Ik kijk in het gezicht van een jongen van hooguit achttien. Een blonde bles valt over zijn gezicht, vertrekkend uit een warrige scheiding links op zijn hoofd. In zijn ogen zie ik doodsangst. Door zijn slordige uniform weet ik dat hij soldaat is, een kindsoldaat. Ik ken zijn naam niet, ook niet die van zijn vader of zijn moeder. Is hij een Brit, een Belg, een Fransman, een Duitser ? Het heeft geen enkel belang. Alleen de verschrikking die hij doormaakt telt, en die heeft geen nationaliteit. Door de plek waar zijn zwart-witportret hangt, weet ik dat dit kind rond 1900 moet zijn geboren. De tranen schieten mij in de ogen. Altijd iemands vader, altijd iemands kind. Ik sta in de Ieperse Lakenhallen aan het eind van het tentoonstellingsparcours van De laats...

Ik kijk in het gezicht van een jongen van hooguit achttien. Een blonde bles valt over zijn gezicht, vertrekkend uit een warrige scheiding links op zijn hoofd. In zijn ogen zie ik doodsangst. Door zijn slordige uniform weet ik dat hij soldaat is, een kindsoldaat. Ik ken zijn naam niet, ook niet die van zijn vader of zijn moeder. Is hij een Brit, een Belg, een Fransman, een Duitser ? Het heeft geen enkel belang. Alleen de verschrikking die hij doormaakt telt, en die heeft geen nationaliteit. Door de plek waar zijn zwart-witportret hangt, weet ik dat dit kind rond 1900 moet zijn geboren. De tranen schieten mij in de ogen. Altijd iemands vader, altijd iemands kind. Ik sta in de Ieperse Lakenhallen aan het eind van het tentoonstellingsparcours van De laatste getuige. Even daarvoor heb ik zitten luisteren naar Edmund Blundens Undertones of War : terwijl op een plasmascherm de Westhoek in diepgroene tinten voorbijtrekt, hoor ik de beschrijving van een veldtocht, van loopgraven, van bomkraters. Ik kijk met de ogen van Edmund Blunden dwars door de liefelijke landschappen van nu, naar de ravage die de Groote Oorlog aanrichtte in de vlakte rond Ieper. Bij het verhaal van de diggers, de archeologen die nu nog steeds graven naar menselijke resten van soldaten die zijn achtergebleven in de zware West-Vlaamse grond, kan ik niet anders dan over een reusachtige, op de grond gekleefde foto lopen van een skelet dat in de klei ligt. De bottines die nog aan de voeten zitten, maken het beeld levend. Mijn keel wordt dichtgeknepen. We lopen te gemakkelijk met vuile voeten over ons verleden. De dag daarvoor heb ik in het Poperingse Talbot House zitten luisteren naar het verhaal van de in 1910 geboren Jeanne Battheu, hoe ze als klein kind soldaten die van de gas gepakt waren, op bevel van een officier kopjes melk tussen de lippen moest gieten. Soldaten die van het front naar Poperinge werden afgevoerd en op straat lagen te sterven. Beelden die Jeanne nooit vergat, al werd ze 91. Het is een van de eerste uitbundige lenteweekends. Maar in de Westhoek regent het, het giet en het miezert afwisselend. We rijden langs de wegen. Bij één van de Commonwealthkerkhoven, dat van de Clyte, houden we halt. Wat een wereld van verschil met het protserige monument dat de Fransen op de Kemmelberg neerpootten. De Clyte, één van de vele soldatenkerkhoven waarvan de eenvoud en de ingetogenheid bedacht werden door Sir Edwin Lutyens, de grote Britse architect die ook New Dehli vormgaf. In dienst van de glorie van het Britse rijk, maar ook van zijn diepste ellende. Een beeld uit de krant van de afgelopen week komt mij voor ogen : de granny's, vrouwen van in de zeventig, in de tachtig, die in New York protesteren tegen de oorlog in Irak. Vrouwen die omwille van hun protest eerder al werden opgepakt, maar die niet opgeven. Vrouwen die niet zwijgen en niet buigen voor dreigend gezag. Hun gezichten glijden over dat van Jeanne Battheu. Zij hebben allicht de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en Vietnam. Waar zijn hun vaders en hun zonen, vraag ik me af. Zitten die thuis voor de televisie of staat hun naam ergens op een sober graf of op die zwarte muur in Washington ? Na het weekend staan in de krant foto's van Guy Verhofstadt met zijn zoon Louis in Auschwitz. Louis Verhofstadt, een frêle jongen, net als die op de foto in Ieper. De premier legt zijn arm om zijn zoons schouder terwijl hij luistert naar de Poolse eerste minister die naast hem loopt. Nemen veel staatshoofden en regeringsleiders hun zonen en dochters mee naar plaatsen als Auschwitz en Ieper ? En wat vertellen ze hun dan ? Dat er niets glorierijks is aan oorlogen en veldslagen, dat de mens altijd weer een wolf wordt voor een ander mens ? Zouden ze geloven dat daar een remedie tegen is ? Geloof ik dat nog wel ? Gelooft u het ? Wat voor de ene zinloos geweld is, is voor de andere immers een heldendaad. TESSA BLOGT ! VAN MUIZEN EN MENSEN, OP www.knack.beTessa Vermeiren