:: Reacties : jp.mulders@skynet.be
...

:: Reacties : jp.mulders@skynet.beBuiten is het koud maar helder. Weer dat de wereld verglaast tot een presse-papier buiten proportie. Mensen, huizen en bomen zijn daarin toevallig bevroren, als insecten die te dom of te loom zijn geweest om tijdig hun vleugels te strekken. Er zitten ook luchtbellen in gevangen, samen met wat slordig gestolde strepen zon. De namiddag ademt een bedrieglijk soort rust. Zo meteen, denk ik, tuimelen touwladders uit het strakgespannen zwerk, waarlangs ruimtemannetjes naar beneden kruipen, om met spitse riekjes ijverig merg uit de mensen hun ruggen te pulken. Maar voorlopig zijn die bezorgd noch bevreesd. Ze fietsen en wandelen, omarmen elkaar met de genegenheid die in de week door drukte wordt vermorzeld. Straks worden bij de gloed van het haardvuur tedere verhalen verteld. Bekentenissen afgelegd, in cafés waar gezelligheid bol op jeneverglaasjes wordt geschonken. Ik zie de zondag met lede ogen aan, de mond vertrokken in een restant van een kramp. Ik ben van de wereld verbannen. Geveld door een virus dat niet goed weet of het mijn hoofd of buik als hoofdkwartier moet kiezen. Vreemde ijldromen had ik vannacht, waarin ik geloofde dat de toekomst van het regenwoud bepaald werd door de houding waarin ik sliep. Op wereldschaal ben ik maar een heel klein beetje ziek. Juist ziek genoeg om weer de waarde te beseffen van een lichaam dat mij dient als een slaaf met gladde spieren. Te vaak vind ik dat zo normaal. Ik verwaarloos mijn lijf, onthoud het de rust en de beweging die het verdient. Tot de slaaf begint te morren, en mij aan het denken zet. Over de waarheid die schuilt in het simpele gezegde "dat gezondheid toch het belangrijkste is". In tijden van A.A.L. (Alomvattend & Allesoverheersend Liefdesverdriet) ben ik wel eens over mijn nek gegaan omdat een goedmenende vriend zoiets banaals durfde suggereren. Ik zou een nier veil hebben gehad voor nog één laatste nacht met haar. Nu pas weet ik hoe ik dwaalde. Ik walg bij de gedachte aan eten, laat staan aan zoiets onsmakelijks als seks. Ik kan mij niet voorstellen dat ik met mijn beslagen tong ooit nog iemand zal durven zoenen, of zal kunnen genieten van de smaak van mandarijntjes met Lagavulin. Het is maar een onnozel griepje dat mij kwelt. Voor hetzelfde geld was het iets onverwachts en overrompelends geweest, dat van geen wijken wilde weten. MS, een hersenbloeding of zo'n ziekte waarvan zelfs de naam uitspreken al hopeloos is. "De dood is een zwarte kameel, die voor alle deuren knielt", zeggen ze in Turkije. Toch leven de meesten van ons - ikzelf inbegrepen - alsof er aan het feest geen einde komt. Zelfs de briljantste geesten bezondigen zich aan dit merkwaardige staaltje hybris. "Hij mag dan hooghartig zijn, dat stoort mij niet", schreef een bekende Vlaamse schrijfster mij onlangs over een nog bekendere vakbroeder. "Hij is immers ook bijzonder intelligent." Beide begrippen sluiten elkaar voor mij ten enenmale uit. Hooghartigheid vind ik een teken van gebrek aan intelligentie, omdat de zogenaamde slimme blijkbaar niet slim genoeg is om te beseffen wat hij met al zijn slimheid toch maar is : een vaag en vluchtig wezen van beenderen en bloed, dat door - ik zeg maar wat - een microscopisch bloedklontertje op de foute plek in een fractie van een seconde van al zijn gaven en kennis kan worden beroofd. In mijn verhakkelde toestand neem ik mij voor dat goed te onthouden. Als ik weer beter ben, wil ik minder dingen tegen mijn zin doen. En vooral de dingen doen die ik al zo lang had willen doen, maar door de druk van de wereld altijd uitgesteld heb. Naar Marakkech reizen, bijvoorbeeld. Nog eens paté met bosbes maken en slapen met een Indische vrouw (het ene liefst los van het andere). Uren, dagenlang bij mijn grootmoeder zitten. Al haar verhalen optekenen die anders onherroepelijk verloren zullen gaan. Met iets van gêne denk ik aan Jan, de vriend die ik destijds te veel verwaarloosd heb. Een fantastische jonge vent, die helaas met mucoviscidose was geboren. Zijn vulpen roestte weg door het zout in zijn zweet, terwijl Jan zelf van binnen uit uiteenviel. Hij was pas afgestudeerd, met grote onderscheiding in de economie, toen hij een hartlongtransplantatie moest ondergaan. Nog één keer zag ik hem daarna, dansend op zijn ziekenhuisbed. Zo opgelucht dat de operatie gelukt was. " Mulders," verklaarde hij plechtig over twee dingen die hij te lang had moeten missen : "Nu is het de drank en de vrouwen." Dat was buiten de zwarte kameel gerekend, die knielde voor Jans deurgat. Acht jaar al zit hij gevangen in de zompige grond van het West-Vlaamse boerengat E. Daar zal het nu ook wel vriezen, denk ik, terwijl ik onbeschaamd weer gezond word. Vraag niet waaraan ik het verdiend heb. Maar dankbaar ben ik wel. Jean-Paul Mulders