Toen ik zijn naam voor het eerst hoorde, dacht ook ik dat het Paul in plaats van Poul was. Bovendien verwarde ik hem soms met de beroemde lampendesigner Poul Henningsen. Gelukkig verschenen er intussen enkele naslagwerken over Scandinavische ontwerpers die al deze namen duidelijker situeren. Zoals de bijbel Scandinavian design van uitgeverij Taschen : een aanrader. Hoewel Kjaerholm hierin vrij veel aandacht krijgt, was hij in ons land vroeger niet zo bekend - zijn meubels werden maar door een handvol interieurzaken verkocht -, maar daar komt nu dus verandering in.
...

Toen ik zijn naam voor het eerst hoorde, dacht ook ik dat het Paul in plaats van Poul was. Bovendien verwarde ik hem soms met de beroemde lampendesigner Poul Henningsen. Gelukkig verschenen er intussen enkele naslagwerken over Scandinavische ontwerpers die al deze namen duidelijker situeren. Zoals de bijbel Scandinavian design van uitgeverij Taschen : een aanrader. Hoewel Kjaerholm hierin vrij veel aandacht krijgt, was hij in ons land vroeger niet zo bekend - zijn meubels werden maar door een handvol interieurzaken verkocht -, maar daar komt nu dus verandering in. Het levensverhaal van Poul Kjaerholm (1929-1980) begon in alle bescheidenheid, want voor hij de studies van meubelmaker aanving, was hij gewoon timmerman. Van 1949 tot 1951 volgde hij aan de kunstschool van Kopenhagen een opleiding als ebenist en meubelontwerper. Hij kreeg er les van Jørn Utzon, de architect van de wereldberoemde opera van Sydney. Die merkte als een van de eersten het talent van de jonge Poul op. Kjaerholm was geen tekentafeldesigner, maar een ambachtsman die graag zelf in het atelier werkte. Bovendien streefde hij er niet naar om een vermaarde kunstenaar te worden, maar een degelijke vakman. In zijn jonge jaren onderging hij ook de invloed van een andere bekende Deense meubelmaker : Hans Wegner, van wie hij eveneens les kreeg op de kunstschool. Wegner brak toen internationaal door en kon de hulp van Kjaerholm best gebruiken in zijn eigen atelier. Ze werkten een tijdje samen. Dit verklaart meteen waarom zijn eerste ontwerpen duidelijk door Wegner zijn beïnvloed. De vroege jaren vijftig waren van betekenis voor Kjaerholms stijl, omdat hij toen de prototypes ontwikkelde van zijn later beroemd geworden klassiekers. Zoals de PK 25, vervaardigd van geplooid staal en met een zitting van geknoopt touw. Deze lounge chair had meteen succes. Hij werd in 1952 tentoongesteld in het Deense Designmuseum en trok de aandacht van de directeur van de vermaarde meubelproducent Fritz Hansen. Het bedrijf huurde Kjaerholm een tijdje in om met materialen te experimenteren en bracht de PK 25 in beperkte productie. Zijn carrière was opgestart. Kjaerholm legde zich voor Hansen toe op de aanmaak van plywood, en werkte ondertussen voort aan de PK 25. Er ontstond zelfs een versie van in plywood. Kjaerholm ging ook materialen combineren, in één meubel verwerkte hij leder, staal en steen. Hij maakte zich geleidelijk los van de invloed van Wegner en sloeg een eigen weg in. Net als Jørn Utzon ging hij zich inspireren op natuurlijke vormen. Zo ontstond de PK 0, een stoel in de vorm van een blad, gemaakt van twee stukken plywood. Het prototype is schatplichtig aan de stoelen van Charles en Ray Eames, maar anders van constructie. De stoel werd pas in 1997 door Fritz Hansen op de markt gebracht. In de eerste helft van de jaren vijftig legde Kjaerholm zich toe op enkele interieurprojecten. Zo nam zijn belangstelling voor de