:: Janette Laverrière, door Yves Badetz, verschenen bij Norma Editions, Parijs, ISBN 2 909283 88 7 - www.perimeter-editions.com
...

:: Janette Laverrière, door Yves Badetz, verschenen bij Norma Editions, Parijs, ISBN 2 909283 88 7 - www.perimeter-editions.comJ anette Laverrière, 94, opent zelf de deur van haar woning. Een bescheiden appartement, één hoog in de Parijse wijk Le Marais, dat ze met zorg heeft ingericht, een decennium of vier geleden. Ik verwacht een krakende, bibberende mummie. Maar de dame heeft energie voor twee. Ze draagt een elegante, wit en rood gestreepte blouse. Haar Frans sprankelt. Ze lijkt jaren jonger. Ze heeft iets van een oude filmvedette, die grote stukken van haar leven zou hebben doorgebracht in de schaduwen van palmbomen, aan de rand van een azuurblauw zwembad, cocktail binnen handbereik. Onzin : háár leven heeft zich grotendeels afgespeeld op bouwwerven en gebogen over tekentafels en vergadertafels. Janette Laverrière is zonder meer een pijler van de moderne Franse designgeschiedenis. Ze heeft tijdens haar carrière dozijnen woningen ingericht, tientallen meubelen ontworpen. Nochtans reikt haar roem minder ver dan die van een aantal van haar tijdgenoten, misschien omdat haar meubelontwerpen nooit op grote schaal zijn gefabriceerd of verspreid : haar oeuvre is er een van unieke stukken. Toch krijgt haar werk op dit moment meer aandacht dan ooit tevoren. Norma, een Franse uitgeverij, wijdde zopas een mooi geïllustreerd boek aan haar, en de nieuwe Londense meubelfabrikant Perimeter brengt een aantal van haar mooiste ontwerpen uit de jaren vijftig en zestig in productie, Nenuphar, een tafeltje in drie delen ; de tafel Architecte in hoge en lage versie ; en de tafel Noir et blanc. De oplagen zijn beperkt (25 stuks van elk), en de prijzen torenhoog. Maar Janette Laverrière lijkt gelukkig en voldaan in de winter van haar leven. Ze heeft verschillende levens in Parijs doorgebracht. Maar ze komt uit Zwitserland. Haar vader, Alphonse, was architect. Hij bouwde onder meer het treinstation van Lausanne en het Zwitserse paviljoen voor de legendarische Exposition internationale des arts décoratifs van Parijs, anno 1925. Hij was ook artistiek directeur van het horlogemerk Zénith en de stichter, in 1913, van L'oeuvre, een progressieve vereniging voor sierkunsten naar het voorbeeld van de Wiener Werkstätte. Le Corbusier was een van de eerste leden. Haar moeder, Adèle Lithauer, groeide op in Johannesburg, waar haar familie een fortuin had vergaard in de goudmijnen. Zoals Charlotte Perriand, een tijdgenote, werd Janette Laverrière grootgebracht tussen stad en bergtoppen. En net als Perriand raakte ze als jong meisje gefascineerd door de teksten van Le Corbusier. Op haar nachttafeltje lag L'Esprit nouveau, het in 1920 door de architect en Amédée Ozenfant opgerichte kunsttijdschrift. In 1925, toen ze zestien was, vergezelde ze haar vader naar Parijs, voor de afbraak van zijn paviljoen op de Exposition. Nog geen jaar later begon ze een opleiding als illustrator en decoratrice aan de Allgemeine Gewerbeschule van Basel. Ze genoot er, voor het eerst, van een zekere vrijheid, maar haar ouders vreesden dat ze met een schilder zou trouwen. Ze haalden haar terug naar Lausanne, waar ze aan de slag kon in het atelier van haar vader. In die periode ontwierp ze haar eerste meubelen, in opdracht van een vriendin, SuzannePolla - een stel fauteuils in acajou, een bijbehorende bank, een tafeltje en een secretaire, alles van elk ornament gespeend en resoluut modern. Na een opleiding van vier jaar in zijn ateliers stuurde Alphonse Laverrière zijn dochter naar de beroemde