:: Reacties : jp.mulders@skynet.be
...

:: Reacties : jp.mulders@skynet.beHet lastigste, vindt Karel, zijn de haren. De haren van vrouwen die hij uit zijn huis moet verwijderen opdat andere vrouwen die niet zouden zien. Haren zijn hardnekkig. Overal blijven ze achter. In de wasbak. Op het velours van zijn dure fauteuils. Maar vooral op de badkamervloer, die bleekblauwe badkamervloer met noppen die de vrouwen met hun blote voeten beroeren terwijl ze hun haren uitkammen. Dat doen ze meestal voorovergebogen, met woeste halen die ze van hun moeders hebben afgekeken. Onvoorstelbaar dat ze daarna nog haren overhouden, vindt Karel, als je ziet hoeveel ervan uitzwermen over zijn badkamervloer. Als hij die ervan wil plukken, krullen ze zich in vreemde bochten, als waren het levende wezens die aan de greep van zijn vingers proberen te ontsnappen. Ze kronkelen en komen overal, tot onder het badmatje en achter het toilet, waar hij tevergeefs in vies stof tast. Stof komt van huidschilfers, maar in tegenstelling tot haren is het volstrekt anoniem. Vrouwen zijn alleen allergisch voor herkenbare dingen van andere vrouwen. Zoals haren. Ooit kreeg hij van een vrouw een bus scheerschuim naar zijn hoofd gekeild. Op de rand van het toilet had ze een haar bespeurd dat volgens haar niet haar haar kon zijn. Ze kunnen jaloers zijn, die vrouwen, ook al zijn ze zelf meestal getrouwd. Waarom ze die illusie zo hardnekkig in stand willen houden, als een goochelaar die koppig zijn trucje verzwijgt, al kent iedereen het al jaren : dat begrijpt Karel niet. Het moet iets met de essentie van het huwelijk te maken hebben, vermoedt hij. Dat oeroud economisch verbond. En met de schrik voor de leegte, misschien. Karel heeft dat allang achter zich gelaten. Hij heeft de eenzaamheid in de ogen gekeken en weet dat elk mens uiteindelijk alleen is. Hij is te vaak teleurgesteld in de liefde om zich nog te durven binden aan een vrouw. Hij beseft dat dit cliché klinkt, even afgezaagd als wat de vrouwen hem vertellen. Ze klagen over mannen die te typisch màn zijn. Mannen die niet kunnen praten. Mannen die hun gevoelens niet durven uiten. Mannen die verslaafd zijn aan hun werk, aan drank, aan gokmachines, voetbal en hoeren. Mannen die te vroeg klaarkomen of die, ondanks hun aanzienlijke lichaamslengte, over een geslachtsorgaan beschikken dat je veeleer zou situeren in de wereld van het knaaggedierte. Het wordt vlug banaal allemaal. Karel heeft het al zo vaak gehoord dat hij het zelf wel kan souffleren. Maar hij aanvaardt deemoedig zijn lot. Als een roeping waar geen god aan te pas is gekomen. Karel rijdt niet met een zwarte Audi TT décapotable. Hij is geen gigolo of playboy. Wat de vrouwen bij hem zoeken, is verpozing en wat warmte. Gesprekken die ze blijkbaar nergens anders vinden. Soms geniet hij van hun aanwezigheid, soms vindt hij die lastig. Soms zou hij willen dat ze meer weerstand boden. Steeds vaker vindt zo'n nachtelijke werveling van whisky sour, gekleurd licht en bewegende lippen immers zijn vervolg in Karels bed. Hij is een vrouwenexpert geworden. Hij kan hun acht courantste parfums moeiteloos van elkaar onderscheiden en er de juiste naam op plakken. Niet dat hij daar blij mee is. Er is niets waar hij nog zo opgewonden van raakt als van de brave glimp die hij lang geleden op de schoolbus opving van een pril paar meisjesborsten. Als Karel op de schoorsteenmantel de portretten van zijn dode grootouders ziet, die vijftig jaar getrouwd waren, schaamt hij zich een beetje. Hij krijgt dan heimwee naar de vrouw met wie hij gehoopt had oud te worden, ooit. De vrouw die hij trouw had beloofd en steun in goede zowel als kwade dagen. Ze waren nog jong en naïef toen, natuurlijk. Toch zou Karel soms willen dat er iemand was met wie hij een lang verleden deelde. Iemand die zich nooit van naam vergiste. Een vrouw van wie hij, al was het maar vijf seconden lang, zou durven denken dat ze nog bij hem zou blijven als hij in een rolstoel zat. Maar hij beseft dat hij evengoed kan wensen dat hij Rubens was, of het vuur had uitgevonden. Gelaten aanvaardt hij de gevoelsversplintering die zich, zoals bij zovelen, rond zijn dertigste heeft ingezet. Karel wil wel terug, maar kan niet. Karel is een verloren ziel. Een aaseter, die zich in het struikgewas ophoudt en zich tegoed doet aan de kadavers van dode huwelijken. Trots is hij daar niet op, maar het is nu eenmaal de loop van de dingen. Karel verwacht niets meer van blijvend belang. Als hij een jong stel aan tafel ziet zitten, in elkaars ogen verdrinkend, kan hij tot op een paar jaar nauwkeurig voorspellen hoe het hen verder zal vergaan. Dat doet hij niet, natuurlijk. Want Karel is een vreedzaam man, die anderen hun droompaleizen gunt. JEAN-PAUL MULDERS