Het eerste wat ik ga doen wanneer deze crisis zal zijn bezworen en ik mag gaan en staan waar ik wil?
...

Het eerste wat ik ga doen wanneer deze crisis zal zijn bezworen en ik mag gaan en staan waar ik wil? Geen idee. Hangt ervan af hoelang dit slotkloosterlijke leventje moet duren. Maar vermoedelijk zal ik precies hetzelfde doen als wat ik nu doe. Misschien is dat geluk. De vraag circuleert alleszins. Zij is masochistisch, hoewel zij moet motiveren. Zij is de wortel aan de stok die we achternalopen. Hij zal komen, die dag, hij is reeds onvergetelijk nog voor hij mocht aanbreken, want in de fantasie van velen zullen wij feesten als zwijnen. Zeker, wij zullen ons aan elkaar vergrijpen, eenzaam en onaangeraakt als we veel te lang zijn geweest. We zullen zuipen, hoewel we dat in onze quarantaine ook al deden, maar dit keer niet alleen. En dansen, omdat we uitstel van sterven kregen. Bevrijdingsfeesten, op alle pleinen. En misschien moeten we dan ook maar onze helden op deze V-dag met legertanks door onze straten rijden: de artsen, de verplegers, de virologen, de poetsers die ons bloed en sputum van de vloeren boenden. De ochtend daarop mogen ze weer aan de slag, om onze magen leeg te pompen. Om ons met een plamuurmes van de kastanjelaar te krabben waartegen we ons vrolijk en bevrijd aan brokken hebben gereden. Eindelijk nog eens een opengereten schedel op de spoed, dat moet deugd doen, na maanden van alleen maar intuberen. Feest! Want we zullen niet alleen een virus hebben overleefd; we zullen, en veel straffer nog, vooral onszelf hebben overleefd. Na de kater in wie weet een ander bed, zullen wij merken dat het leven dat wij dachten te hernemen niet meer bestaat. De postman wordt een boeman, en hij was dat ergens al, bezorger van brieven aan onze buidel. Onze lege buidel. Na onze doden zullen we onze faillissementen tellen. De puzzels die we massaal uit verveling begonnen te leggen zullen niet meer worden afgewerkt. Immers dient er weer te worden getravakt, er moet een put gedicht. Ik hoor, nu al, een afgematte vader, moe van z'n werk, en moe van de autostrade, tegen zijn zoon: 'Zit jij nu weeral op die iPad? Terwijl je deze lente nog zo zat te zagen om naar buiten te mogen. Zo'n schoon weer, en dat zit hier maar binnen. Ik versta dat niet.' Mijn vrees. Dat wanneer de covid het capitulatieverdrag heeft ondertekend, en de grenzen weer opengaan, dat ik naar België zal hebben te rijden om uit te zoeken wie waar zal zijn begraven. Misschien gaat iedereen gewoon in vazen, die we hebben op te halen in het crematorium. Het zal wel iemands as zijn die bij ons thuis op de kast komt te staan, maar of die dan van een dierbare is? In de hectiek van de massamoord doet het er niet toe. Dan steekt men de spade in de oven en vult men lukraak urnen. Hoeveel lijken kan je tegelijk verbranden? En staat het moment eraan te komen waarop dit nodig is? Als we morgen of overmorgen zullen vieren, dan vanuit een groot verlies. Maar vreugde is dan ook een slechte reden voor een feest, altijd geweest. Enkel wie gekwetst is, verstaat een snars van carnaval. Dus ja, ik hoop van harte dat mijn geconfineerde dagen niet zullen verschillen van de vrije. Dat al mijn uren op elkander voortborduren tussen mijn schrijfplank en de eik. Ik zal mijn piano strelen en nog altijd boeken lezen. De zee zien, dat misschien. De zee ruiken nog meer. Al wordt het daar wellicht zo druk dat ik meteen weer heimwee krijg naar die gouden tijd van nu. Iedereen aan de enkelband!