Een broeierige avond in de Gentse binnenstad. Onze taxi laveert door het drukke Oudburg, een straatje volgestouwd met restaurantjes die hun terrassen vervaarlijk dicht bij de met kasseien geplaveide weg plaatsen. We zijn op weg naar Uncle Babes, een burgerbar waar ze de beste cocktails van de stad schenken. De bekroonde barman serveert je met wiskundige precisie de perfecte dry martini, of goochelt met mescal een droom op je tong. De taxi raakt nauwelijks door het stremmende verkeer, en we besluiten het laatste eindje te lopen. De chauffeur zet zijn vier richtingaanwijzers aan, mijn vrouw stapt uit en ik wacht tot de draagbare betaalterminal een goed signaal heeft gevonden. Als ik na de transactie uitstap, tref ik mijn vrouw op de stoep, omringd door drie zwarte jongens die duidelijk iets te veel gedronken hebben. Het eerste wat ik haar hoor zeggen: "Allemaal goed en wel, maar je moet wel van mijn billen blijven!" Eén van de jongens steekt onmiddellijk zijn handen in de lucht als een voetballer die na een gemene tackle zijn onschuld uitschreeuwt. Ze zegt het glimlachend, en tot mijn eigen verbazing weet ik niet hoe ik moet reageren. Ze zijn met drie, duidelijk opgefokt door alcohol, en eigenlijk al op weg naar de volgende uitgaansgelegenheid. Ik kom naast haar staan, omhels haar, en herder haar weg van de jongemannen. Ik heb niets gezegd. Niets gedaan. Had ik schrik voor de confrontatie? Was ik bang om voor racist uitgescholden te worden? Bevestig ik, als ik tussenkom, niet net de 'beschermende rol' die aan mijn gender kleeft? En had mijn vrouw alles niet prima onder controle door hen vriendelijk maar kordaat op hun ongepaste gedrag te wijzen?
...

Een broeierige avond in de Gentse binnenstad. Onze taxi laveert door het drukke Oudburg, een straatje volgestouwd met restaurantjes die hun terrassen vervaarlijk dicht bij de met kasseien geplaveide weg plaatsen. We zijn op weg naar Uncle Babes, een burgerbar waar ze de beste cocktails van de stad schenken. De bekroonde barman serveert je met wiskundige precisie de perfecte dry martini, of goochelt met mescal een droom op je tong. De taxi raakt nauwelijks door het stremmende verkeer, en we besluiten het laatste eindje te lopen. De chauffeur zet zijn vier richtingaanwijzers aan, mijn vrouw stapt uit en ik wacht tot de draagbare betaalterminal een goed signaal heeft gevonden. Als ik na de transactie uitstap, tref ik mijn vrouw op de stoep, omringd door drie zwarte jongens die duidelijk iets te veel gedronken hebben. Het eerste wat ik haar hoor zeggen: "Allemaal goed en wel, maar je moet wel van mijn billen blijven!" Eén van de jongens steekt onmiddellijk zijn handen in de lucht als een voetballer die na een gemene tackle zijn onschuld uitschreeuwt. Ze zegt het glimlachend, en tot mijn eigen verbazing weet ik niet hoe ik moet reageren. Ze zijn met drie, duidelijk opgefokt door alcohol, en eigenlijk al op weg naar de volgende uitgaansgelegenheid. Ik kom naast haar staan, omhels haar, en herder haar weg van de jongemannen. Ik heb niets gezegd. Niets gedaan. Had ik schrik voor de confrontatie? Was ik bang om voor racist uitgescholden te worden? Bevestig ik, als ik tussenkom, niet net de 'beschermende rol' die aan mijn gender kleeft? En had mijn vrouw alles niet prima onder controle door hen vriendelijk maar kordaat op hun ongepaste gedrag te wijzen? Er komt geen oplossing. We wandelen gewoon weg, de jongens zijn allang om de hoek verdwenen, en mijn vrouw lijkt er niet om te malen. Het hoort er schijnbaar gewoon bij. Maar bij mij knaagt het. Het verbaast me telkens