architectuur toe. Hij raakte in de ban van de Nederlandse bouwmeester Gerrit Rietveld, die in 1918 de wereld choqueerde met de abstracte Rood-blauwe stoel. Kjaerholm bewonderde ook zijn Zigzagstoel uit 1932, gemaakt van vier houten plankjes. Beiden begonnen trouwens hun carrière ooit als bescheiden schrijnwerkers. Net als Rietveld droomde Kjaerholm van industriële massaproductie. Voor fabrikant Chris Sørensen ontwierp hij in 1953 een kleine stapelstoel met een aluminium zitvlak rustend op slechts één poot. Dit experiment kwam echter niet op de markt, maar werd wel veelvuldig gepubliceerd en bezorgde hem extra naambekendheid in het buitenland. De vierpotige versie werd een tijdje door Sørensen geproduceerd, maar hun samenwerking werd in 1955 verbroken. Vervolgens ging Kjaerholm zich toeleggen op tuinstoelen en picknickmeubilair voor langs de autoweg. Ook van dit project kwam er uiteindelijk niets in huis. Dankzij zijn oud-leraar Hans Wegner kwam Kjaerholm dan in 1955 in contact met producent Kold Christensen, met wie het wel zou klikken. Beiden deelden immers een passie voor vernieuwing. Christensen fabriceerde niet zelf, hij liet de onderdelen van de meubels door verschillende bedrijven maken en assembleren. De samenwerking was vruchtbaar en leidde tot de productie van enkele succesnummers, zoals de PK 41-tafel en de lounge chair PK 22. Deze stalen fauteuil bekleed met canvas of leder is nog steeds erg in trek. Er hoort een prachtige salontafel bij, de PK 61, met een asymmetrisch stalen frame. Kjaerholm hanteerde een klare lijn door het gebruik van fijne metalen structuren die het meubilair transparant en licht maken. Dit werd mogelijk gemaakt door metalen Allenschroeven, die hij duidelijk zichtbaar liet. Zijn voorliefde voor het tonen van deze technische details herinnert aan zijn verleden als ebenist. Bij traditioneel vergaarde houten meubels zijn de pen-en-gatverbindingen immers eveneens zichtbaar. Hij liet de metalen onderdelen dus nooit aan elkaar lassen. Met deze vergaartechnieken perfectioneerde hij ook de PK 55-tafel en de bijbehorende stoel P11. In 1960 ging hij een stapje verder met nog een specialer ontwerp, de PK 9, een stoel met drie stalen poten waarvan de zit van glasvezel is overtrokken met leder. Een combinatie van materialen waar hij ook later gretig gebruik van bleef maken. Vooral verchroomd staal genoot zijn voorkeur. "Niet alleen omdat je er vormelijk van alles mee kunt doen, maar ik hou ook van de wijze waarop het licht zich weerkaatst op het staal. Voor mij is staal artistiek aangezien het minstens zo boeiend is als hout", verklaarde Kjaerholm. Eind jaren vijftig en zestig beleefde Kjaerholm zijn grote doorbraak. In 1957 en 1960 ontving hij de grote prijs op de designtriënnale van Milaan. In 1965 schonk Denemarken zijn meubels voor de inrichting van het John F. Kennedy Center for the Performing Arts in Washington. Daarvoor herwerkte hij een oudere sofa tot de PK 26, met een zitplaat van geplooid laminaat. In 1971 vloeide daaruit een nieuwe versie voort, de PK 27, met poten van plywood. In de loop van de jaren zestig en zeventig breidde hij zijn collectie niet zozeer uit met nieuwe vormen, maar met nieuwe uitvoeringen. Van de bestaande modellen kwamen er versies op de markt van hout, staal en met zittingen van canvas, leder of rotan. In tegenstelling tot zijn grote voorbeelden Charles en Ray Eames, die resoluut kozen voor de machinale massaproductie, zwoer Kjaerholm bij een kleinschalige fabricage. Bovendien koos