Daar sta ik dan met mijn kind, bij dat graf. Hoog in de lucht jagen wolken voorbij en het blijft venijnig koud, en de kaars die ik de vorige keer op de deksteen heb achtergelaten, is gedoofd. Er is water ingesijpeld dat tot een ijsklont bevroor. Ik besef dat de vrouw onder de steen voorgoed is verhuisd, naar gebieden waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken. Ik besef dat die vrouw zelfs geen krimp meer zou geven mocht het kind dat ze zo heeft bemind, worden aangevallen door wolven.
...