opnieuw als ze met dergelijke verhalen naar huis komt -- ik hoef haar eigenlijk maar vijf minuten alleen te laten en er cirkelen mannen om haar heen die haar in het beste geval proberen te paaien met een drankje of in het slechtste geval dreigend belagen. Gelukkig is ze mondig, en vijlt ze haar nagels. Zelf komt het nooit bij me op om een vreemde vrouw aan te spreken op straat, laat staan haar te betasten. Wat is daar het plezier van ? Wie per se in ronde vormen wil knijpen, moet maar een ballon kopen. Wat me opvalt, nu ik de anekdote neerschrijf, is de verborgen angel : ik betaalde de taxichauffeur. Het is ons geld, van een gemeenschappelijke rekening, maar meestal sta ik met mijn portefeuille in de hand. Dat vind ik gewoon galant, net zoals ik voor haar de deur openhoud, en er op sta dat zij op restaurant eerst bediend wordt. Maar dat doe ik tegenwoordig enkel nog voor haar. Als ik in een winkel de deur openhoud voor een vrouw dan zie ik gefronste wenkbrauwen : wat doe jij nu, en wat moet je van mij hebben ? Dus laat ik het achterwege. Het zal wel ouderwets zijn. Maar het zegt iets over de verharding en het diepgewortelde wantrouwen tussen de seksen. Omdat ik thuis werk, neem ik ook de meeste huishoudelijke taken op me. Van de afwas tot de boodschappen, van de dweil tot de wandeling naar het wassalon, van het fornuis naar de vuilniscontainer -- meestal ben ik ermee in de weer. Maar dat maakt me nog geen feminist. Niemand van mijn generatie die me nu zal bestempelen als een gender-held. Het zou er nog maar aan ontbreken. Toen mijn vrouw nog studeerde en ik in een boekhandel literatuur aan de man probeerde te brengen, rommelde zij het huis op en kookte zij tussen haar studeerwerk door een potje bijeen. Dat laatste doet zij helaas nog altijd beter dan ik, ze wint er zelfs prijzen mee. Maar ik doe mijn best haar bij te halen. Voorts is het gewoon een onuitgesproken overeenkomst, twee individuen die hun schaarse tijd zo goed mogelijk verdelen. Met gender heeft het niets te maken. Mannelijk feminisme, bestaat dat, was de opdracht die ik van mijn vrouwelijke hoofdredacteur kreeg. Ze is niet de enige vrouw in mijn professionele leven. Als ik er even over nadenk, krioelt het van vrouwen in de literaire wereld. Redacteurs, uitgevers, mensen van de pr, organisatoren van literaire festivals, interviewers, juryvoorzitters, de hoogste echelons van de overkoepelende concerns -- allemaal vrouwen, allemaal jaloersmakend bekwaam. Om over die talloze succesvolle vrouwelijke auteurs maar te zwijgen die moeiteloos de bestsellerlijsten bezetten en aanschuiven aan de eretafels van de literaire prijzen. Bij mijn eigen uitgeverij kijk ik op als ik nog eens een man door de gangen van het grachtenpand zie dwalen. Maar inderdaad, de echte bovenlaag, zij die in grootse kantoren sigaren roken, zij die uiteindelijk met de prijzen gaan lopen, dat zijn nog altijd mannen. Lang zal dat gelukkig niet meer duren, de literaire alfaman is met uitsterven bedreigd, even eenzaam als de laatste dodo. De alfaman tout court eigenlijk. Weinig intelligente mannen die zich nog met trots een macho zouden noemen. Ik zie mannen zonder schroom buggy's duwen en met besmeurde vingers luiers wisselen. Akkoord, ze laten nog een joekel van een baard staan, maar die wordt geföhnd en met de juiste crèmes ingewreven. Misschien maakt die feminiene omgeving en het verdwijnen van male chauvinist pigs me minder vatbaar voor de onderhuidse discriminatie. Misschien denk ik er te weinig over na, beschouw ik de gendergelijkheid als té vanzelfsprekend. Maar ook dat