Het wordt een druk jaar voor Jef Geeraerts. Onlangs, op 23 februari, vierde hij zijn 70ste verjaardag ("Ik hou niet van al dat gefeest, maar ik ben mijn vrouw toch heel dankbaar dat ze dat allemaal zo fijn heeft geregeld") en hij werkt intens aan een nieuwe misdaadroman ( De Ambassadeur) die wellicht nog voor de zomer zal verschijnen - "Jaag me niet op, hé. Ik wil er een goed boek van maken." Intussen worden alle romans, met Vincke en Verstuyft in de hoofdrol, opnieuw uitgebracht in een cassette, en bestaan er plannen om het complete andere werk uit te geven in de Ooievaar-reeks van Prometheus. De verzamelde verhalen komen al in maart uit. De PG, die onlangs door de jury van Weekend Knack bekroond werd met de Hercule Poirot-prijs, verschijnt in pocket en heel binnenkort komt er ook een Duitse vertaling.
...

Het wordt een druk jaar voor Jef Geeraerts. Onlangs, op 23 februari, vierde hij zijn 70ste verjaardag ("Ik hou niet van al dat gefeest, maar ik ben mijn vrouw toch heel dankbaar dat ze dat allemaal zo fijn heeft geregeld") en hij werkt intens aan een nieuwe misdaadroman ( De Ambassadeur) die wellicht nog voor de zomer zal verschijnen - "Jaag me niet op, hé. Ik wil er een goed boek van maken." Intussen worden alle romans, met Vincke en Verstuyft in de hoofdrol, opnieuw uitgebracht in een cassette, en bestaan er plannen om het complete andere werk uit te geven in de Ooievaar-reeks van Prometheus. De verzamelde verhalen komen al in maart uit. De PG, die onlangs door de jury van Weekend Knack bekroond werd met de Hercule Poirot-prijs, verschijnt in pocket en heel binnenkort komt er ook een Duitse vertaling. Bij een beleefd vraagje naar zijn gezondheid, blijkt dat de schrijver geen last heeft van ouder worden.Jef Geeraerts: Ik ben je dankbaar dat je 'ouder worden' zegt, en niet 'oud worden'. Leven met de dagelijkse aanwezigheid van de dood, dat is de aftakeling. En die is er, bij ons allemaal. De aftakeling hangt af van onze genetische code, van onze DNA-structuur. En die hebben we van onze ouders meegekregen, we kunnen dat niet verhelpen. We kunnen niet zelf bepalen of dat proces min of meer draaglijk zal verlopen dan wel of we allerlei serieuze kwalen zullen krijgen. Of je behandeld moet worden tegen kanker, of doof wordt, of halfblind. Of je wrakkig door het leven gaat. Tot nu toe ben ik gespaard gebleven. Ik voel me nog redelijk fit en ik kan fysieke inspanningen nog tamelijk goed aan. Ik merk dat als ik op stap ga in de Hoge Venen met mijn neef die nu 37 is. Na een tocht van 30 kilometer en bepakt met 20 kilo bagage ben ik moe, ik zou liegen als ik iets anders beweerde. Maar wat belangrijk is, is het recuperatievermogen. Merken dat je de volgende dag weer kan functioneren. En dan functioneren cum dignitate zoals de Romeinen zeiden. Met waardigheid. Dat gevoel van waardigheid is voor mij heel belangrijk. Als ik zou veranderen in een soort wezen dat in mijn ogen geen waardigheid meer heeft, dan wens ik niet verder te leven. Ik heb daar met mijn vrouw Eleonore over gepraat en wellicht maken we er dan een einde aan. Ik ben heel gelukkig met haar, we hebben heel veel prachtige momenten meegemaakt. Behalve mijn vrouw is ze ook nog mijn beste kameraad. Als ik een aantal dingen zou moeten missen zoals lekker eten met vrienden, grote reizen maken, naar muziek luisteren, dan is het voor mij niet meer nodig. Als ik nu een beroerte kreeg, dan kunnen we niet meer herhalen wat we gewend zijn. Er is zoiets als wat ik de wet van de verworvenheden noem. Als je gewoon bent aan een reeks goede dingen, dan is het verschrikkelijk die te moeten afbouwen. We kennen dokters genoeg die ons zouden helpen om waardig te sterven. Om het populair te zeggen: we zijn een goed leven gewend en we hebben schrik om door de hel te gaan. Je kan je natuurlijk afvragen wat het ergst is, de geestelijke of de lichamelijke aftakeling. Alzheimer moet toch verschrikkelijk zijn. Je kan het zien aan de gezichtsuitdrukking van de