"Stoute meneren die in de nacht confetti doen op treinen...", hoor ik een meisje van een jaar of zes zeggen in het station van M, waar ik op doortocht ben naar nergens. Ze zegt het tegen haar grootouders, met wie ze staat te wachten op het perron. Ze zegt het bloedserieus, een wijsneuzig wipneusje dat bezaaid is met sproeten.
...

"Stoute meneren die in de nacht confetti doen op treinen...", hoor ik een meisje van een jaar of zes zeggen in het station van M, waar ik op doortocht ben naar nergens. Ze zegt het tegen haar grootouders, met wie ze staat te wachten op het perron. Ze zegt het bloedserieus, een wijsneuzig wipneusje dat bezaaid is met sproeten. Als ze naar een trein wijst, begrijp ik eensklaps : ze bedoelt graffiti. Heerlijke tijden in een mensenleven, waarin het ergste wat je je kunt voorstellen van stoute meneren is dat ze confetti doen op treinen. Ik denk aan de dingen die stoute meneren voorts nog zoal uitvreten, in de nacht maar ook steeds vaker onbedekt en in de schelle zon. Deernis voel ik dan, als ik die teentjes uit die sandaaltjes zie steken. Wat zij nog allemaal moet weten. Kreunend zet ons treinstel zich in beweging, langs morsige achterkanten van huizen. Langs platte daken waarop speeltuigen zijn achtergelaten, en schotelantennes aan de hand waarvan je je kunt oriënteren. In de moderne metropool vind je aldus in een wip het oosten. Handiger dan de stand van de zon of de schors van de bomen. Langs het spoor heeft iemand op een verweerde muur gespoten : CORNU WATNU ? De schreeuwerige letters contrasteren met de onbenulligheid van de boodschap. Wie riskeert nu strafrechtelijke vervolging om zo'n bericht met dependelaars te delen ? Ik wis het zweet van mijn voorhoofd en concentreer mij op het dagblad, waarin de belevenissen staan beschreven van het ruimtetuig dat wij naar de rand van ons zonnestelsel stuurden. Die prestatie wekt mijn ontzag, zoals ook de gedetailleerde beelden van Pluto, een planeet die altijd al op mijn sympathie heeft mogen rekenen. Vreemd zootje zijn wij toch. Op de eigen aardkloot nog voor geen meter overeenkomen, maar intussen al de pretentie hebben een hand naar de sterren uit te steken. Was ik buitenaards korstmos, ik maakte mij gauw uit de voeten. Mijn gedachten zwermen naar mijn vader in 1976, toen we in Oostende puften van de hitte en hij over het dagblad zat gebogen. Hij bestudeerde de foto's die Marslander Viking zopas naar ons gestuurd had. Ook toen was het al : stenen, stilte en krijsende eenzaamheid. Nooit een giraffe met twee hoofden of een kabouter die je vriendelijk toezwaait, verzen uit heilige boeken debiterend. Een heerlijk detail aan de recente odyssee naar Pluto vind ik de as van de meneer die de (dwerg)planeet ontdekt heeft, in 1930. Die is met het ruimtetuig New Horizons meegegeven in iets wat lijkt op een blikje schoensmeer. Aldus kon Clyde Tombaugh postuum langs de oppervlakte van Pluto scheren en vervolgens verder het heelal in zwieren, wat volgens mij zelfs nog een zalig gevoel geeft aan een gecremeerde. Schoon vind ik het, en zo romantisch voor wetenschappers die doorgaans voor koel worden versleten. Wie zou er op dat pracht-idee zijn gekomen ? Hoe zou dat gegaan zijn, het bezoeken van de nabestaanden om hun de toestemming voor zulk een eigenaardig plan te vragen ? Hartverheffend dat zoiets óók gedaan wordt, in ons gezellige wereldje waar er weer vrolijk onthoofd wordt. "De meesten van ons liggen in de goot, maar anderen kijken naar de sterren", hoorde ik mijn dochter van acht onlangs zeggen. We stonden in een sombere hall op de lift te wachten. Hoewel ze hem niet helemaal correct citeerde, was ik toch dankbaar een quote van Oscar Wilde te herkennen in haar woorden. Ze boft maar, dacht ik, zoiets van haar moeder te horen. Dat althans kunnen wij haar meegeven, als afwisseling op de films waarin Barbie met haar vriendinnen gaat shoppen, bij wijze van rozige hersenspoeling. Intussen ben ik van mening dat het in de kosmos wemelt van het leven en wellicht zelfs van de stoute meneren, die in de nacht confetti doen op treinen.jp.mulders@skynet.beJean-Paul MuldersOok toen was het al : stenen en krijsende eenzaamheid. Nooit een giraffe met twee hoofden of een kabouter die je vriendelijk toezwaait, verzen uit heilige boeken debiterend