Een herfstige avond zes jaar geleden. We zoeken onze weg door smalle straten waar uitgeleefde huizen tegen elkaar aanleunen. Her en der troepen ongure figuren samen, prostituees staan te roken op de stoep. De Brusselse Noordwijk, weinig plekken waar je je dichter bij het negentiende-eeuwse Londen van Dickens voelt dan hier. Het flatje helemaal boven onder het dak bestaat uit twee minuscule kamertjes : een keuken en daarnaast een ruimte die tegelijk eet- en slaapkamer is. Hier begroet ik voor het eerst Valentin en Ludmila.
...

Een herfstige avond zes jaar geleden. We zoeken onze weg door smalle straten waar uitgeleefde huizen tegen elkaar aanleunen. Her en der troepen ongure figuren samen, prostituees staan te roken op de stoep. De Brusselse Noordwijk, weinig plekken waar je je dichter bij het negentiende-eeuwse Londen van Dickens voelt dan hier. Het flatje helemaal boven onder het dak bestaat uit twee minuscule kamertjes : een keuken en daarnaast een ruimte die tegelijk eet- en slaapkamer is. Hier begroet ik voor het eerst Valentin en Ludmila. Nog nooit heb ik met eigen ogen zoveel armtierigheid gezien. Nog nooit zoveel levensvreugde ook. Het koppel dat tegenover ons zit aan de onverwacht rijk gevulde tafel - wij zitten op het bed, zij op twee gammele stoelen - is net gevlucht uit Kazachstan. Als Russen hebben ze het daar na het uiteenvallen van de Sovjetunie hard te verduren gekregen : de Kazachen wreken zich op de oude 'kolonisatoren'. De zoon van Valentin en Ludmila werd vermoord. En met hem hun toekomst in dat koude, uitgestrekte steppeland. Maar ze zijn vastbesloten er hier nog wat van te maken : al zijn ze dan de zestig voorbij, ze bulken nog van de plannen. Hij doet vrijwilligerswerk voor Spullenhulp en de liefdadigheidsorganisatie Convivial, zij zingt bij een Russisch koor, samen volgen ze Franse en Nederlandse les. Zelfs te midden van al hun misère bekijken ze het leven consequent van de zonnige kant. Als we weggaan, omhelst Ludmila mijn vrouw, haar lerares Nederlands, innig. "Mijn Belgische dochter", zegt ze. Het komt me op dat moment wat vreemd over, maar gaandeweg worden de contacten frequenter, de banden hechter. We worden steevast in de watten gelegd - "Hier, eet nog wat" - en blijven ons verbazen over hun onwrikbare geloof in de toekomst. Ondanks hun precaire situatie en de zware gezondheidsproblemen waarmee Ludmila kampt. Maar als ons zoontje geboren wordt, verandert er wat. Daantje heeft zijn 'Russische baboesjka' één keer gezien, en dan blijft het maandenlang stil. Hebben we wat verkeerds gezegd ? Brengt zijn geboorte pijnlijke herinneringen naar boven ? Als mijn vrouw ze eindelijk aan de lijn krijgt, is er van de goedlachse Ludmila geen spoor meer. Dof en moe klinkt het dat hun asielaanvraag is afgewezen en dat alleen de beroepsprocedure nog een waterkansje betekent. België stuurt twee mensen, bejaard en ziek, terug naar een land dat hen niet meer moet en waar sociale voorzieningen zo goed als onbestaande zijn. Ze kunnen alleen maar hopen dat ze niet tijdens de winter op het vliegtuig worden gezet, als de kou ongenadig door de straten van hun Kazachse thuisstad Almaty jaagt. Twee gebroken mensen onderweg naar nergens, twee kleine cijfertjes in de juichende statistieken van ons steeds strenger wordende uitwijzingsbeleid. - Jan Haeverans