mensen, ze krijgen een soort Alzheimer-masker. Denk aan de bête uitdrukking van Hemingway op het einde, of ook van Iris Murdoch. Het schijnt dat Alzheimer het meest voorkomt bij mensen die ooit heel alert zijn geweest. Maar ik mopper niet: ik voel me fitter en veerkrachtiger dan tien jaar geleden. Het is raar, maar het is zo. Met ouder te worden, ga ik me ook niet echt op het verleden toespitsen. Ik luister en bekijk de mensen wel steeds aandachtiger. Ik tracht wat te leren van hun body language. Een beetje als een oude vos die in zijn hoekje zit. Ik heb dat van mijn vader. Toen die ouder werd, kon die ook mensen observeren en daarna tegen mij commentaar geven: ' Hedde da g'hoeird? Dieje zat doar te liegen dat 'm zwart zag.' Ik kijk zeker veel aandachtiger dan vroeger naar de wereld rondom mij. Vroeger deed ik maar, ik keek niet om, ik gaf plankgas, het kon mij allemaal niets schelen. Sinds een jaar of zes tracht ik bewust en soms met kleine dingen een soort hogere levenskwaliteit te bereiken. Ook in het schrijven. Omdat je het over je vader hebt: ik heb onlangs een foto gezien die dateert uit de oorlogsperiode. Heel huiselijk.Ja, dat was midden in de oorlog in Antwerpen. Ik zie de foto ook nog goed voor mij. Mijn moeder zit te lezen, mijn vader rookt een sigaartje. Ik sta daar wat hulpeloos tegen de schouw geleund. Het is een wat zelfgenoegzaam beeld: de middenstanders die het goed hadden. Voor een kleine jongen als ik, was opgroeien in de oorlog ongelooflijk. Dag en nacht soldaten zien voorbijmarcheren, ik vergeet bijvoorbeeld nooit meer de geuren van die periode. Ik wist natuurlijk niet wat er gebeurde. Later ben ik met mijn moeder naar de Kempen vertrokken om te ontsnappen aan de vliegende bommen. Ik heb daar nog lijken van Duitsers en Canadezen gezien. Ik had er een hele ondergrondse opslagplaats met handgranaten, een Mauser. Het aantal nieuwe indrukken dat ik in die periode heb opgedaan is ontstellend. Nieuwe geuren van sigaretten, leder... Ik was onlangs in de Westhoek in een oorlogsmuseum en ik kon onmiddellijk de merken van de auto's en vrachtwagens van toen herkennen. Dankzij de garage van mijn vader was ik mecanicien geworden. Ik kon aan een auto echt alles repareren. En na tien jaar bij de jezuïeten vroeg hij mij wat ik wou worden. Of ik de garage wou overnemen. Maar daar hele dagen werken was niets voor mij. Eigenlijk wou ik dierenarts worden. Ik was tijdens een paar vakanties in de Kempen meegegaan met een dierenarts en ik mocht de stallen in, de instrumenten schoonmaken en ook de spuiten vullen. Ik kende al heel wat van het boerenleven en ik hield daar erg veel van. Maar mijn cijfers voor wiskunde bij de jezuïeten waren zo slecht, dat ik daar niet aan moest denken. Ik was tweede van de klas en toch gebuisd voor wiskunde, de jezuïeten hadden dat nog nooit meegemaakt. Een beetje toevallig kreeg ik een folder van de Koloniale Hogeschool in handen en ik las dat er daar veel aan sport gedaan werd, dat je er kon schermen en paardrijden. Dat uniform sprak me ook wel aan. En dat je uiteindelijk naar Congo kon, vond ik schitterend. Over de rest van het verhaal heb ik genoeg geschreven. Lees maar Dood in Bourgondië of de Gangreen-cyclus. Ik wil over de periode met mijn eerste vrouw ook niet meer praten, wat ik te zeggen had is al verteld en behoort tot mijn privé-leven. Minder privé: je stond in 1984 op een politieke lijst voor de Europese verkiezingen. Zou je dat nu nog doen?Karel Van Miert en John Bultinck hadden me dat gevraagd. Deze goeie vrienden kon ik dat niet weigeren. Ik weet niet of ik dat nu nog zou doen. Maar ik ben er toch nog een beetje trots op dat ik meer dan 5000 voorkeurstemmen heb gekregen. Van Miert is me daar wel dankbaar voor geweest, maar ik heb vanwege de socialisten nooit moeten rekenen op enige vorm van steun. Een kiescampagne heb ik niet gevoerd, want ik was op Sardinië een boek aan het schrijven. Er is me wel eens verweten dat ik in mijn thrillers vooral de CVP-staat