Daar sta ik dan met mijn kind, bij dat graf. Hoog in de lucht jagen wolken voorbij en het blijft venijnig koud, en de kaars die ik de vorige keer op de deksteen heb achtergelaten, is gedoofd. Er is water ingesijpeld dat tot een ijsklont bevroor. Ik besef dat de vrouw onder de steen voorgoed is verhuisd, naar gebieden waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken. Ik besef dat die vrouw zelfs geen krimp meer zou geven mocht het kind dat ze zo heeft bemind, worden aangevallen door wolven.
...

Daar sta ik dan met mijn kind, bij dat graf. Hoog in de lucht jagen wolken voorbij en het blijft venijnig koud, en de kaars die ik de vorige keer op de deksteen heb achtergelaten, is gedoofd. Er is water ingesijpeld dat tot een ijsklont bevroor. Ik besef dat de vrouw onder de steen voorgoed is verhuisd, naar gebieden waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken. Ik besef dat die vrouw zelfs geen krimp meer zou geven mocht het kind dat ze zo heeft bemind, worden aangevallen door wolven. Dat kind is pas twee geworden. Het beseft nog niet wat het betekent, begraven te zijn. Wel wijst het naar de foto op het graf en zegt mémé. Ingetogen, lijkt het, hoewel ik mij dat misschien maar verbeeld. Gemakshalve heb ik het kerkhof een park genoemd, wat spontaan pajkje werd, omdat het kind de r nog niet machtig is en van alle dingen een verkleinwoord maakt, papaatje en huisje en olifantje, wellicht om de wereld beheersbaar te houden en veilig, nog even. Racistisch moordje, foltercentrumpje, klimaatopwarmingetje... al die dingen die het kind nog niet kent maar waarover het vroeg of laat zal horen. Soms benijd ik zijn onaangetastheid en enthousiasme. Soms ook denk ik aan de teleurstellingen die onvermijdelijk wachten. Voor we het pajkje verlaten, staan we nog even bij het graf van een meisje dat maar acht geworden is. Het is bezaaid met knuffels en met speelgoeddieren. Er ligt ook een kaartje dat degenen die al tot drie keer toe iets van het graf hebben geroofd, oproept dat voortaan te laten, asjeblieft. Het kaartje is ondertekend met de naam van het dode kind en bovendien geplastificeerd, opdat het netjes zou blijven, wat des te treuriger is. Het is tijd dat we andere horizonten verkennen ; we kunnen niet blijven verwijlen bij hen die verleden zijn. De toekomst zit op mijn schouders en klampt zich met roze handjes vast aan mijn oren. Zo'n kind mag dan nog veel moeten ontdekken, er zijn ook dingen die het je kan leren. Dingen die je zelf vergeten was. De saaiste voorwerpen tovert het om tot pretpaleizen. Mijn simileren bureaustoel bijvoorbeeld, waarop het gaat zitten om op onweerstaanbare wijze djaaien te commanderen, waarop ik de stoel om zijn as moet doen wentelen tot ik een lamme arm heb, tot groot geduizel en geschater. Op dezelfde manier groeien verkeersdrempels uit tot kermisattracties. Er is een straat waar wij er vijf op een rij weten liggen. Daar rijden wij over, telkens opnieuw, en als wij de drempel op- en weer afrijden doen wij boem !, om ter hardst. En prettig dat het is. Na de laatste drempel roept het kind "Nog ! Ennog !" en ik kan het niet over mijn hart krijgen met het spelletje te stoppen, zodat ik mijzelf de auto zie keren om nogmaals en nu tegen hogere snelheid alle vijf de drempels te nemen, tot ongenoegen van mijn autovering. BOEM ! En kraaien dat wij doen. Dat er overal vrolijkheid schuilt, zelfs in de dingen die ons doorgaans frustreren, dat is wat zo'n kind je kan leren. Tegelijk sluipt een donkere gedachte als een roofdier door mijn hersenpan : hoe wreed elke verkeersdrempel op slag zou worden, mocht het kind er niet meer zijn. Onmenselijk zou het worden je in dit land vol verkeersdrempels te verplaatsen en bij elk bultje te moeten denken : boem ! Je zou nog begrijpen waarom sommigen zich aan niemand meer durven te hechten. "De wereld is de hel", zei een vriendin mij onlangs, in een mismoedig moment. "Al die mensen die je leert kennen, waarvan je gaat houden en waarvan je dan toch, vroeg of laat maar altijd, onherroepelijk, weer afscheid moet nemen..." "Je komt alleen, je bent alleen, je gaat alleen", beaamde ik, de woorden van Jan Cremer ten overvloede citerend. Ik doe dat graag, dat zo stoer zeggen, alsof ik alles allang gezien heb en uitgevorst. Alsof niets mij nog kan deren. Terwijl ik in werkelijkheid erg bang kan worden soms, als ik durf door te denken op de dingen. Zo bang dat levenloze voorwerpen bedreigend worden en dat zelfs het zwijgen van de sterren boven café Nachtvlucht mij bevriest. Jean-Paul Mulders