. Daarom koos de MAD-Faculty, een departement van die hogescholen, voor een nieuwe stek op C-Mine om er opleidingen in productdesign, audiovisueel design en beelden kunsten te organiseren." "Van die elf resterende monumenten is soms enkel de gevel beschermd, maar ook interieurs en machines staan op de lijst van belangrijk industrieel erfgoed. Dat is natuurlijk mooi, maar ook heel moeilijk. In beschermde monumenten mag niet veel", zegt Kathleen Monard. "Op C-Mine was de Euroscoop in 2005 als eerste open met tien filmzalen. In dat gebouw lagen vroeger de lampisterij, waar de mijnwerkers hun lampen ophaalden voor ze afdaalden in de ondergrond ; en de badzalen, waar ze konden douchen als hun shift erop zat. Daarvan waren alleen de gevels beschermd, binnenin kon Euroscoop alles naar eigen goeddunken inrichten. Bij de bioscopen horen ook een café en een restaurant, een binnenspeeltuin voor kinderen en een sportcomplex." Ook van het oude magazijn is alleen de buitenkant beschermd. Daarin huist sinds 2011 Pieter Stockmans, de porseleindesigner die wereldwijd bekend is om zijn stockmansblauw. Hij heeft er zijn woning, studio, atelier en een ruimte die geschikt is voor recepties en feesten met 250 man. Het moeilijkst was het energiegebouw, want daarvan is ook het interieur beschermd. Ten tijde van de steenkoolproductie wilde men daar de optimale werking onder de grond garanderen, met onder meer machines die aandrijfkracht, perslucht en verse lucht produceerden. Al die machines zijn nog in hun volle glorie te bewonderen. Maar het gebouw kreeg tal van nieuwe functies : toeristisch onthaal, twee theaterzalen, een designcentrum, een foyer waar duizend man in kan, een expositieruimte van 450 vierkante meter, zaaltjes voor lezingen, een café-restaurant Brasserie Basics, waar de industriële sfeer intact bleef en veel meer. "Het is veel makkelijker en goedkoper om een nieuw cultuurcentrum te bouwen dan een oud te vernieuwen", zegt Kathleen Monard. "De stad Genk heeft een wedstrijd uitgeschreven, en die werd gewonnen door architectenbureau 51N4E. Die heet zo naar de ligging ervan in Brussel, op die lengte- en breedtegraad." Vandaag wordt nog steeds gewerkt aan het oude directiegebouw van Winterslag. Daarin komt binnenkort C-Mine Crib. Crib : het Engelse woord voor voederbak. Dat moet dé voedingsbodem worden voor creatievelingen. Wie zei ook weer dat je maar beter naar Limburg verhuist als de wereld vergaat, omdat ze daar vijftig jaar achterlopen ? Daar komt verandering in, want Limburg is booming business. Met Bokrijk, Racing Genk en C-Mine gaat het in stijgende lijn. In één jaar tijd verdrievoudigde het aantal bezoekers tot één miljoen. Zou de Heilige Barbara, patroonheilige van de mijnwerkers, die nog steeds elk jaar op vier december actief gevierd wordt met stoeten en fanfares, daar de hand in hebben ? IN DE TENTOONSTELLINGSRUIMTE VAN HET THOR PARK OP WATERSCHEI LOOPT TOT 8 SEPTEMBER 'HEROES OF LABOUR', METERSHOGE PORTRETTEN VAN HONDERD OEKRAÏENSE MIJNWERKERS, IN 2011 GEFOTOGRAFEERD DOOR DE RUSSISCHE GLEB KOSORUKOV. WWW.C-MINECULTUURCENTRUM.BE DOOR GRIET SCHRAUWEN & FOTO'S DIEGO FRANSSENS