Jacques-Emile Ruhlmann in Parijs, waar ze een stage kon volgen. Ruhlmann bevond zich op dat moment op het toppunt van zijn roem. "Ik had in het atelier van mijn vader gewerkt. Hij kende Ruhlmann en hij vond het een goed idee dat ik bij die man stage zou gaan lopen", zegt Laverrière, die niets vergeten is van dat lange leven. Haar moeder bracht haar naar Parijs ; de twee vrouwen stonden versteld van het precieuze, luxueuze, ouderwetse meubilair in de ateliers van de meester. "Vergeleken met Zwitserland, vond ik Parijs stoffig en oud. Ik weet nog dat ik dacht, wat is dit voor een land ? Ik denk dat de Fransen, wat meubilair betreft, nog altijd teerden op wat hen in hun jeugd was geleerd, Lodewijk XIII, XIV of XV. Terwijl die stijl in Zwitserland in feite nooit heeft bestaan. Toen ik bij Ruhlmann begon, was ik natuurlijk zwaar teleurgesteld. Ik kende het Bauhaus. In het begin dacht ik, wat is dit, waar ben ik mee bezig ? Maar door Ruhlmann aan het werk te zien, werd ik me bewust van de proporties, de finesses, de subtiliteiten. Details die je nergens anders ziet. Krommen, bijvoorbeeld. Een kromme, daar deed je bij Ruhlmann uren over." In 1931 trouwde ze met Maurice Pré, die ze bij Ruhlmann had leren kennen. Geen schilder, maar een decorateur en meubelontwerper. Ze kregen een zoon in januari 1933. Ruhlmann overleed enkele maanden later. Het gezin was toen al naar Zwitserland verhuisd. Het echtpaar vestigde zich als décorateurs, ze signeerden hun meubelen met de naam M.J. Pré. Ze namen geregeld deel aan wedstrijden, die ze vaak verloren, zoals de inrichting van een badkamer op de oceaanstomer Normandie. In 1935 keerden ze terug naar Parijs. Hun eerste opdracht daar kwam van een vage kennis, de 24-jarige vriendin van een vriendin : een keuken, tuinstoelen en slaapkamermeubilair voor een woning in de banlieue. Een opvallend functionele keuken werd het, van inox, destijds een duur en weinig gebruikt materiaal : de elementen werden in Zweden gefabriceerd. In 1937 nam het echtpaar deel aan het Salon des artistes décorateurs van de Exposition Internationale des Arts et Techniques met een fumoir voor het pied-à-terre "d'un archéologue". Goed voor een gouden medaille. Voor een andere beurs, een jaar later, ontwierp Laverrière een spiegel die gevat zat in een beschilderde ivoren lijst en opgehangen was aan een grote bronzen ring. De spiegel werd een soort talisman, symbool van het individualisme van de ontwerpster. "Ik had een man met hetzelfde beroep, die er veel meer van wist. Maar ik wou me wel altijd uitdrukken, en dus zocht ik naar manieren om dat te doen. Mijn man destijds werkte voor een gereputeerde firma. Hij had een eigen stand op de Salon des décorateurs. Ik, met mijn slecht karakter, had beslist dat ik ook wou tentoonstellen. We waren jong en arm. Ik wist niet echt wat ik zou kunnen maken. Plotseling dacht ik, ik maak een spiegel. Ik heb me geamuseerd met de versiering van de lijst." "Op de salon, in het Grand Palais, had iedereen enorme stands. Mijn spiegel hing in een hoekje, boven het meubel van iemand anders. Ik vond dat niet erg. Ik was jong en ik was niet pretentieus, en dat spiegeltje was nu eenmaal niet groot. Toen kwamen de ministers. De ministers van toen, van voor de oorlog, wisten alles en kenden alles. Ze waren gecultiveerd. In tegenstelling tot de ministers van tegenwoordig, die niets meer kennen. Enfin, ik zat ergens aan de andere kant van de Salon, toen ik mijn naam hoorde. Ze zochten me. 