In het appartement waar ik woon, en waar de chauffagie inmiddels hersteld is, is een zwart gezin toegevoegd aan het bewonersbestand. "Hello", grijns ik schaapachtig als ik de man bij de liftkooi toevallig ontmoet. "Do you speak English ?"
...

In het appartement waar ik woon, en waar de chauffagie inmiddels hersteld is, is een zwart gezin toegevoegd aan het bewonersbestand. "Hello", grijns ik schaapachtig als ik de man bij de liftkooi toevallig ontmoet. "Do you speak English ?"Hij antwoordt dat ik ook rustig het woord tot hem kan richten in het Nederlands. Dat heeft hij goed leren spreken in de afgelopen jaren. Ik voel mij wat gegeneerd, want zit in het feit dat je een zwarte man automatisch in het Engels aanspreekt, niet een zweem van rassenonderscheid verborgen ? Mijn gevoel van lompheid groeit nog als hij eraan toevoegt dat hij ook het Frans machtig is en aan dezelfde universiteit als ik twee masterdiploma's heeft behaald. Het is pijnlijk dat deze man zo trots en ongevraagd zijn academische curriculum voorlegt aan een wildvreemde. Hij wil blijkbaar duidelijk maken dat hij een nijvere en productieve vent is, niet een van die klaplopers daarbuiten. Het wijst op een lange ervaring met vooroordelen. Het gebouw dat ik bewoon, begon zijn carrière in de jaren 1950 als een volbetonnen Vlaams bas-tion, maar krijgt de laatste tijd meer exotische trekjes. Zijn cast lijkt een kruising tussen een film noir en een vaudeville, tegelijk hilarisch en doortrokken van grim. We hebben een Rus en een Russin, een Iraaks echtpaar met twee kindjes, een zangeres en een bassist, de zoon van een minister die ik door het matte glas met halters in de weer zie. We hebben een voormalige trapezewerkster, een taxichauffeur die soms in tongen spreekt, een karakterdanseres die in de lift mijn hand las en verbaasd opkeek. Verder hebben we, zoals elk soortgelijk gebouw ter wereld, door het leven verbitterde mensen die door spionnetjes spieden en bij voorkeur eerst het slechte zien. Als de nieuwkomer zegt van Ethiopië afkomstig te zijn, moet ik aan de wieg van de mensheid denken, en aan mijn lievelingskoffie, de onvolprezen Yrgacheffe. Enkele mede-eigenaars hebben zijn komst ook opgemerkt maar denken aan andere dingen. Zij maken zich zorgen over de waarde van hun eigendom. "Een makelaar in vastgoed heeft het mij zelf verteld", zegt iemand : "Men kijkt in de eerste plaats naar de bellen. Men kijkt naar de bellen en staan daar te veel uitheemse namen op, dan is het niet goed. Dan is de boel aan het verloederen en de waarde van het pand in vrije val. Je kunt er, als het ware, een lakmoesproef voor de status in zien." Die nuchterheid verbaast mij, maar tegelijk is het het soort onontkoombaar realisme waarvan je voelt dat het waar is. Mensen hebben nu eenmaal de neiging om, altijd en overal, in de eerste plaats te denken aan de waarde van hun pand. Alles wat daar een bedreiging voor vormt, wordt met gepaste weerzin bekeken, of het nu windmolens zijn of faraomieren. Ik begrijp dat, ik ben geen Tom Naegels die er zijn corebusiness van maakt om glimmend van betweterigheid te lachen met de bange blanke man. Elke dag probeer ik terechte ergernissen die ik om mij heen zie te verzoenen met de diepe overtuiging dat alle mensen gelijk zijn, ongeacht hun kleur of de plek waar zij toevallig zijn geboren. Qua streetwiseness mag het een voordeel heten dat ik jarenlang een zeer beperkte oppervlakte muslim toilet gedeeld heb met Chinezen, Indonesiërs, Tanzanianen en een paar jongens uit Iran. Ik bedoel : ik kan wel iets hebben op dat vlak. 's Avonds, in het licht van de halfvolle maan, werp ik een nieuwsgierige blik op de bellen. Naast de vogels van exotischer pluimage staan er nog verrassend veel mussen en merels op, Devossen en Vandekerkhoves, en zelfs een Bomhals. Tobias Bomhals. Dat vind ik een mooie naam, hij doet mij denken aan obussen uit de Grote Oorlog en aan explosievengordels op de tram. Bij de terugtocht naar boven, door het gewapende glas van de lift, merk ik voor de deur van de nieuwe bewoners een felrood vloerkleed op. In de grauwe, door zelfmoordspaarlampen verlichte hal waar voorts alleen grijze matjes liggen en donkerbruine, oogt het uitgesproken exotisch. Beginnersfoutje, allicht. Een kleine uitschuiver op het glibberige pad naar de integratie zonder naam en zonder gezicht. In de bevlekte spiegel van de lift speelt een glimlach om mijn lippen die ik niet helemaal kan verklaren. Een paar dagen later is het matje weg, vervangen door een exemplaar dat de vereiste gelijkvormigheid en grauwheid bezit van onze aluminiumkleurige natie. jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders