Niet toevallig word je als bezoeker op het plein voor de Sainte-Cécile als het ware 'verpletterd' door de kathedraal, het meest volumineuze bakstenen bouwwerk ter wereld. Ze werd ook doelbewust opgetrokken als een daad van zelfbevestiging, van autoriteit, van bescherming ook. Ze moest hét symbool zijn van een kerk die afvalligen een lesje zou leren. En afvalligen waren er genoeg, in de twaalfde eeuw, toen een snel groeiende groep gelovigen op zoek naar de echte waarden van de kerk, zich steeds nadrukkelijker manifesteerde. Aanvankelijk werden ze de Albigenzen genoemd. Ze gingen voor idealen als armoede, zuiverheid en zelfopoffering en erkenden slechts één sacrament, het consolamentum, vergelijkbaar met het doopsel. De leer kwam uit Perzië via de Balkan naar het Westen en was duidelijk dualistisch : er was een strijd tussen goed (het licht, de geest, het immateriële, de intelligentie) en kwaad (het materiële, en vooral het lichaam dat de geest probeert te vangen...). De katharen, zoals ze later werden genoemd, bezaten geen kerkgebouwen en geen kruisen, ze stonden een absolute democratie en volstrekte gelijkheid tussen mannen en vrouwen voor, en waren niet-racistisch. Zo konden vrouwen het leger leiden en het was de katapult van een vrouw die Simon de Montfort doodde, de man die de katharen vervolgde en liet ombrengen.
...

Niet toevallig word je als bezoeker op het plein voor de Sainte-Cécile als het ware 'verpletterd' door de kathedraal, het meest volumineuze bakstenen bouwwerk ter wereld. Ze werd ook doelbewust opgetrokken als een daad van zelfbevestiging, van autoriteit, van bescherming ook. Ze moest hét symbool zijn van een kerk die afvalligen een lesje zou leren. En afvalligen waren er genoeg, in de twaalfde eeuw, toen een snel groeiende groep gelovigen op zoek naar de echte waarden van de kerk, zich steeds nadrukkelijker manifesteerde. Aanvankelijk werden ze de Albigenzen genoemd. Ze gingen voor idealen als armoede, zuiverheid en zelfopoffering en erkenden slechts één sacrament, het consolamentum, vergelijkbaar met het doopsel. De leer kwam uit Perzië via de Balkan naar het Westen en was duidelijk dualistisch : er was een strijd tussen goed (het licht, de geest, het immateriële, de intelligentie) en kwaad (het materiële, en vooral het lichaam dat de geest probeert te vangen...). De katharen, zoals ze later werden genoemd, bezaten geen kerkgebouwen en geen kruisen, ze stonden een absolute democratie en volstrekte gelijkheid tussen mannen en vrouwen voor, en waren niet-racistisch. Zo konden vrouwen het leger leiden en het was de katapult van een vrouw die Simon de Montfort doodde, de man die de katharen vervolgde en liet ombrengen. De wraak van de kerk was meedogenloos en bloedig : de katharen werden voor de inquisitie gesleept en gedood, waarbij vooral de 'zuiveren' ( les parfaits en parfaites) het mikpunt waren. Toen de strijd gestreden was, wou de kerk een symbool dat voor eeuwig van haar overwinning zou getuigen. Het moest van ver te zien zijn en ook dienen als toevlucht voor de gelovigen. Het werd de kathedraal Sainte-Cécile, waaraan meer dan een eeuw werd gebouwd (1282-1480). Ze oogt als een onneembare vesting met forse afmetingen en domineert nog steeds het stadsbeeld van Albi, ze is meer dan twintig kilometer ver te zien. Wie er binnenloopt, staat versteld van de afmetingen, de beeldenpracht en het afschrikwekkende tafereel van het Laatste Oordeel, de grootste afbeelding ervan in Europa. Achter de kathedraal rijst een ander indrukwekkend gebouw op, zij het van iets bescheidener afmetingen. Dat is het Palais de la Berbie, het voormalig bisschoppelijk paleis waar het museum Toulouse-Lautrec onlangs heropende na renovatie. Het museum bezit meer dan duizend herinneringen aan de schilder die uit Albi afkomstig was, van wandelstokken en correspondentie tot tekeningen, litho's en doeken. Daarvan is momenteel een selectie te zien, waaronder enkele nooit eerder getoonde werken, maar ook portretten van de schilder die door tijdgenoten werden gemaakt, zoals een prachtig werkje van Vuillard, dat Toulouse-Lautrec als keukenprins toont. De expo laat ook het jeugdige genie van de schilder zien, onder meer met het onge-evenaarde doek Artilleur, sellant son cheval