Louis kan slechts afdalen tot oudejaarsavond 1834.
...

Louis kan slechts afdalen tot oudejaarsavond 1834. Het is dan rustig in het vondelingenhuis aan de Antwerpse Lepelstraat. Koning winter bloemt de ramen, de dakspanten kraken van de kou, er valt poedersneeuw. "Vader" Alexander Cornelius Van Schingen, lid van de administratie der Burgerlijke Godshuizen, zijn echtgenote, "moeder" Maria Suzanna De Pauw, de twee meesteressen, de drie huisknechten en de drie diensters, allemaal zitten ze in een halve cirkel rond de grote haard. Het is bijna acht uur, de kinderen slapen en men converseert op gedempte toon. Zo wil "moeder" het. Niet zonder afgunst fantaseren de meiden fluisterend over de rijkelui die nu in chique restaurants kreeft, oesters en wildgebraad eten en die straks, op het nieuwjaarsbal, het hoofd ijl van te veel champagne, 1835 zullen inwalsen. In het vondelingenhuis worden eigengebakken koeken en een zuinige zoete borrel geserveerd. Het budget dat de Kamer van Huisarmen de heer Van Schingen ter beschikking stelt, is veel te krap om er personeelsfeestjes mee te bekostigen. Om kwart voor negen gaat de bel. Niet die van de voordeur, wel die van de "schuif", een in de gevel aangebrachte nis waarin moeders hun kinderen te vinden kunnen leggen. Die bel klingelt ongeveer vijftig keer per jaar. "Op oudejaarsavond nog wel!" reageert een van de knechten, maar ze weten het eigenlijk allemaal: het leven houdt geen rekening met uren, data en officiële feestdagen. Maria haast zich naar de schuif en vindt een pasgeboren jongetje. Het ventje ziet er gezond uit, wordt gewassen en gebakerd en krijgt de voornaam van de heilige-van-de-dag: Silvester. De beginletters van de achternamen van vondelingen moeten, naar een decreet van het tehuis, in alfabetische volgorde worden toegekend. Silvester treft de Y. Moeilijk. Ze gaan weer voor het vuur zitten. De boreling ligt in een tenen mand te blozen. Iedereen probeert een mogelijke achternaam te bedenken. In de stilte die gevallen is, krast de pen van de heer Van Schingen het op te maken proces-verbaal. Buiten huilt de vrieswind. Een van de meesteressen trekt haar sjaal over haar schouders, nipt van haar likeurtje en mompelt: "IJskoud." "Silvester Yskoud", noteert Van Schingen. Veel later zal een slordige klerk van de d een t maken. Het kon erger, het jongetje dat een paar dagen later uit de schuif wordt gehaald, krijgt de achternaam Zoutzak. Wie waren de verre voorouders van Louis? Eigen volk? Een Antwerps stel, net getrouwd, slachtoffers van de industriële revolutie, te berooid om een kind groot te brengen? Was de schim die zich op oudejaarsavond 1834 de Lepelstraat uit haastte een ongehuwde moeder die zichzelf en haar ouders de schande van een "voorkind" wou besparen? Of was het niet eens de moeder zelf maar een "schuifloopster", een vrouw die tegen betaling - wie een kind te vinden legde, pleegde immers een strafbaar feit - de pasgeborene in de nis ging deponeren? Of: een boerendochter, bezwangerd door de knecht, bevallen en gevlucht naar de stad, in haar jaszak een vaag plannetje waarop het vondelingenhuis met een kruisje werd aangeduid? Misschien was hij een heer van stand en zij de bedrogen meid? Vierde de vader van Silvester de overgang van oud naar nieuw in het vooronder van een zwalkende viermaster ergens midden de Stille Oceaan, of in een kroeg in de haven van Valparaiso, of thuis op Kreta, tussen vrouw en zes kinderen? Wij zijn de som van ons verleden. Dat geldt ook voor Louis. En al kent hij niet alle delen van de som, zijn rekening lijkt te kloppen: 76 jaar, 1 echtgenote, 5 kinderen, 12 kleinkinderen, waarvan 4 jongens het geslacht Yskout zullen verderzetten. De nakomelingen hangen, gerangschikt naar leeftijd, tussen de eigenhandig gemaakte meubelen en de tekeningen van een van de kinderen. Vertoont de zevende generatie Yskout nog enige gelijkenis met de vader of de moeder van Silvester? Men hoeft niet per se alles te weten om tevreden te zijn.Bart Plouvier / Foto Elisabeth Broekaert