Als ik zeven jaar na mijn eerste bezoek op de luchthaven van Havana door de broeierige hitte stap, weet ik het weer. Armoede maakt vindingrijk, en armoede is er volop in Cuba. Via de autopista rijden we door uitgeleefde wijken met hoogbouw, naast de weg depanneert een man zijn grijsgroene sidecar, terwijl zijn vrouw gelaten toekijkt. Even verderop een portret van een lachende Fidel Castro en in reuzenletters Vamos Bien. De nacht is gevallen als ik mijn intrek neem in het huis van de voormalige suikerrietbaron O'Farrill, een nacht met spaarzame peertjes, afgeleefde maar romantische gaanderijen, heupwiegende jonge meiden op kruispunten.
...