'Janette, Janette, Janette, de minister wil je zien.' En baf, compliment, compliment, compliment. De volgende ochtend kreeg ik telefoon van een volksvertegenwoordiger. Die wilde de spiegel kopen. Toen hij naar de prijs informeerde, had ik niet onmiddellijk een antwoord klaar. Ik had daar niet over nagedacht. Ik heb om het even wat gezegd, een bespottelijke prijs. Later kreeg ik dankzij mijn spiegel het voorstel om lid te worden van de vereniging van decorateurs. Destijds was dat een hele eer. Je moest vijf keer tentoongesteld hebben, voorgedragen worden. Tegenwoordig is dat anders. Nu smeken ze de mensen om zich in te schrijven. Ik ben niet onmiddellijk lid geworden. De oorlog is uitgebroken, en we hebben er niet meer over gepraat." Toen de oorlog begon, werd Maurice Pré opgeroepen. Hij werd naar de Maginot-linie gestuurd. Janette werkte eerst als vrijwilligster op het Franse consulaat in Lausanne op de dienst paspoorten en visa. Daarna ging ze in Parijs aan de slag op het ministerie van Bewapening. Ze ontwierp camouflagezeilen, bedoeld om wapenfabrieken voor de vijand te verbergen. In 1943 kon ze opnieuw met haar man samen wonen in Parijs. Toen hij voor de Service du travail obligatoire geconvoceerd werd, vluchtte hij naar zijn schoonouders in Zwitserland. Janette bleef in de buurt van Parijs. Tijdens de weekeindes werkte ze op de werf van een Poolse klante. Ze ontwierp ook met goedkoop materiaal uitgevoerd kindermeubilair en speelgoed, waarvoor ze snel een klant vond, het huis Louis Vuitton. Terwijl de oorlog bijna gestreden was, laaide de passionele strijd in het gezin Pré. Voor een wedstrijd van de Commission du meuble de France, een officieel orgaan dat betaalbaar meubilair voor jonge gezinnen hielp te ontwikkelen, dienden Maurice Pré en Janette afzonderlijke projecten in. Zij gebruikt haar meisjesnaam, in februari 1946 was de echtscheiding officieel. Laverrière stortte zich in het vakbondsleven en de politiek. Ze was betrokken bij de oprichting van de Créateurs d'architectures intérieures et de modèles, de eerste vakbond voor decorateurs. Ze werd lid van de Communistische Partij. "Tegenwoordig schrijft iedereen : Janette Laverrière is communist. En dat is waar. Na de oorlog ben ik communist geworden omdat ik niet wou dat alles zou herbeginnen. Ik had Pétain gezien, de collaborateurs, het Vichy-regime. Ik wou vermijden dat we opnieuw een dergelijke situatie zouden meemaken. Ik wou geen oorlog meer. Dat is toch normaal ?" Ze verliet de Communistische Partij in 1968, na de bestorming van Praag door Russische troepen. "Ik zag in dat er geen hoop was op verandering. Toen ik een klein meisje was, droomde ik er al van dat arbeiders thuis mooie dingen zouden hebben. Het interesseert u niet, maar mijn vader, die in Zwitserland architect was en actief in een vereniging van ontwerpers, heeft ooit een tentoonstelling georganiseerd van arbeiderswoningen. Ik was 5, 6, misschien 7 jaar. Mijn vader heeft me meegenomen en me uitgelegd dat arbeiders net zo goed het recht hadden goed gelogeerd te zijn. In die woningen vond je voor het eerst naaimachines, geïntegreerd in een meubel. Ik vond dat buitengewoon. Ik vond het ook rechtvaardig dat die mensen mooie meubelen hadden, net zoals iedereen. Ik heb nooit gedacht, ik ga meubelen ontwerpen voor de rijken, of voor de armen. Als je democraat bent, wil je dat iedereen het goed heeft."Ze tekende achtereenvolgens de interieurs van 250 eenpersoonsappartementen voor een arbeidersfoyer in de voorstad Fontenay-aux-Roses en het presidentiële paleis van Niamey in Nigeria. Aan dat project was ze vier jaar zoet. Zijn er verwantschappen tussen een foyer en een paleis ? "Geen enkele. Als je een ontwerper bent en er wordt je gevraagd een vuilnisbak of een paleis te tekenen, dan is dat hetzelfde. Je vertrekt telkens van