Het is in onbruik geraakt, het vreemde verschijnsel dat als 'hamsteren' bekendstaat. Vroeger moest er maar ergens ter wereld een vonk in het kruitvat dreigen te slaan, of mensen als mijn tante Agnes begonnen eetwaar op te potten die bestand was tegen de tijd. Rijst, flessenwater en conserven, koffie, suiker en het walgelijke voedsel dat kornebif werd genoemd: het werd in elke holte van het huis gepropt, tot onder bedden en in kleerkasten toe.
...

Het is in onbruik geraakt, het vreemde verschijnsel dat als 'hamsteren' bekendstaat. Vroeger moest er maar ergens ter wereld een vonk in het kruitvat dreigen te slaan, of mensen als mijn tante Agnes begonnen eetwaar op te potten die bestand was tegen de tijd. Rijst, flessenwater en conserven, koffie, suiker en het walgelijke voedsel dat kornebif werd genoemd: het werd in elke holte van het huis gepropt, tot onder bedden en in kleerkasten toe. "We liepen door een straat," hoorde ik een dame op jaren onlangs zeggen, "en vijf minuten later was die straat er niet meer. Álles was weg, van tram zeven tot de vrouw van de kruidenier tegen wie mijn vader in het voorbijgaan nog een grapje had gemaakt." Ze verdwijnt stilaan uit het straatbeeld, de generatie die de oorlog heeft meegemaakt. Niet het wapengekletter is die mensen fataal geworden, maar prostaatkanker, aderverkalking en nog een paar dingen waartegen geen hamster bestand is. Met hen verdwijnt ook de schrik voor ontbering of honger. Er is een nieuwe generatie opgestaan, die in weelde en met wifi opgroeide. Zelfs een mogelijk begin van WOIII wordt nu aangekondigd via Twitter, terwijl wij ons geboeid afvragen wie de Mol is. Een reclamespotje voor Lidl grapt over Noord-Koreaanse raketten. Is de dreiging nu echt minder groot dan vroeger, of zijn wij het vermogen verloren gevaar te herkennen - wat beschavingen schijnt te typeren die naar hun einde toe huppelen? Ik wil mij daar niet te veel vragen bij stellen, maar doen zoals iedereen en met mijn vrienden op de vulkaan dansen. In de nacht waarin raketten doel treffen, bevind ik mij in een donker zaaltje waar mensen op verticale wijze uiting geven aan een horizontaal verlangen. Mijn kameraad D. voelt zich een beetje eenzaam. De twee getrouwde vrouwen met wie hij een affaire heeft, konden niet weg omdat hun aanwezigheid vereist is in hun respectievelijke echtelijke bedden. Soms doen dergelijke situaties mij aan de val van het West-Romeinse Rijk denken. Ik laat mij daar niet door ontmoedigen, maar dein luchthartig mee op het beklijvende liedje van Sofi Tukker. Yo, you wanna meet me at the bar? (yawp)Yo, you wanna meet me in the lounge? (yawp)Yo, you wanna meet me in the club? (yawp)Yo, you wanna meet me downtown? (okay)Als ik de ondergrondse krocht verlaat, is D. druk bezig met het hamsteren van vrouwelijke leeftocht. "What a match!" stuurt hij mij 's anderendaags. Hij heeft een derde vrouw geput, om het in golftermen te zeggen, en is daar enthousiast over. "Mulders," schrijft hij mij, "ik heb met haar dingen gedaan waar ik al lang over fantaseerde, maar die ik nooit heb uitgevoerd, en waar zij blijkbaar ook over fantaseert." Fantaseren is een woord dat ik al lang niet meer gehoord heb. Het doet mij denken aan koolzuurhoudende frisdrank, aan fantasiefabrieken en aan Temptation Island. Het lijkt mij spannend, zo'n leven als vrijbuiter van in de veertig, hoewel ik al eens liever weidebloemen in de tuin zaai met de kinderen. Ik toon hun dan het zadel van regenwormen, en leg uit hoe een stuk dat wordt afgehakt gewoon weer kan teruggroeien.