Cathy, vandaag loopt mijn zestien weken durende veldtocht door de Provence ten einde, een avontuur gekruid met opwindende tochten naar halfvergeten gehuchten, wandelingen in verlaten bossen, ontmoetingen met burgers en buitenlui in kloosters en op terrassen. Dankzij jouw contacten en je gastvrijheid kreeg ik de gelegenheid om binnen te kijken in verscholen tuinen en achter afgebladderde gevels.
...

Cathy, vandaag loopt mijn zestien weken durende veldtocht door de Provence ten einde, een avontuur gekruid met opwindende tochten naar halfvergeten gehuchten, wandelingen in verlaten bossen, ontmoetingen met burgers en buitenlui in kloosters en op terrassen. Dankzij jouw contacten en je gastvrijheid kreeg ik de gelegenheid om binnen te kijken in verscholen tuinen en achter afgebladderde gevels. Maar boven alles heb ik me in dit paradijselijke stukje van de Lubéron snel thuis gevoeld. Het dorp, dat gedurende meer dan vijf eeuwen een pauselijke enclave was, heeft me gekoesterd en beschermd. En in die korte tijd hebben velen hier voor troost en warmte gezorgd : tuinier en duivel-doet-al Claude die onvermoeibaar de tuin en het huis weet te pamperen, bakker Bernard die elke dag met zijn lading croissants, baguettes en fouguasses ook de kranten meebracht, kastelein Jacques van café Clérici die in zijn vrije tijd een Ford T rijdt en die speciaal voor mij het teveel aan ajuin weer van zijn pizza's heeft gehaald, boetiekuitbaatster Perdita, Zuid-Afrikaans van oorsprong die bij het horen van mijn moedertaal spontaan in het Afrikaans het lied van Piet Pierewiet aanhief. Ik heb hier vaak 's avonds door straten en steegjes gezworven, van het twaalfde-eeuwse romaanse kerkje naar de wonderlijke Jardin de la Louve, die iets meer dan twintig jaar geleden door Nicole de Vésian, styliste bij Hermès, achter schouderhoge muren weer tot leven is gebracht. Van het domein La Canorgue, waar sinds de Romeinse tijd het bronwater via ondergrondse kanalen wordt aangevoerd en ik mijn biowijn ga kopen, naar het klooster van Ô, waar Louise Bourgeois in haar onnavolgbare stijl de kapel met haar creaties heeft gevuld. Wie door het dorp rijdt, krijgt de verborgen rijkdommen niet meteen in de gaten en het is misschien beter zo. Omdat intimiteit zich moet verdienen, en daar is tijd voor nodig. Na zestienduizend kilometer met de tgv heb ik het gevoel dat ik nog maar aan het begin van die ontdekkingstocht sta : er zijn zoveel schitterende oude deuren die een schat aan onverkende interieurs verbergen. Zo ben ik nog nooit in het statige, achttiende-eeuwse Hotel Rigord de Bruges geweest, met zijn fascinerende oeils-de-boeuf en zijn heiligenbeelden. Evenmin heb ik de Prieuré Saint-Symphorien bezocht, die ooit door Roger Vadim gekocht werd om aan Jane Fonda als huwelijksgeschenk te offreren, en waarvan de 38 meter hoge campanile een Italiaans aandoende elegantie vertoont. Dat komt omdat ik niet gehaast was en niet wilde pushen. Want met haast en pushen kom je er hier niet. Erger nog : haast verraadt een noordelijke afkomst, en dat is geen voordeel. Maar ik heb intussen wel beseft dat ik lang niet de enige ontdekker van dit kleinood ben. Anderen zijn me voorgegaan, en niet de minsten : voormalig cultuurminister Jacques Lang bezit hier al lang een buitenverblijf, Roman Polanski drinkt soms een ochtendkoffie op het terras van Café Clerici en vorige week stond ik bij de kruidenier nog achter een ontspannen John Malkovich aan te schuiven. En misschien heb ik nog niet alles willen ontdekken. Want ik wil naar Bonnieux terugkeren, en sneller dan je vermoedt, Een kus en vele knuffels,