:: Info Jean-Philippe Demeyer : 0475 89 61 67 of jp@jpdemeyer.com
...

:: Info Jean-Philippe Demeyer : 0475 89 61 67 of jp@jpdemeyer.comHoewel Jean-Philippe Demeyer zichzelf als een antiquair beschouwt, mag je hem zeker ook een decorateur noemen : iemand die graag interieurs stoffeert met meubels en objecten. Hij was enkele jaren in Knokke actief en pakte ook op diverse antiekbeurzen uit met voyante stands die ophef maakten. Zijn voorliefde gaat uit naar ongewone objecten en vooral naar combinaties van stijlen en sferen. Hij is niet bang om iets ongewoons tevoorschijn te toveren. En dat is in deze woning een koud kunstje. "Het gebouw op zich is immers bijzonder, alleen al door de ligging, middenin de polders, net aan de grens", vertelt hij. "Het huis ligt verlaten en is geen gewone villa of fermette, maar een vrij moderne creatie uit 1972, destijds ingericht door interieurarchitect Marc Stellamans. Dat interieur is volledig intact bewaard, met inbegrip van de zwarte keuken die door Top Mouton werd geleverd." In de vrij grote woning worden verschillende elementen met elkaar verweven tot een vrij coherent geheel. Meest opvallend is de kleine trappentoren in de woonkamer. Het interieur heeft een open karakter. "En dat is wel leuk, maar niet altijd," zegt Jean-Philippe Demeyer. "Het is een superhuis om in te wonen, maar je voelt dat het als een buitenverblijf is opgevat. Het open plan zonder binnendeuren zorgt voor onrust. Er is geen enkele rechthoekige kamer, alles is opgedeeld. Dat was in die tijd 'in', maar net daardoor heb je nergens een gevoel van geborgenheid. Die geborgenheid krijg je trouwens makkelijker in een oud gebouw. Moderne architectuur vind ik wel boeiend om te zien als de zon schijnt, maar niet 's avonds bij onguur weer."Net dat frappante contrast tussen het vrije grondplan, de eerder moderne vormgeving van bepaalde onderdelen en de robuuste meubels en objecten, geeft de inrichting een bijzonder karakter. "Door het interieur vrij vol te stouwen heb ik die openheid wat gecompenseerd. Veel stukken hebben bewust een theatraal karakter. Als je er alleen gewone dingen of design in zou zetten, zou het banaal worden."De hele woninginrichting getuigt van Demeyers bewondering voor de decoratiestijl van de Britten. "Zij springen op een heel andere manier om met hun interieur dan wij. Ze doen dat op een meer ontspannen en bijna impulsieve manier. Ze zijn om te beginnen minder burgerlijk : een versleten tapijt mag honderd jaar blijven liggen. Alles is ook niet tot in de puntjes harmonieus uitgedokterd, want dat is saai. Ik hou van interieurs met iets lelijks in, meestal blijken ze achteraf fascinerender dan iets dat voor de hand ligt, dat volledig afgewerkt en té mooi is. Veel mensen kopen trouwens op de verkeerde manier, ze stemmen alles te veel op elkaar af. Koop door elkaar en zet het samen, het is door jou gekocht en past dus bij elkaar. Voor mij is de Angelsaksische stijl boeiender dan de Franse. Britten durven van alles mengen : kleuren, stijlen en objecten."Deze opvatting verklaart meteen de aanwezigheid van de mosterdgele zitbank voor de trap en de leeuw in de poldertuin. Uiteindelijk biedt dit huis een ideaal kader voor Demeyers stijl. Zowel de trap als de badkamer met veel rookglas doen heel seventies aan, en het interieur met al die oude meubels is, als ensemble, een knipoog naar de vermaarde Londense decorateur uit die tijd, David Hicks. Hicks was trouwens in de golden sixties en seventies lang niet de enige die in Londen oud en modern confronteerde. Daar waren bijvoorbeeld ook Geoffrey Bennison en Antony Redmile, allemaal decorateurs wier realisaties regelmatig werden gepubliceerd in de Casa Vogue en de Connaissance des Arts. Dat laatste blad ken ik ondertussen vrij goed, omdat ik er ooit vele jaargangen van opkocht en er dikwijls in blader. In die tijd stond in elk nummer zo'n interieur. De meeste creaties kwamen uit Londen of New York en na verloop van tijd ook uit Parijs, waar die stijl tegen '77 doorbrak. Net zoals het design van toen nu wordt herontdekt, krijgen ook dit soort interieurs meer aandacht. En terecht, ze zijn ongewoon theatraal en daardoor een beetje exotisch. En dat zijn precies de ingrediënten waar iedereen nu naar zoekt, zowel de moderne als de klassieke vormgevers." n Tekst Piet Swimberghe I Foto's Jan Verlinde