De woestijn heeft diepe voren in het gezicht van Haj Achmed gekerfd. Als hij lacht, glanzen zijn gouden tanden dof in het getemperde licht. We zitten tegenover elkaar in zijn bedoeïenentent, in kleermakerszit, wat hem ondanks zijn hoge leeftijd een stuk beter afgaat dan mij. Of ik een seisha wil roken, vraagt hij hoffelijk. Als ik weiger - om elf uur 's ochtends heb ik niet echt trek in een waterpijp - begint hij kakelend te lachen: " No hashish, no hashish..." Jaja, dat had ik al begrepen, maar ik hou het toch maar bij een glaasje karkadeh, een bloedrode thee, getrokken van hibiscusbloemen.
...