Er staat tot volgende week een eindeloze trap aan het Tate Museum in Londen : een houten constructie die u trede per trede kunt bestijgen om op een bepaald punt toch weer terug naar beneden te moeten - en dan weer naar boven. Wie de juiste afslag mist, is vertrokken voor nog een rondje. De misleidende trap werd in september gebouwd voor het Londen Design Festival en is geïnspireerd op de onmogelijke tekeningen in zwart-wit van Escher. U kent misschien zijn in het vierkant klimmende trap, of de handen die zichzelf in potlood uittekenen. Niets in het werk van de Nederlander is wat het op het eerste gezicht lijkt. Zijn truken van de foor ? Wiskunde, en een technisch spel met contrasten, dieptezicht en kleurvlakken. Geen wonder dat architecten d...

Er staat tot volgende week een eindeloze trap aan het Tate Museum in Londen : een houten constructie die u trede per trede kunt bestijgen om op een bepaald punt toch weer terug naar beneden te moeten - en dan weer naar boven. Wie de juiste afslag mist, is vertrokken voor nog een rondje. De misleidende trap werd in september gebouwd voor het Londen Design Festival en is geïnspireerd op de onmogelijke tekeningen in zwart-wit van Escher. U kent misschien zijn in het vierkant klimmende trap, of de handen die zichzelf in potlood uittekenen. Niets in het werk van de Nederlander is wat het op het eerste gezicht lijkt. Zijn truken van de foor ? Wiskunde, en een technisch spel met contrasten, dieptezicht en kleurvlakken. Geen wonder dat architecten dit soort kunst inspirerend vinden, want het zijn basisprincipes bij het uittekenen van woningen. Zelfs meubelontwerpers zien het grafisch dit jaar : er wordt flink gespeeld met kleur, met trompe-l'oeil, met geometrische patronen en vooral met transparantie (zie trendrapport p. 35). Hedendaagse meesters in doorzichtigheid zijn de Japanse ontwerpers. Sou Fujimoto bijvoorbeeld, die de eer kreeg om deze zomer het Serpentine Gallery Pavilion neer te zetten. Die vederlichte metalen structuur (nog tot 20 oktober in Hyde Park) omschrijft de architect zelf als "een soort wolk". Op een warme septemberzondag lijkt het een groot klimrek, vol met spelende architectuur- en designfans en hun kinderen. Toch was het geen hedendaagse architect of nieuwe designexpo die mij het meest verraste, dat weekend in Londen. Ik was namelijk voor het eerst in het huis van de in 1837 overleden Sir John Soane. Zijn woning, meteen na zijn dood opengesteld als museum, is een wonderlijke plek. Hij verzamelde er met het geld van zijn rijk geboren vrouw en van zijn inkomen als architect flink wat : schilderijen van tijdgenoten, een Egyptische sarcofaag, borstbeelden uit Italië, versiersels van gotische kerken. En slim geplaatste spiegels, waardoor ruimtes hoger, breder en lichter worden dan ze in werkelijkheid zijn. Zelf omschreef Sir John Soane zijn unieke verzamelingen als studies voor zijn geest, maar hij hoopte ook er zijn studenten en andere artiesten mee aan te steken. En dat lukt tot vandaag : enkele hedendaagse ontwerpers bedachten voor het Londen Design Festival potloden, koptelefoons, een boekentafeltje, een spiegelkastje en een eettafel met stoelen. De aanpak van Soane past perfect in deze tijd, want mooie, inspirerende verzamelingen zijn dagelijkse kost op websites als Pinterest en Instagram. Geen wonder dat de Wunderkammer helemaal terug is, schrijft Piet Swimberghe (p. 87 e.v.) : we etaleren volop en niets is te gek. Opgezette dieren, natuurvondsten, souvenirs en andere rariteiten zetten we onder stolpen, in vitrinekasten en op strakke rekjes. Wie na het lezen van dat trendverhaal helemaal in de ban is geraakt van licht absurde verzamelingen, raad ik graag het Soanehuis aan. De eerste die ik ernaartoe stuur is onze Belgische designer van het jaar, Jean-François D'Or (zie p. 52). De Brusselaar is immers zo gek op mood boards dat hij er zijn expo in het designmuseum van Grand-Hornu mee volbouwde. Bovendien houdt D'Or als goede Belg van wat surrealisme : hij kwam pas creatief tot leven toen hij de soms verwarrende foto's van Man Ray ontdekte. Sindsdien probeert hij een speelse toon aan te slaan in zijn werk, zijn leven en zelfs als hij op de foto moet. Terwijl hij zichzelf in een houten kadertje inkadert op p. 52, luistert hij op de cover van dit magazine naar... een spiegel. Het is een foto die D'Or zelf omschrijft als calmement décalé - lichtjes uit de toon vallend.leen.creve@knack.be Leen CreveWie in de ban is van licht absurde verzamelingen, raad ik graag het Soanehuis aan