dat hij al op zijn zestiende borstelde. We lopen door de salle palatiale waar ooit de katharen werden berecht, kijken naar portretten van Carmen la Rousse en La blanchisseuse en appreciëren de verschillende stappen die tot sublieme affiches leidden. Maar wie echt wil kennismaken met leven en werk van een genie, kan niet zonder een ommetje langs het kasteel du Bosc, zo'n veertig minuten rijden noordwaarts van Albi. Henri de Toulouse-Lautrec groeide hier op en bleef er tot hij naar Parijs verkaste. Hij zou er geregeld terugkeren om zijn familie te bezoeken. De huidige bewoonster, Nicole Tapié de Ceyleran, is een achterkleinnicht van de schilder en reageert enthousiast op ons verzoek om kennis te maken. Ze is een klein, pienter, fluks dametje dat de moeder van de schilder nog heeft gekend, en die stierf 82 jaar geleden ! Met energieke tred beklimt onze gastvrouw de vele treden van het kasteel, stapt onvermoeibaar door salons met wandtapijten, toont me de bibliotheek en het oratorium, en troont me mee naar de kamer van de kleine Henri, waar de jongen zijn familie vermaakte met poppenkastvoorstellingen. In een hoek van de kamer staat nog zijn bed, op de vloer zijn kopieën van vroege schetsen neergelegd. Nicole Tapié wil meteen een paar dingen rechtzetten. "Er doen veel geruchten over Henri de ronde, vaak zijn ze onjuist gebleken. De waarheid is dat hij een erg onrustig kind was. Hij kon niet stilzitten maar was dol op paardrijden. Op zeker moment brak hij zijn linkerbeen, toen hij toeren uithaalde met zijn zweep nadat hij doornat van een rit te paard was teruggekeerd en bij de haard moest zitten om te drogen. Hij gleed uit en brak zijn been. Een jaar later zat het nog in het gips. Dat belette hem niet om verder rond te hotsen, tot hij weer viel en zijn rechterbeen brak. De gevolgen waren desastreus : zijn romp groeide verder maar zijn benen bleven kort waardoor hij een misvormd figuur kreeg. De disproportie werd nog geaccentueerd door de redingote die toen populair was. Op zijn veertiende mat hij 1,52 meter en daar bleef het bij. Zijn ouders hebben alles geprobeerd om hem te helpen, zelfs een therapie met elektrische impulsen, die even pijnlijk als inefficiënt bleek." We lopen verder naar een houten bord tegen een wand van het musée familial, waarop met potlood streepjes werden gezet, met ernaast de naam van het kind en de datum van de meting. Het laatste streepje naast Henri's naam is een gaatje geworden, door de vele aanrakingen van de bezoekers. "Henri was een vroegrijp kind", vertelt de kasteelvrouw verder. "Vaak lag hij op zijn buik op het tapijt te tekenen. Toen hij, amper drie jaar oud, zijn ouders vergezelde naar een doopfeest en zij het doopregister gingen signeren, tekende hij daarin een rund." De oude dame haalt albums boven met foto's van familiefeesten waaruit moet blijken dat Henri niet verstoten was, zoals sommigen beweren. Ze toont kopieën van tekeningen en schetsen, en beneden in de orangerie wijst ze, niet zonder trots, op de karikaturen op de muren die hij al op jonge leeftijd maakte. "Natuurlijk was de familie erg conservatief, gelovig en royalist, maar terzelfder tijd was ze heel breeddenkend en nieuwsgierig naar de nieuwste vindingen, in een tijd waarin de fotografie, de treinen en de eerste auto's ten tonele verschenen. Henri's vader nam hem mee naar de Salon des Impressionistes toen hij acht was." Ook toen de jongeman naar Parijs wilde om een schildersatelier te volgen, was daar volgens Nicole Tapié begrip voor. "We hebben zelfs een brief aan zijn oma, waarin hij advies vraagt over de juiste keuze van een leermeester. Maar je zult mij niet horen beweren dat de familie alle thema's in zijn werk apprecieerde ! Zijn eigen vader was overigens ook behoorlijk excentriek..." Toen Albi twee jaar geleden door Unesco werd geklasseerd als Werelderfgoed, waren de inwoners allerminst verbaasd. Hun stad is immers niet zomaar een Franse stad. Er is historie te over en er is heel wat te zien. In het oude centrum valt de kwaliteit van de gerestaureerde huizen op. Er zijn nauwelijks storende elementen en dat is grotendeels te danken aan een zekere dokter Amalric, die al in de jaren 1960 ijverde voor het behoud van het patrimonium en die door zijn inzet veel