Ik ben in 1928 geboren op een ananasplantage in Mexico. Mijn moeder, Natalia Boeck y Morales, was de dochter van een indiaanse vrouw en de baas van de plantage, de Antwerpse baron Boeck. Ze noemde mij niet bij mijn naam. Ma petite poupette, zei ze altijd. En ik noemde haar ma petite maman. Over mijn vader weet ik niets: een onbekende indiaan.
...

Ik ben in 1928 geboren op een ananasplantage in Mexico. Mijn moeder, Natalia Boeck y Morales, was de dochter van een indiaanse vrouw en de baas van de plantage, de Antwerpse baron Boeck. Ze noemde mij niet bij mijn naam. Ma petite poupette, zei ze altijd. En ik noemde haar ma petite maman. Over mijn vader weet ik niets: een onbekende indiaan. Mijn vroegste herinnering is een flits: een kamer zonder vensters, de deuropening van een hut. En later, de overtocht met de boot. Ik, een kind van drie, dat zeeziek over de reling hing. We waren op weg naar België, op zoek naar baron Boeck. Maar welkom waren we niet. De barones zette ons aan de deur, en stuurde ons naar Parijs met de vage belofte dat haar man daar voor ons zou zorgen. Maar in Parijs kwamen we gewoon op straat terecht. Toen ik vijf was, bracht mijn moeder mij naar een weeshuis. Eerst naar de nonnen in Vlimmeren, daarna naar een Antwerps privé-weeshuis, dertien jaar lang. Maison des Orphelins stond in grote letters op de poort. Jarenlang weende ik elke nacht en zong ik zachtjes het wiegenliedje dat mijn moeder altijd zong: Dans tes bras, je me sens si petite, tout près de toi. En de eerste woorden in mijn dagboek luidden: Liefste God, laat mij alstublieft sterven. Het weeshuis werd door rijk volk gefinancierd, maar tijdens de oorlogsjaren kwam er geen geld binnen en was het armoe troef. Ik stond in voor de verzorging van de kleintjes, nam hen in bescherming tegen de directrice, verstopte hun natte lakens en bestreed hun luizen door hun kleren in de creoline te steken. Nog altijd roept de scherpe geur van javelwater herinneringen aan het weeshuis op. Mijn moeder leidde een zwervend bestaan en schreef mij lieve brieven. 'Ma petite maman,' schreef ik haar, 'ik wil hier weg. Al moest ik de hele weg te voet afleggen, ik kom naar je toe.' 'Neen,' antwoordde zij mij, 'want als jij hier aankomt, ben ik alweer op een andere plek.' Ik herinner me dat ze een tijdje in Brussel heeft gewerkt, in een of andere nachtbar, en later in Barcelona en Sevilla, maar ze verdiende nooit genoeg om mij geregeld te komen bezoeken. Mijn zaligste kinderherinnering is de dag van mijn plechtige communie. Wij, weeskinderen, kwamen terug van de kerk, en daar, voor de deur van het weeshuis, zag ik haar staan. Ik herinner me nog precies wat ze toen tegen mij heeft gezegd: 'Ma petite poupette, n'oublie jamais que tu es une Cheyenne, parce qu'on nous appelle des chiens.' Ik wist dat ik in Mexico geboren was, maar toch was ik totaal verrast toen ik vernam dat mijn ouders indianen waren. Vijftig jaar geleden was de indiaan de slechterik, de bruut, de woesteling. De scalpeerder die kinderen doodde. Ik weigerde mijn afkomst te aanvaarden, want ik wist met zekerheid dat ik niet slecht was en mijn moeder ook niet. Jarenlang verborg ik mijn roots en wilde ik niets over indianen horen of lezen. Na het weeshuis kwam ik terecht bij de Commissie van Openbare Onderstand en ging ik dienen bij rijk volk, waar ik zo hard moest werken dat ik soms op de grond viel van uitputting. Voor het eten gaven ze me wel eens een lepeltje van een of andere drug, zodat ik weer enkele uren energie had. Tot ik opnieuw instortte. Mijn moeder heb ik nog één keer gezien voor ze naar Mexico werd uitgewezen. Wat later stuurde ze mij al mijn brieven terug en sindsdien heb ik nooit meer iets van haar gehoord. Op een nacht werd ik schreeuwend wakker, huilend om mijn moeder. Nog altijd denk ik dat ze die nacht gestorven is. Op vijftien jaar tijd kreeg ik elf kinderen die ik alleen heb grootgebracht. Maar mijn zwaarste taak was de verzorging van mijn man, die jarenlang ernstig ziek was. Multiple sclerose. Ik had geen geld, geen familie, geen hulp. Er waren tijden dat ik nauwelijks nog verder kon. Compleet opgebrand, oververmoeid. Pas op mijn 53ste, toen mijn kinderen het huis uit waren, heb ik echt mijn plaats gevonden. Via mijn kleindochter ontmoette ik op een seminarie over indianen de medicijnman Lame Deer. Ik sprak geen woord Engels, maar bekeek de man aandachtig, en toen ik zijn woorden - over zijn volk, de jacht, de zweethut, de zonnedans - hoorde vertalen, wist ik dat hij de waarheid sprak. Met knikkende knieën en bevende stem vroeg ik hem mij een indianennaam te geven. Groot als hij was, keek hij op me neer, sloeg zijn arm om mijn schouder en zei: ' I shall see'. Wat later, in de zweethut, richtte hij het woord tot mij: ' Your name is blue cloud.' In elkaar gehurkt, bleef ik de hele tijd die vreemde woorden tegen mezelf herhalen. En toen ik buitenkwam en hoorde dat ik Blauwe Wolk heette, voelde ik mij opnieuw geboren. Ik had een indiaanse naam, eindelijk was ik thuis. Als Blauwe Wolk begon ik een nieuw leven. Met vlechten in het haar, een jeans en laarzen organiseerde ik met enkele mensen zweetsessies. Ik, die jarenlang stijf had gestaan van de reuma, fleurde helemaal op. En toen ik, met de hulp van mijn kinderen, voldoende geld bijeen had gespaard, reisde ik naar Amerika waar ik vijf maanden lang in Montana bij de Cheyennes heb gewoond. Met mijn trekken en mijn huidskleur erkenden ze mij onmiddellijk als een van hen. Sindsdien voel ik mij fifty-fifty: de ene helft Vlaams, de andere indiaans."Annemie Struyf / Foto Sven Everaert