op de korrel heb genomen en minder oog zou hebben gehad voor de PS en de SP. Maar mijn boeken spelen zich niet af in Wallonië, ik heb niets te maken met de PS. Ik weet wel dat die partij mutatis mutandis te vergelijken is met de CVP in Vlaanderen: even almachtig, even corrupt op bijvoorbeeld het gebied van benoemingen. Ze heeft het monopolie en dat is nooit goed, dat is niet democratisch. Maar ik heb daar nooit rechtstreeks op gealludeerd in mijn misdaadromans omdat dat niet nodig was. Als ik ooit de moord op Cools in een roman had verwerkt, dan zou ik natuurlijk over de PS hebben moeten schrijven. Het probleem is: ik ken die partij nauwelijks. Maar kijk: mijn houding jegens de socialisten in Vlaanderen, dat is min of meer een sentimentele zaak. Mijn ouders zijn altijd socialisten geweest, ik ben opgevoed in een socialistisch nest en ik ben loyaal. Ook al ben ik nooit lid van de partij geweest. Mijn hart gaat naar de SP en dan zie ik wel iets door de vingers. Misschien ben ik ten onrechte wat te mild, maar dat heeft met de keuze van het hart te maken.Ironisch genoeg vond een socialistisch minister 'Gangreen I' dan weer pornografisch.Dat was Alfons Vranckx. Ik had van Frans Van Mechelen in 1969 de Driejaarlijkse Staatsprijs gekregen en die verdedigde zich op aanvallen met het argument dat hij het boek nooit gelezen had. Hij had toen ook al verklaard dat hij niets van cultuur afwist. Ik moest als laureaat ook in de jury van de volgende prijs zitten en ik heb dat geweigerd omdat ik dat corrupt vond. Jonckheere en Daisne hebben elkaar op die manier de prijs toegeworpen. Bijna drie maanden lang is die rel in de pers geweest en waren er interpellaties in Kamer en Senaat. Dat gebeurt niet vaak voor een boek. Als die rel er niet zou zijn geweest, dan was ik zeker minder bekend geworden. Als dat nu zou gebeuren, had ik stukken meer boeken verkocht, toen heeft het vooral geholpen om mij bekend te maken. Ik was toch al veertig.Je hebt ook nogal wat lelijke woorden naar je kop gekregen. Voor de vuist weg herinner ik mij: neofascist, koloniaal imperialist...Vrouwenhater ook nog, bourgeois... Dat is om hard mee te lachen. Dat deed mij niets. En verstandige mensen die zoiets lezen, merken dat het er allemaal zo dik opligt dat ze er wel mee zullen lachen. Woedend uitvallen tegen een schrijver werkt meestal averechts, want de lezer zoekt er terecht iets anders achter. Misschien heb ik in die tijd wel dingen geschreven die sommige mensen kwaad maakten. Maar dat soort kritiek is opgehouden, zonder dat ik mijn manier van schrijven heb veranderd. Ik kon er goed mee lachen en kwam dan thuis bij Eleonore met de boodschap dat de vrouwenhater weer thuis was.En zij was met haar kritiek op jou ook niet mals, als ik me 'Dood in Bourgondië' nog goed herinner. Ze had het over jou als 'een Streber die alles ondergeschikt maakte aan zijn carrière en die ook nog zoveel mogelijk zijn zinnetje wenste te blijven doen, zoals alle enige kinderen'.Natuurlijk. Dat is een terechte kritiek, ze kent mij goed. In Congo wilde ik carrière maken. Dat klopt. Als je iets doet, doe het zo goed mogelijk, dat is nog iets wat de jezuïeten mij hadden geleerd. Je moet doorduwen, niet naar de brokken kijken. Het doel heiligt de middelen. En eigenlijk was dat ook waar voor mijn literaire ambities. Die Staatsprijs was me een beetje naar het hoofd gestegen. Ik gaf toen ook veel lezingen, zoveel vrouwen waren er die me wilden zien... Ja, ik pochte daar wel mee. Dat was voor de tweede keer een mythevorming. Ik heb daar enkele jaren van genoten, tot ik zag dat het toch ook niet alles was. Ik heb me daarvan gedistantieerd. Ik beken dat, ja. Maar over het algemeen ben ik gelukkig met de keuzes die ik heb gemaakt in mijn leven. En er zijn toch een paar momenten geweest dat ik moest kiezen. En ik denk dat ik telkens de goede keuze heb gemaakt. Bijvoorbeeld de garage van mijn vader overnemen. Als ik niet naar Congo was gegaan, dan was mijn leven totaal