een probleem, waarvoor je een oplossing moet vinden. In het ene geval was het probleem jonge arbeiders huisvesten. Dat was niet gemakkelijk. We hadden een onnozele som geld ter beschikking. In het andere geval moest een paleis worden vervangen. Nigeria was een republiek. Het was niet langer een kolonie. Het paleis moest daarom een zekere ernst uitstralen, luxe ook."Waarom is de republiek precies bij haar komen aankloppen ? "Omdat ik de president kende. Hij wou mijn advies. Zijn decorateurs ( Belgen blijkbaar, JB) hadden hem reproducties voorgesteld van meubelen in de stijl van Lodewijk XIII, XIV en XV. Het was niet evident om hem ervan te overtuigen dat het geen goede keuze was zich te omringen met meubelen in de stijl van de Franse koningen. Het is me gelukt, zij het niet zonder moeite." Het paleis werd afgebroken in 1988. Er blijven nauwelijks foto's over van de interieurs, en van de inboedel is geen spoor. Een jaar of vier geleden vond Laverrière een nieuwe - of beter gezegd, hernieuwde - passie : spiegels, of zoals ze zelf zegt, des évocations. "Ik zag niet meer zo goed. Werven kon ik niet meer aan, meubelen ontwerpen was te moeilijk geworden. Ik wist niet wat te beginnen. Ik dacht, ik ga hier toch niet zonder iets te doen op de dood zitten wachten. En plotseling was daar het idee van de spiegels. Spiegels zijn magisch. Bon, eigenlijk zijn het dus geen spiegels. Het zijn evocaties, op basis van spiegels. De eerste was een hommage aan Jean Cocteau." Wat bedoelt ze precies met evocaties ? "Bijvoorbeeld, Alice in Wonderland." Ze wijst naar een werk aan de wand van haar salon. "Ik wou Alice in Wonderland evoceren. Welnu, daarvoor heb ik de glimlach van de kat gebruikt. Later heb ik aan Dorian Gray gedacht. Hebt u dat boek gelezen ? Ja ? Ah bon, bravo ! Ik heb een gouden lijst gemaakt, een verwijzing naar het tableau dat Dorian Gray van zijn ouders had geërfd. Het midden van de lijst heb ik leeg gelaten, om te zeggen dat zijn leven leeg was. Toen hij zestig werd, heeft hij zichzelf gezien in een spiegel, en tac !" Ze heeft de schilder Courbet geëvoceerd, Het Jungleboek ("Ik heb Mowgli afgebeeld als een cirkel : hij leeft in de jungle en vliegt naar de bewoonde wereld"). Ze maakt de voorwerpen niet langer zelf, daarvoor ziet ze te slecht. Een assistent voert haar ideeën uit. Dat haar salontafel Nenuphar nu eindelijk wordt uitgegeven, stelt haar tevreden. "Ik heb er mijn hele leven van gedroomd meubelen in serieproductie te laten maken. Maar het is nooit gebeurd. Dit is de eerste keer. We hebben indertijd met de vakbond geprobeerd om ons door de overheid te laten steunen. Maar de ministers hebben nooit interesse vertoond. Ze hadden nochtans het voorbeeld van Denemarken, waar de meubelindustrie na de oorlog geholpen is door de overheid. Dat initiatief heeft Denemarken enorm veel geld opgebracht."De eigenares van Perimeter, een Française die in Londen is gevestigd, ontdekte het werk van Laverrière in galeries. Perimeter wordt gelanceerd met de Nenuphar en recent design van Adrien Gardère en Eric Gizard, alles in beperkte oplage. "Ik heb misschien duizend meubelen ontworpen en zij heeft dit eruit gekozen", zegt Laverrière. "Als begin is het geen slechte keuze. Het is een veeleer luxueus meubel, want dat is het publiek dat Perimeter wil bereiken. Nu, als iemand anders een ander publiek zoekt, dan kunnen ze andere meubelen bij me vinden. Alles is interessant. Op voorwaarde dat het een oplossing biedt voor een probleem. Ik kan evengoed betaalbaar meubilair maken, dat in duizenden exemplaren kan worden geproduceerd, als een uniek stuk voor de koning der Belgen." Tekst Jesse Brouns