Vraag in het Parijse mekka van het vintage design, in en rond de rue du Seine, eens naar meubelen of objecten van Mathieu Matégot. Dan krijg je meteen te horen dat je zijn spullen niet zomaar op de straathoek vindt en dat je er ook flink wat duiten voor moet ophoesten. Mathieu Matégot is bij het grote publiek minder bekend, maar onder collectioneurs klinkt zijn naam als een klok. Hij was een mysterieuze figuur waarover er niet zo veel geweten is. Maar zijn ontwerpen staan wel te pronk in de belangrijkste musea van Frankrijk : het Musée des Arts Décoratifs, het Centre Pompidou en het Industrial Design Centre. Zijn meubelen worden bovendien voor flinke bedragen afgehamerd in Londen, Parijs en New York. Voor een meubel tel je al snel een paar duizend euro neer.
...

Vraag in het Parijse mekka van het vintage design, in en rond de rue du Seine, eens naar meubelen of objecten van Mathieu Matégot. Dan krijg je meteen te horen dat je zijn spullen niet zomaar op de straathoek vindt en dat je er ook flink wat duiten voor moet ophoesten. Mathieu Matégot is bij het grote publiek minder bekend, maar onder collectioneurs klinkt zijn naam als een klok. Hij was een mysterieuze figuur waarover er niet zo veel geweten is. Maar zijn ontwerpen staan wel te pronk in de belangrijkste musea van Frankrijk : het Musée des Arts Décoratifs, het Centre Pompidou en het Industrial Design Centre. Zijn meubelen worden bovendien voor flinke bedragen afgehamerd in Londen, Parijs en New York. Voor een meubel tel je al snel een paar duizend euro neer. Wie was hij eigenlijk ? Mathieu Matégot werd in 1910 in Hongarije geboren. Van zijn vijftiende tot zijn negentiende studeerde hij aan de kunstacademie van Boedapest en ging vervolgens - wat voor een jongeman toen niet evident was - rondreizen door Italië en de States. In 1931 vestigde hij zich in Frankrijk, amper 21 jaar oud. In Parijs werkte hij als etalagist in de Galerie Lafayette, decorbouwer voor de Folies Bergères en stylist voor modehuizen. Toen al ontwierp hij enkele rotanmeubelen met een metalen frame. Tijdens de oorlog ging hij in het leger, maar werd gevangengenomen. Na de oorlog startte hij eerst in Parijs en daarna in Casablanca een klein atelier op. Toen begon hij ook kartons te tekenen voor het wandtapijtatelier Tabard in Aubusson, een creatieve passie waar hij zich later zelfs volledig op ging toeleggen. Vanaf 1952 exposeerde hij zijn meubelcollectie en interieurobjecten op Le Salon des Arts Ménagers en Le Salon des Artistes Décorateurs. Maar zijn ontwerpen werden ook buiten Europa geëxposeerd en verkocht. Vanaf 1945 experimenteerde Matégot met metaalplaat. Volgens een Duits procedé liet hij deze platen perforeren, aanvankelijk met klassieke klaverbladmotieven en daarna met ruitjes en cirkels. In 1952 stond de fabricatie van deze ajourplaten op punt. Hij kon de platen ook in allerlei vormen plooien, waardoor ze op een weefsel gingen lijken. Daarom bracht hij dit materiaal op de markt als Rigitulle. Matégot ging met deze zwart gelakte platen niet alleen meubelen bekleden, maar ook krantenbakjes, paraplubakken, cache-pots en zelfs dientafeltjes. In tegenstelling tot veel designers van nu, die veel studeren, vooral digitaal ontwerpen en zelf amper of niet aan de slag gaan in een atelier, was Matégot een selfmade man. "Bovendien reed hij aanvankelijk zelf door Frankrijk om zijn prototypes aan de man te brengen," vertelt ons de Antwerpse designantiquair Alain Hens, "zo ontdekte hij zelf wat zijn publiek wilde." Dat was commercieel behoorlijk slim, want zo leerde hij zijn afzetmarkt beter kennen. Zijn design was dus vrij modieus. "Al deze objecten zijn door en door fifties. Ze ademen de luchtige sfeer uit van het speelse design uit de jaren vijftig", merkt Alain Hens ook op. "Bovendien vond hij veel inspiratie in de modelijn van Christian Dior. Daardoor heeft zijn design iets moderns en surrealistisch." Matégot werkte wel met metaal, net als zijn tijdgenoot Jean Prouvé, maar sprong daar zoveel speelser en decoratiever mee om. Prouvé was meer een designer pur sang en Matégot bleef een decorateur. Design heeft hem ook niet zo lang bekoord. De meeste ontwerpen dateren uit de periode van het begin van de jaren vijftig tot het begin van de jaren zestig. In die tijd creëerde hij onder meer de driepootstoel Nagasaki (1954) en de fauteuil Copacabana (1955) en een hele reeks rekjes, bijzettafeltjes, lampen, krantenbakjes en een paar schitterende trolleys. Hij oogstte daar destijds ook flink wat succes mee en hij werd gekopieerd. Maar hij was natuurlijk lang niet de enige die met ijzer aan de slag ging. Bij ons had je bijvoorbeeld ook Willy Van Der Meeren. Ook nu merk je dat sommige designers modellen van die vroegere generaties recycleren, denk maar aan de Candy Chair van Sylvain Willenz. Matégot heeft ook volledige interieurs ingericht, zoals het Hotel de France in Conakry en het Maison de ORTF in Parijs. Maar ondanks het succes in de late jaren vijftig besloot hij om zich vanaf het begin van de jaren zestig volledig te wijden aan het ontwerpen van tapijten. Daarvoor werkte hij onder meer samen met zijn vriend, de bekende kunstenaar Jean Lurçat. Zijn tapijten werden over de hele wereld gewaardeerd en verkocht. Matégot bleef nog lang actief en stierf uiteindelijk op hoge leeftijd, in 2001, in Angers, Frankrijk. Zijn zoon Patrice Matégot is begonnen met de heruitgave van enkele van zijn meubelen. Info : www.mathieu-mategot-furnitures.com www.galeriealainko.com www.jousse-entreprise.com www.tajan.com DOOR PIET SWIMBERGHE