hij voor een gedeeltelijk ambachtelijke en manuele afwerking : "Mijn meubels zijn voor vijftig procent met de hand gemaakt en voor vijftig procent van industriële makelij. Hier in Denemarken accepteren we niet dat meubels voor honderd procent industrieel worden geproduceerd." Poul Kjaerholm wordt beschouwd als de belangrijkste figuur van de Deense designbeweging die de naam skønvirke draagt, wat letterlijk vertaald 'schoonwerk' betekent. Je merkt deze voorliefde voor artisanale details ook bij Finn Juhl en Hans Wegner. Een typisch Deense kwaliteit dus. Echte verzamelaars van vintagedesign verkiezen daarom vaak de Deense ontwerpers boven de Zweedse, precies omwille van dit soort ambachtelijke perfectie. Later legde hij nog meer nadruk op de ambachtelijke detaillering door sommige stoelen van prachtig geweven zittingen van rotan te voorzien. Daarvan is de elegante ligzetel PK 24 uit 1965 een mooi voorbeeld. Maar ook het leder werd steeds meer verzorgd, met fijn stikwerk of Chesterfieldknopen. Deze laatste techniek leidde in 1957 onder meer tot de creatie van het lederen dagbed PK 80, waarvoor momenteel grote belangstelling bestaat. Vergeleken met een Verner Panton was Poul Kjaerholm geen revolutionaire vernieuwer. Zijn ontwerpen zijn nooit choquerend. Meer nog, hij putte zelfs vrij veel inspiratie uit historisch meubilair of herwerkte modellen van andere ontwerpers. De ligzetel PK 24 lijkt goed op de chaise longue van Le Corbusier. En het dagbed PK 80 is een moderne vertaling van een voorbeeld uit het oude Egypte. Daarmee willen we geen afbreuk doen aan het creatieve vernuft van de ontwerper. Hij hield ervan om oude ontwerpen vormelijk en technisch steeds meer te verfijnen. Zo is de gracieuze plooistoel PK 91 uit 1961, tegenwoordig ook een cultobject, een herwerking van een tien jaar ouder ontwerp. Hoewel Kjaerholm dus niet de meest avant-gardistische ontwerper was, zijn zijn meubels toch designklassiekers geworden die goed passen in hedendaagse interieurs. Hij concentreerde zich op zitmeubilair, maar ontwierp ook modules voor boekenkasten, de schitterende paravent PK 111, en tal van salontafels met marmeren bladen. Dat Poul Kjaerholm zichzelf liever een furniture architect noemde dan een designer bewijst hoezeer hij dacht aan de ruimte waarin zijn meubilair thuishoort. Zijn transparante meubels verstoren nergens de architectuur, integendeel, de fijne structuur versterkt er net de grafische lijnen van. Terwijl hij ontwierp, dacht hij na over de mensen die in een ruimte bewegen. "Movement, the experience of seeing others move around in relation to the room, and what the person himself experiences by moving around it are absolute concepts to work with. Walking over to the window, towards light, and walking back again, from the light, for example, play a major role in the experience of a room. Even walking to and from a bookshelf." Hij gaf ook vorm aan heel wat tentoonstellingen, onder meer van zijn vriend-fotograaf Keld Helmer-Petersen of van de firma Linoleum. Deze stands droegen min of meer de stempel van Rietveld, omdat ze niet zelden opgebouwd waren uit platen en balken die op een geometrische wijze vergaard waren, net zoals de Rood-blauwe van Rietveld. Kjaerholm verzorgde ook de tentoonstellingsstands van Christensen en ontwierp zelfs de reclamefolders van het bedrijf. Deze belangstelling voor de grafische vormgeving past perfect bij de elegante lijn van zijn meubels, een kwaliteit die nu weer wordt gewaardeerd. Door Piet Swimberghe