anders verlopen. Dan was ik nu een welgestelde burger, maar dat interesseerde mij niet. En dan mijn ex-echtgenote verlaten om te gaan schrijven. Ten slotte al dat reizen... En uiteraard mijn huwelijk met Eleonore, iets wat ik me nog geen dag heb beklaagd. Zelfs als nu het einde zou komen. Wat me wel spijt, is dat ik een paar jaar geleden voor Playboy niet naar de zuidpool ben gegaan om daar een dagboek te schrijven. Een vriend had me eerder een reis naar Kenia aangeboden en bij mij heeft een eerste afspraak altijd de voorkeur. Zo een dagboek schrijven, dat ligt me, ik zou dat zeer graag gedaan hebben. Dat reizen van mij heeft vooral met onrust te maken. Bruce Chatwin heeft daar heel mooi over geschreven in De anatomie van de onrust. Ik heb wel wat van een nomade. Als je voelt dat je als nomade geboren bent, dan moet je daaraan toegeven omdat dat je leven verrijkt. Ik ben blij als ik terug ben, maar ik wil meteen daarna weer weg. Dat houdt je alert, verheldert de visie op de wereld. Reizen is voor mij onontbeerlijk. Intussen moeten we nog even wachten op je nieuwe roman 'De Ambassadeur'. Die zou toch eind vorig jaar uitkomen?Dat is even uitgesteld. Ik was beginnen te schrijven maar ik was niet gelukkig met het resultaat. Ik ben dan maar opnieuw begonnen. Het ging niet zozeer over de inhoud, die blijft wat hij was, maar het ging vooral over de vorm. Het zal je misschien verwonderen, maar ik ben nogal onzeker over mijn werk. Je zou dat lelijke woord faalangst kunnen gebruiken. Het heeft wellicht ook wat te maken met het succes van 'De PG'. Ik was bij een nieuwe uitgever beland, de roman was goed onthaald en ik kon en wou me geen nieuw misdaadverhaal permitteren dat minder goed was. Dan maar liever eventjes wachten en een roman uitbrengen waarover je tevreden bent. Maar nog eens: over mijn vak ben ik heel onzeker. Ik ben maniakaal in het aanbrengen van zelfs heel kleine correcties. Ik wil ook dat alles klopt, dat de lezer ervan overtuigd is dat het correct is wat ik schrijf. Ik loop met een klein notitieboekje op zak om details te noteren die ik later misschien zal gebruiken. 'De Ambassadeur' speelt in Laos en ook in Bangkok. Ik ben pas terug van ginder, om toch alles nog maar eens te checken. Ik vertel niet waarover het gaat, maar het hoofdpersonage is een gepensioneerd diplomaat die sjoemelt en zelf belazerd wordt. Hij sjoemelt met antiek en amfetamines. Een vreemde oudere man van rond de zeventig, die niet getrouwd is en naar pornofilms kijkt. Maar om weer te keren naar die details. Amfetamines worden nogal veel geslikt in Thailand en de gebruikers noemen het ja ma. Letterlijk: een paardenmiddel. Ja is geneesmiddel, ma is paard. Wie ertegen is, heeft het over ja ba: een middel dat je gek maakt. Dat soort dingen wil ik weten, en ik geloof dat je met dergelijke details vertrouwen wekt bij de lezers. Maar daar kruipt tijd in. Er verschijnt heel wat rond je zeventigste verjaardag, maar geen biografie.In Vlaanderen worden er geen goede biografieën geschreven. Dat is een Angelsaksisch genre. En als het niet goed gedaan is, dan wil ik het ook niet. In elk geval moet niemand op mijn medewerking rekenen. Als ze het mij vragen, zal ik geen inlichtingen geven. Mijn antwoord zal zijn: 'Zoek het zelf maar uit'. Ik heb dat niet nodig. Dat heeft niets met egocentrisme maar alles met privacy te maken. Met ouder worden zeg ik steeds meer: laat me met rust. Ik lees wel graag biografieën. Mijn vriend Roel D'Haese noemde ze heiligenlevens. We wisselden goede biografieën uit. Als je zoiets serieus wil doen, is daar jaren werk aan. Ik heb het dan niet over het genre boekjes die onlangs verschenen zijn over Elsschot en Brel. Kleine essays, aanzetjes eigenlijk. Ik ben echt niet happig op een biografie. Ik kan het natuurlijk niet beletten, maar ik kan het wel vervelend vinden. Natuurlijk, na mijn dood kan ik er niets meer aan doen. Dan zal ik vanuit het rijk der doden toekijken. Fred Braeckman / Foto Lieve Blancquaert