In 1965 ontwierp architect Aldo van Eyck (1918-'99) een beeldenpaviljoen voor een openluchttentoonstelling in het park Sonsbeek bij Arnhem. Een jaar later, na de sluiting van het evenement, werd het al gesloopt. Een lot dat wel meer tentoonstellingspaviljoenen beschoren is. Maar precies dat ontwerp verwierf heel snel een plaats in de Nederlandse architectuurgeschiedenis. Ondanks het feit dat het er maar één zomer stond, kreeg het een vermelding in veel boeken en tijdschriften. Iedereen betreurde nadien de sloop. Daarom wordt het nu heropgebouwd in het beeldenpark van het befaamde Kröller-Müller Museum in Otterlo. Daar staat trouwens al een soortgelijke reconstructie, namelijk van het paviljoen dat Gerrit Rietveld voor hetzelfde tentoonstellingspark maakte in 1955.
...

In 1965 ontwierp architect Aldo van Eyck (1918-'99) een beeldenpaviljoen voor een openluchttentoonstelling in het park Sonsbeek bij Arnhem. Een jaar later, na de sluiting van het evenement, werd het al gesloopt. Een lot dat wel meer tentoonstellingspaviljoenen beschoren is. Maar precies dat ontwerp verwierf heel snel een plaats in de Nederlandse architectuurgeschiedenis. Ondanks het feit dat het er maar één zomer stond, kreeg het een vermelding in veel boeken en tijdschriften. Iedereen betreurde nadien de sloop. Daarom wordt het nu heropgebouwd in het beeldenpark van het befaamde Kröller-Müller Museum in Otterlo. Daar staat trouwens al een soortgelijke reconstructie, namelijk van het paviljoen dat Gerrit Rietveld voor hetzelfde tentoonstellingspark maakte in 1955. Rietvelds constructivistische bouwwerkje trekt veel bezoekers aan van over de hele wereld. Met het legendarische gebouw van Aldo van Eyck gaat het wellicht dezelfde kant op. Het wordt bestemd voor tijdelijke tentoonstellingen van kleine en kwetsbare beelden. De heropbouw gebeurt onder supervisie van het bureau van Aldo van Eyck, dat nu geleid wordt door zijn weduwe, Hannie van Eyck-van Roojen. Op 21 maart 2006 zal het paviljoen voor het publiek geopend worden. Aldo van Eyck was ooit het enfant terrible van de Nederlandse architectuur, omdat hij de krasse uitspraken niet schuwde. Hij oefende een grote invloed uit op de naoorlogse architectuur, als docent en polemist. Vanaf 1959 was hij een van de toonaangevende redacteuren van het tijdschrift Forum. Van Eyck zette zich af tegen het te strakke modernisme van de jaren vijftig en zestig, en noemde die architectuur het werk van "mentaal onstabiele trendjagers". In de Nederlandse geschiedenis neemt hij een aparte plaats in, omdat hij streefde naar een veel creatievere en op mensenmaat geschoeide architectuur. Wat volledig haaks stond op de school van stedenbouwkundigen en architecten die in de golden sixties ongegeneerd delen van historische steden platgooiden. Belangrijk detail is ook niet dat hij in de jaren vijftig deel uitmaakte van de vrij revolutionaire en anarchistisch getinte Cobrabeweging. Die episode heeft hem zeker veranderd. Een van de eerste opdrachten waarmee hij zich in de kijker werkte, waren de talrijke speelplaatsen die hij voor Amsterdam ontwierp. Deze pleintjes vol duikelrekjes, praatheuvels, uitkijkposten, klimbogen, koepels en trechters waren gedroomde experimenten voor een nieuwe architectuur, los van de traditie en het te strakke modernisme. In 1951 begon hij zijn eigen bureau. In 1953 associeerde hij zich met enkele vooraanstaande confraters en richtte het Team X op. Intussen reisde hij de wereld rond om vooral de 'primitieve' architectuur te bestuderen. Zijn credo werd : maak van elk huis een kleine stad en van elke stad een groot huis. Dat was zijn reactie op de grootschalige huisvestingsprojecten, zoals het Bijlmermeer naast Amsterdam, die, aldus de Nederlandse journalist Geert Mak, tot collectieve ruzies leidden en niet tot een nieuw gemeenschapsgevoel. In Nederland, zeker in Amsterdam, werd er fel geprotesteerd tegen die anonieme nieuwbouwwijken en het slopen van de oude volksbuurten. Later leidde dit zelfs tot de krakersbeweging. Van Eyck hield ervan om die discussies nog wat aan te wakkeren. Hoe anders Aldo van Eyck wel dacht, blijkt goed uit dit speels opgevatte paviljoen. Het oudere Rietveldpaviljoen is ontworpen met de strakke, serieuze hand van De Stijl, de constructivistische en functionalistische kunst- en architectuurbeweging uit het begin van de eeuw. Het werd een abstracte compositie van strakke vlakken met een naadloze overloop van interieur in exterieur. Van Eyck daarentegen koos voor een experiment : een klein dorpje met vijf straten vol muren, pleintjes en kronkels. Bovendien opgebouwd uit ruwe betonblokken, zoals lemen hutten uit Afrika. De straatjes hebben trouwens iets Afrikaans. Het dak was bovendien heel dun en van rieten matten. In de ogen van de regelvaste modernisten was zo'n alternatief experiment een vloek. Maar de wonderbaarlijke kunsthut oogstte veel succes en bleek een voorloper van de organische architectuurexperimenten uit de jaren zestig en zeventig. De heropbouw van het paviljoen heeft ook een symbolische waarde. Principieel houden hedendaagse architecten en monumentenzorgers niet van reconstrueren, terwijl hun voorgangers niets anders deden. Misschien luidt dit experiment wel een nieuwe trend in. Maar er is meer. Deze sobere en met arme materialen gebouwde creatie contrasteert met de hypermonumentale spektakelarchitectuur van vandaag. Aldo van Eyck had zich immers beperkt tot een lieve spielerei met boeddhistische bescheidenheid.+Piet Swimberghe