You have a green thumb", complimenteren mijn Amerikaanse vrienden me weleens als ze mijn New Yorkse tuin zien. Wat ze daarmee bedoelen, is dat mijn bloemen en planten zo floreren. Dat is wel ironisch. Hoewel ik het kind en kleinkind ben van heel bedreven Vlaamse tuiniers, ken ik niets van het vak. Ik zeg dat met spijt. Mijn grootmoeder is dood en mijn vader zit aan de andere kant van de oceaan. Toen ik van hen had kunnen leren, had ik het te druk met allerlei banale dingen. Nu ik verlang naar hun advies is het te laat.
...

You have a green thumb", complimenteren mijn Amerikaanse vrienden me weleens als ze mijn New Yorkse tuin zien. Wat ze daarmee bedoelen, is dat mijn bloemen en planten zo floreren. Dat is wel ironisch. Hoewel ik het kind en kleinkind ben van heel bedreven Vlaamse tuiniers, ken ik niets van het vak. Ik zeg dat met spijt. Mijn grootmoeder is dood en mijn vader zit aan de andere kant van de oceaan. Toen ik van hen had kunnen leren, had ik het te druk met allerlei banale dingen. Nu ik verlang naar hun advies is het te laat.Maar wie zou dit ooit gedacht hebben? Je laat de Oost-Vlaamse buiten blasé achter je liggen voor New York en voilà, ineens komt het plant- en zaaiverlangen onweerstaanbaar naar boven. Tuinboeken zijn aan mij verspild. Daar heb ik het geduld niet voor. Ik tuinier dus in het wilde weg. Ik smijt het groente- en fruitafval tegen de muur van mijn Chinese buur. Wat de eekhoorns, wasbeertjes, ratten, muizen en vogels aan compost voor me achterlaten, strooi ik in de lente in het rond samen met de vetste, langste pieren die ik van mijn leven heb gezien. In de grond stop ik vervolgens her en der wat planten en zaadjes. Sommige daarvan koop ik bij mijn bloemist Conrad Schweizer, de kleinzoon van Duitse immigranten wier zaak hij verderzet. De rest verkrijg ik door een bloeiende ruilhandel met mijn buren. Rozemarijn voor hosta, zurkel voor munt, pioenen voor margrieten. Vraag me niet hoe ik doe wat ik doe. Ik weet het niet. Dat alles in mijn tuin zo welig tiert, schrijf ik toe aan het subtropische zomerklimaat van New York en aan mijn wriemelende tuinhulpjes, de pieren. Ik kan me mijn leven in de stad zonder mijn stukje groen niet voorstellen. Dat is waar voor zoveel New Yorkers. De gelukkigsten hebben adembenemende daktuinen met de skyline als achtergrond, idyllische, Italiaans geïnspireerde 19de-eeuwse binnentuinen met fonteinen of geheime parken achter hun huizen omdat iedereen in hun straat zijn tuinmuur heeft gesloopt voor de creatie van een stuk collectief groen. Dan zijn er al diegenen die dapper bloemen, groente en fruit kweken in vensterbanken, op balkonnetjes, op het hete asfalt op daken, op ijzeren brandladders en soms in voor- of achtertuintjes waar nooit een zonnestraal op valt. Mijn favorieten zijn de community gardens, de New Yorkse variatie op "het werk van den akker". Op dit ogenblik zijn er 750. Het overgrote deel ligt in armenbuurten. De terreinen zijn eigendom van de stad. Vroeger stonden er gebouwen die door hun eigenaars in de jaren zestig en zeventig werden opgegeven omdat ze geen geld meer opbrachten. De stad zag zich dan verplicht om de vaak verkrotte gebouwen over te nemen. Vele honderden werden gesloopt, en wat overbleef waren lelijke gaten die al snel veranderden in vuilnishopen, autokerkhoven of verzamelplaatsen voor junkies. Hier en daar probeerden enkele moedige zielen illegaal te tuinieren op de braakliggende terreinen, maar makkelijk was het niet. In 1980 gaf de stad hen een steuntje in de rug. Er werd een programma op poten gezet dat Green Thumb werd gedoopt. De buurtbewoners werden aangemoedigd om op de terreinen te tuinieren tot de dag waarop de stad er eventueel terug huizen zou bouwen. Dat was toen maar nu is nu. Veel van die terreinen zijn intussen groene oases geworden waar bewoners groente, fruit en bloemen kweken, waar kinderen spelen, bejaarden in het zonnetje kaarten en buurtfeesten worden gehouden. Een aantal van de tuinen zijn ondertussen veel geld waard, niet omdat ze er zo mooi uitzien maar omdat de waarde van onroerend goed, ook in armere buurten, duizelingwekkend is gestegen. Het onvermijdelijke gebeurde: verleden jaar kondigde burgemeester Giuliani aan dat hij 112 van de 750 community gardens op een openbare veiling zou verkopen. "A deal is a deal", zei de harteloze rakker. De verontwaardiging was groot. De directrice van Green Thumb nam meteen ontslag uit protest. Ze schaarde zich aan de kant van de bedreigde tuiniers en het gevecht voor het behoud van hun paradijzen begon. Er is La Perla Community Garden in Manhattan, die al drie keren tot de mooiste van de stad is verkozen. Er is Sherman Avenue Garden in de Zuid-Bronx, een tuin waar planten klimmen langs ijzeren bedhoofdeinden en kinderen elk hun minituintje hebben tussen twee planken van platgelegde boekenkasten. Er is Patchen Avenue Garden in Brooklyn waar bejaarden aan kinderen leren hoe tomaten, bieten en rozen te kweken. De straatprotesten groeiden en de spanning was de laatste weken om te snijden. De 112 tuinen zouden deze week geveild worden. De totale minimuminzet was 3,5 miljoen dollar. De stad hoopte er drie tot vier keer zoveel uit te slaan, plus grondbelastingen. Maar zelfs in deze bittere tijden gebeuren er wonderen. De avond voor de veiling werden de tuinen gered. Een organisatie voor natuurbehoud, de Trust for Public Land, en de van reputatie eerder stoute fee Bette Midler, sloegen de handen in elkaar en kochten alle tuinen voor 4,2 miljoen dollar. Een bescheiden overwinning, bijna even zoet als mijn New Yorkse tomaten. Jacqueline Goossens