bewustzijn, hoe luttel ook, maakt me nog steeds geen mannelijke feminist. Het helpt ook niet dat mijn eigen vrouw gruwt van het 'feminisme', een term die blijkbaar geassocieerd wordt met mannenhaat en calimerogedrag. Ze weigert te geloven in mannelijke complotten, glazen plafonds en gratuite discriminatie. Word je te weinig betaald ? Ga naar je baas of neem ontslag. Bezondigt een prof zich aan seksistische uitspraken ? Aan de schandpaal ermee. De jaren vijftig zijn voorbij, hier zijn wij, vrouwen, leer ermee leven. Maar jammerend in een hoekje zitten en nadenken over een nieuwe naam voor je vagina ? Neen, dank u. Ze komt op voor haar rechten, als mens en burger, niet louter als vrouw. Eigenlijk ken ik geen mannen die zichzelf als feminist betitelen. Het maakt me wantrouwig, mannen die groothartig opkomen voor de vrouwenrechten. Het ruikt naar vleierij, naar een verkrampte poging om bij vrouwen in een goed blaadje te komen. Het is makkelijk gezegd : ik ben voor gelijkberechtiging. Natuurlijk ben je dat. Je bent een hoogopgeleide blanke man die nergens last van heeft. Het is haast aanmatigend jezelf feminist te noemen. Het kost je geen moeite. Alsof wij weten hoe het voelt om op straat betast te worden, voor hoer uitgescholden, om een fluim vlak voor je voeten te zien landen. Alsof wij de angst kennen van donkere steegjes, of vrienden die plots heel andere bedoelingen lijken te hebben. Alsof wij weten hoe het voelt om niet serieus genomen te worden, om je mening gedegradeerd te zien tot een aardigheidje, om aanhoudend minder betaald te worden. De enige echte mannelijke feminist die ik ken, was er geen. Of toch niet bewust. En beroemd is-ie ook al niet, zij het volledig ten onrechte. Zijn naam ? Ferdinand Peeters. Hoewel veel vrouwen dagelijks met zijn werk in contact komen, prijkt zijn beeltenis niet op posters in meisjeskamers. Peeters was nochtans de uitvinder van de pil, waarschijnlijk het meest emancipatorische instrument ooit. Hoewel zijn uitvinding oorspronkelijk ontwikkeld was om de hoge kindersterfte tegen te gaan, en officieel om pijnlijke maandstonden te verlichten, stond Peeters halverwege de jaren zestig mee aan de wieg van de seksuele bevrijding van vrouwen. Stemrecht hadden ze al, maar nu waren vrouwen ook baas over hun eigen buik, konden ze zelf bepalen hoeveel kinderen ze wilden, en vooral wanneer ze die wilden. Niet wanneer een man daarom vraagt, maar wanneer zij er klaar voor zijn - na een studie bijvoorbeeld, of na een geslaagde carrièrestart. De kans op ongewenste zwangerschappen daalt drastisch, zodat een vrouw meerdere partners kan uittesten. Haar keuzemogelijkheden stijgen, en ze kan haar eisen stellen in de slaapkamer terwijl mannen lijdzaam moeten hopen op haar goedkeuring om zich voort te planten. De pil heeft het seksisme niet uitgeroeid, maar de machtsbalans in amper een halve eeuw tijd toch enigszins in evenwicht gebracht. Als mannen zich op fora en blogs uitroepen tot voorvechters van vrouwenrechten, dan is dat een mooie lippendienst, maar Peeters was de man die de vrouw echte vrijheid schonk. Samen met een eindeloze stoet dappere vrouwen met scherpe tongen en nagels, dat spreekt. Door Roderik Six & Illustratie Ellen van EngelenHet komt nooit bij me op om een vreemde vrouw op straat te betasten. Wat is daar het plezier van ? Wie per se in ronde vormen wil knijpen, moet maar een ballon kopen Ik zie mannen zonder schroom buggy's duwen en met besmeurde vingers luiers wisselen. Ze laten nog een joekel van een baard staan, maar die wordt geföhnd en met de juiste crèmes ingewreven