Ze zegt dat ze het droevig vindt dat meneer Claus dood is, en droeviger dan zij dat zegt, kan het niet. Dat komt door haar gebroken Nederlands, dat haar woorden iets onmachtigs geeft op de manier van Jacques Brel, zoals hij met zijn zwaar accent "Laat mij niet alleen" zong, ontroerender dan hij dat in zijn moedertaal kon.
...

Ze zegt dat ze het droevig vindt dat meneer Claus dood is, en droeviger dan zij dat zegt, kan het niet. Dat komt door haar gebroken Nederlands, dat haar woorden iets onmachtigs geeft op de manier van Jacques Brel, zoals hij met zijn zwaar accent "Laat mij niet alleen" zong, ontroerender dan hij dat in zijn moedertaal kon. We slapen in het huis vlak bij de duinen, op een matras van stro, waar je zout proeft als je aan je lippen likt. De hele nacht heeft de wind tegen de gevel gebeukt en met de luiken gerammeld, zo krachtig dat ik meermaals dacht dat hij het houten bouwsel uit de grond zou klauwen als een reuzenhand, om het tegen de krijtrotsen te pletter te gooien. Dat maakte mij niet bang. De lichte doodsangst die ik voelde, maakte het juist spannender naast haar te liggen. Ik voelde mij opgewonden als toen ik nog een puber was, en genoeg had aan een blote enkel. De afspraak is dat er niet gepenetreerd zal worden. Een vreemde afspraak, inderdaad, en ik weet niet hoe wij daartoe kwamen. Ik moet wel zeggen dat ik er geen last van ondervind. Er wordt al genoeg gepenetreerd in deze wereld, op alle mogelijke aanschouwelijke en overdrachtelijke, reële en symbolische wijzen. Er bestaat zelfs zoiets als marktpenetratie. Een mens is al eens blij als het niet hoeft. Voor de rest is alles toegelaten : strelen en vragen, snuffelen en ruiken, voelen en grijpen. Om van het sabbelen te zwijgen. In haar oud leren valies heeft ze verhalen meegebracht, uit de tijd dat ze in Moskou leefde. Moskou is voor mij zo'n stad die vrouwen sexy maakt, zonder dat ik precies kan zeggen waarom. Het heeft met Lenin en met Anastasia te maken, met heldinnen wier bloed in de sneeuw is verspild en met de koepels van het Kremlin, die glanzen in het winterlicht. Maar ook met levensdrift, vooral. Dat haar ouders allebei zijn omgekomen, is nog zo'n erotiserende omstandigheid. Dat ze geen ene foto van zichzelf bezit als kind. Dat ze aan het wankele tafeltje een brief schrijft in cyrillisch schrift, met zwarte inkt die zo traag stolt dat haar hand bevlekt raakt. Boven haar staartbeentje zit een vlekje in de vorm van een hart. Het vertedert mij dat dit een moedervlekje wordt genoemd, terwijl haar moeder toch al jaren is opgeslokt door de Russische grond. Terwijl ze schrijft, kniel ik tussen haar benen die ik voorzichtig openwrik. Ik voel de zachtheid van haar dijen tegen mijn wang. Hier kan mij niets overkomen. Dit is de veiligste plek op aarde. Zij zegt geen woord en houdt, zoals het hoort, niet op met schrijven. Tegen haar linkerenkel kruipt een lieveheersbeestje omhoog. Ik weet niet of ik dat schattig moet vinden of goedkoop. "Katten doen het áltijd op zijn hondjes", giechelt ze later in bed. Haar accent maakt dat ik zelfs daarmee moet lachen. Ik begraaf mijn neus in haar haren, die vaag naar gember ruiken en mij aan bodega's doen denken, maar ook aan turnzalen. 's Nachts doen wij wat verboden was, maar zachtjes - zo zachtjes en zonder geluid, alsof er cipiers door de gangen lopen en wij morgen terechtgesteld zullen worden en deze verstrengeling onze troost is, in het aanschijn van de dood. Zij maakt geluidjes die ik niet eerder bij een vrouw heb gehoord. Natuurlijk zegt zij ook iets in het Russisch. Iets wat het hart doet bonzen en de muziek vertraagt, alsof de tijd wordt uitgerekt, als in dat nummer van The Doors. Wrap your legs around my neck. Wrap your arms around my feet. Wrap your hair around my skin. G-l-o-r-i-a. Het was van een zwoelheid die ons deed duizelen. 's Ochtends staat zij al vroeg in de badkamer, waar het zonlicht binnenklatert. De geur van de buitenlucht vermengt zich met die van water. Ik weet wel dat water reuk-, kleur- en smaakloos behoort te zijn, maar zet mij in de lente geblinddoekt in een badkamer en ik herken de geur uit duizend. In de slaapkamer hangt een lucht als hebben daar buideldieren huisgehouden. Dan is het tijd dat ik haar wegbreng, met de Minerva van mijn vader. Zij knipoogt naar mij, wimpers als vlinders. Zij strijkt nog een laatste keer door haar haren en verdwijnt, zonder dat ik ooit zal weten of zij echt was of de vrucht van mijn verbeelding, die zich in deze liefdeloze tijden weert met de souplesse van bedreigde koningstijgers. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders