Het boek is een ode aan de kleinschaligheid", zegt Dirk Lambrechts. En aan de heimwee, denken we er dan onmiddellijk bij. Want zoals het een boek over fado en het grote heimweegevoel van saudade past, is het geschreven in Amsterdam, ver weg van zijn onderwerp. Lambrechts trok lang door Spanje als flamencogitarist, had een hele tijd een Iberisch restaurant in Leuven, werd smoor op de fado en klampte zich vast aan Portugezen en vooral het saudade, het gevoel van de fado.

Fado ontstond in de vorige eeuw uit een mengvorm van vele invloeden: van middeleeuwse troubadours tot muziek uit Sao Tome en de maghreblanden. Niemand weet precies waar deze muziek vandaan komt. Wel staat vast dat haar oorsprong ligt in de arme wijken van Lissabon.

"Wijken als Mouraria en Alfama werden bewoond door mensen die berooid uit de kolonies terugkwamen en aan lager wal geraakten. Daar is fado ontstaan en daar leeft hij ook.

Na de ontdekkingen is Portugal een eeuw groot geweest en dan ten prooi gevallen aan een onwaarschijnlijke decadentie van het koninklijk hof die het fortuin er zo door joeg. Denk maar aan het paleis in Mafra. Vandaar ook dat hij zo verbonden is aan Lissabon en in mindere mate Coimbra."

De grootste fadozanger ooit was Alfredo Marceneiro. In die tijd kregen fadozangers vaak contracten in Brazilië, maar Marceneiro is maar een keer buiten zijn stad geweest; naar Cascais, 20 kilometer van Lissabon. Hetzelfde gold voor Pessoa. Hij leefde tussen Chiado en Biarro Alto en is nooit verder gegaan. Daar heeft hij heel de wereld gecreëerd. De uitspraak Argentinië is hier leeft er dus echt. De hele wereld speelt zich thuis af, en je hoeft je niet te verplaatsen om te reizen."

Is het daarom dat fado zo verbonden blijft met de mensen, en dat je vindt dat de fado bij de basis moet blijven?

Ik pleit niet voor armoedige wijken als Alfama en Mourari, maar als het wijkleven verdwijnt, verdwijnt ook de fado. Fado is ook verbonden met het voetbal en de stierengevechten, en dat komt omdat die muziek veel te maken heeft met elkaar helpen. Vandaar ook die sportclubs waar fadozangers samen komen om geld in te zamelen, die verbondenheid heeft eigenlijk niks te maken met voetbal. Je kunt over Benfica Lissabon een epos schrijven, want waar armoede en verveling is, vind je de beste voetbalspelers. Ik had dat idee ook bij flamencospelers die vanaf hun tiende zes uur per dag spelen en van hun 12 jaar een grote virtuositeit ontwikkelen: dat is een vorm van armoede. Fado is ook geboren in armoede.

Zie je dat wijkleven verdwijnen?

Het is mijn nachtmerrie. Op een paar jaar tijd is de Jordaan in Amsterdam en Triana in Sevilla volledig verdwenen. Ook in Madrid zijn volkswijken verdwenen. Wat daar gebeurd is, kan ook Lissabon te wachten staan. Er gaan geruchten dat de brand, die de wijk Chiado platlegde, niet toevallig was ontstaan. De wijk Alcantara aan de dokken is ook al een yuppiewijk geworden. De Bairro Alto is veranderd in een uitgaansbuurt, waar hoe langer hoe minder plaats is voor fado. Als de oude wijken zouden verdwijnen, dan wordt fado een theaterkunst en dan interesseert het me niet meer. Het kan dus wel, maar ik ben optimistisch, want het omgekeerde bestaat ook. In steden als Amsterdam komt er een levendige fadocultuur van uitgeweken Portugezen op gang. De scene verschuift.

De mythe bestaat dat fado alleen saudade ofwel heimwee, verdriet en ellende is.

Fado is niet alleen saudade, al speelt het natuurlijk een zeer belangrijke rol. Verdriet is essentieel voor de fado. Maar er zijn ook vormen die grappig zijn, opgewekt, soms zelfs venijnig. Maar je kunt fado niet losdenken van de geschiedenis van het land. Jose do Carmo, een zanger die lang in ons land heeft gewoond, was een herder uit Evora in de provincie Alentejo, ver van de fado. Hij werd naar Angola uitgestuurd waar de koloniale oorlog woedde. Daar heeft hij onmenselijke dingen meegemaakt. Na de oorlog is hij fado gaan zingen en door Europa beginnen te trekken. Ik herinner me dat ik met hem na een optreden om vijf uur 's ochtends in Brussel kwam waarop ik vroeg of ik hem thuis kon brengen. Nee, zei hij, hij moest gaan werken in een ploeg die kantoren schoonmaakte. Dat is ook fado.

Het is toch ook koketteren met verdriet, om getroost te worden en te troosten?

Dat is juist, ze koketteren ermee en ze zijn zalig van verdriet, het is een deel van fado. Op elk graf in Portugal staat het woord Eterno Saudade. Saudade is verlangen, heimwee, want de overledene ligt daar en komt toch nooit terug. De dood is altijd aanwezig in de fado. Maar het gevoel is niet hetzelfde als bijvoorbeeld bij flamenco, waar la muerte een dolksteek is recht in het hart. Der leierman uit de Winterreise van Schubert heeft ook die heimwee naar de dood. Jose Do Carmo, daar zit geen romantiek in, dat is tragiek.

Toch heeft de fado onder Salazar bij veel mensen een geurtje gekregen.

Fado is gebruikt door dictator Salazar om Portugal een nieuw elan te geven. Na de revolutie is Amália Rodrigues persona non grata geworden op de radio in Lissabon. Het grootste fadofeest, de recreos, werd ook verbannen na de revolutie. Maar twee jaar daarna hebben ze weer fado in de recreos gebracht. Drie jaar later is Amália daar drie nachten aan een stuk door voor tienduizenden mensen fado komen zingen.

Het is toch ook een wereld met veel pose en mythevorming?

Natuurlijk is dat zo. De mythe is zelfs zo groot dat er drie dagen van nationale rouw uitgeroepen werden in Portugal toen Amália Rodrigues stierf. Stel je voor dat hier Wannes Van de Velde zou sterven. Denk je dat onze regering nationale rouw zou afgekondigen? Een paar maanden later werd zij overgebracht naar het nationaal kerkhof, waar drie mensen liggen: Pessoa, Camoes en zij. Toen Marceneiro stierf hingen alle mensen hun beddenlakens buiten en van de Portugese staat heeft hij een eeuwigdurend graf gekregen. Alle grote fadozangeressen dragen een sjaal op een specifieke manier. Is dat pose? Ik weet het niet. Die traditie is zo oud dat je eigenlijk niet meer van pose kan spreken.

De hele muziekindustrie is gebouwd op overlevering en traditie?

Ja. Hetzelfde zie je terug bij de jonge fadozangers; die lijzige Camané, die ik enorm apprecieer, die verzadigde treurigheid in zijn blik.... Antonio Chacon was ook zo'n legende. Hij moest ooit zingen voor de koning. Het was de gewoonte om van achter een gordijn te zingen, maar hij trok het gordijn open. Waarop hij een titel kreeg: Dom Antonio Chacon. Het is echt gebeurd, dus waar zit de mythe nu? Die mensen houden van grandeur. Ze houden van theater.

Als je zo voor authenticiteit pleit, maak je dan van de fado geen museumkunst?

Jonge mensen stappen al wat vaker af van het traditionele, dat mag absoluut. Maar elke muziekvorm heeft wetten. Als je flamenco speelt en je speelt naast de maten, zal niemand met je willen zingen. Fado heeft ook die vormvereisten. Als je fado menor of desgarrada speelt, dan moet je die ritmes tot aan het einde aanhouden. Ze mogen van mij in blue jeans, met een kapotte of zelfs een chique jas zitten, maar het moet wel echt zijn. Smaak moet smaak hebben. De Spaanse keuken zou je ook niet kunnen klaarmaken zonder look en olijfolie. Als fado een spektakel wordt in een theaterzaal, dan mag het voor mij stoppen.

Ja. Neem nu Glinka, De Falla en Albeniz; zij hebben de flamenco gebruikt. Zolang fado blijft bestaan in zijn originele vorm mag fado van mij overal gebruikt worden. Flamenco is in Spanje gebruikt in alle mogelijke kunstvormen: in de literatuur, de schilderkunst, de klassieke muziek, de poëzie. Maar Fado is in Portugal nooit ingeburgerd geraakt in de kunst. Pessoa heeft in heel zijn oeuvre misschien vier zinnen over fado geschreven.

Ondertussen komt een heel nieuwe generatie fadozangers op: Misía, Lula Pena, Christina Branco, Camané....

Ja, en dat stemt me optimistisch. Een zangeres als Christina Branco is nog een beetje jong, ze heeft het nog niet helemaal, maar ze kan zeker evolueren. Camané vind ik zeer goed, op voorwaarde dat hij in zijn klein fadohuis in Lissabon blijft zingen.

Iemand zei me onlangs dat de fado toch heel populair aan het worden is: Madredeus, Dulce Pontes, Ala Dos Namorados...

" Madredeus heeft ab-so-luut niks met fado te maken. Dulce Pontes kàn het wel, ik heb haar ooit in Amsterdam twee hele mooie fado's horen zingen. Ze heeft een prachtige stem en het was buitengewoon goed. Maar de rest is chanson. Het is niet omdat het Portugees is dat het fado is. Misía is dan wel fado, maar toch iets te intellectueel. Ze grijpt vaak terug naar Saramago en Pessoa voor de teksten, de grote literatoren. Op zich niet slecht, want fado moet niet blijven steken in een enkele traditie.

Ik ben een flamencogitarist geweest en ik heb de flamenco zien ten prooi vallen aan de theaterzalen, de bongo's en dwarsfluiten, en de dametjes met die belachelijke rokken. Fado is godzijdank niet gebaseerd op virtuositeit en heeft geen dansen. Dat is essentieel, daardoor, en door de kleinschaligheid, heeft fado het overleefd.

Gerry De Mol