stadsbewoners inspireerde. In een van die huizen heeft voormalig antiquair Dominique Miraille sinds enkele weken het Musée de la Mode geopend. Hij is gepassioneerd door alles wat met mode en accessoires te maken heeft. Het begon met de aankoop van een kleed in groene zijde uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Dat was de start van een eigen verzameling die inmiddels honderden stukken telt. Twaalf jaar geleden kocht Miraille een oud klooster dat hij gedurende elf jaar restaureerde en waar hij nu thematische tentoonstellingen plant. Wij bezochten er, enkele dagen na de opening, de eerste expositie en waren gecharmeerd, zowel door de voortreffelijke opstelling als door de stukken zelf, die in een onberispelijke staat verkeren. "Ik ga alleen voor het allerbeste en in de allerbeste staat", zegt Dominique, die overigens ook een schitterende cataloog samenstelde. Het wordt warm en stilaan tijd om de aanlokkelijke, glooiende omgeving te verkennen. Er zijn bewegwijzerde routes langs wijnvelden en bastides (vestingdorpen). Er is ook een route des vins de Gaillac en eentje voor ruiters. De aandachtige reiziger ontdekt onderweg nog honderden historische duiventillen, in verschillende maten en stijlen, en belandt vroeg of laat onvermijdelijk bij de hooggelegen parel die Cordes-sur-Ciel werd gedoopt. De goed bewaarde bastide is van ver te zien. Ze werd in 1222, in volle periode van katharenvervolging, gebouwd door Raimond VII, graaf van Toulouse, als veilig onderkomen na de vernietiging van Saint-Marcel door de troepen van Simon de Montfort. De eerste bewoners werden gelokt met privileges en vrijstelling van taksen, zodat er in geen tijd een kleine zesduizend man huisde. Na de katharenstrijd brak een periode van economische bloei aan : er werd handel gedreven in leder en linnen, weefsels werden vervaardigd van vlas en hennep dat in de vallei werd gekweekt, artiesten bekwaamden zich in de kunst om met pastel en saffraan te kleuren. Maar godsdienstoorlogen, twee pestepidemieën en het uitgraven van het Canal du Midi luidden het verval in. Tot op vandaag blijft het stadje met zijn gotische huizen, zijn prachtige uitkijkplaatsen en zijn kleine tuintjes een unieke historische getuige, ook al gaat het in de zomermaanden wat gebukt onder het bezoek van de vele toeristen. Op een steenworp ervan ligt het bescheiden Monestiés. Het stadje bevindt zich op een van de routes naar Compostela maar heeft verder op het eerste gezicht niet veel te bieden. Het wist wel zijn authenticiteit te bewaren. Er staan enkele bijzondere huizen, er is een twaalfde-eeuws brugje en de kerk getuigt van roemrijker tijden. Op de Place de la Mairie worden bloemen neergelegd voor de gesneuvelden en uit de draagbare luidsprekers die een ambtenaar op de rug draagt klinkt de Marseillaise. Wat kenners naar hier lokt, is de Sint-Jakobskapel waar een opmerkelijke kalkstenen beeldengroep te bewonderen is. De beelden werden door kunstliefhebber en mecenas Louis I d'Amboise besteld voor het klooster van Combefa, een buitengoed van de bisschoppen van Albi. Toen deze het kasteel verlieten, lieten ze de beelden achter. De dorpsbewoners brachten ze met buffelkarren naar Monestiés. De schitterende taferelen van de dood en de graflegging van Christus, gecreëerd door een onbekende meester, laten geen mens onberoerd. Langs al dat historisch erfgoed, beboste heuvels, weiden met schapen, vervallen schuren en vergeten dorpjes, kronkelen schilderachtige weggetjes. We rijden door het woud van Grésigne, volgen de gorges van de Aveyron en drinken in de verstilde bastide van Castelnau de Montmiral een koffie in afwachting dat de avond verkoeling brengt. Terug in Albi proeven we soep van roze look uit Lautrec, drinken we met sterrenchef David Enjalran (L'Esprit du Vin, Albi) een glas sprankelende Gaillacwijn, die volgens de lokale methode in de fles fermenteert, eten oesterblaadjes en leren alles over de hoedenindustrie die hier door Spaanse inwijkelingen tot bloei werd gebracht. 's Avonds slenteren we nog even door deze unieke stad. De jongelui die elkaar op de gezellige pleintjes ontmoeten om de lente te vieren, hebben duidelijk geen last meer van het dreigende profiel van de kathedraal.DOOR PIERRE DARGE - FOTO'S PPI