Samen met mijn jongere zus ben ik opgegroeid in Morina, een gehucht in Kosovo dat toen nog tot het communistische Joegoslavië behoorde. Moeder was de enige katholiek in ons dorp, vader was moslim. Mijn ouders waren al voor hun geboorte aan elkaar toegewezen door hun grootvaders en mijn moeder was amper vijftien toen ze trouwde. Ik beleefde een onbezorgde, gelukkige jeugd, al moest ik als kind al hard werken, in het huishouden en op het land bij mijn vader die boer was.
...

Samen met mijn jongere zus ben ik opgegroeid in Morina, een gehucht in Kosovo dat toen nog tot het communistische Joegoslavië behoorde. Moeder was de enige katholiek in ons dorp, vader was moslim. Mijn ouders waren al voor hun geboorte aan elkaar toegewezen door hun grootvaders en mijn moeder was amper vijftien toen ze trouwde. Ik beleefde een onbezorgde, gelukkige jeugd, al moest ik als kind al hard werken, in het huishouden en op het land bij mijn vader die boer was. Bij het opgroeien rijpte mijn droom : ik wilde dolgraag onderwijzeres worden. Maar er zou heel wat water naar de zee moeten stromen voor ik als intern op een strenge school in Suhareca mocht gaan studeren. Zoiets was ongebruikelijk in onze kringen. Niet alleen vanwege het studeren zelf, maar nog veel meer omdat ik er in aanraking zou komen met jongens en omdat ik dus mijn eer en maagdelijkheid zou kunnen verliezen als ik „slechte dingen deed". Dat was een schrikbeeld voor mijn ouders. De studenten ontmoette ik wel tijdens de lessen, maar ze woonden door hoge muren gescheiden van de meisjes. In het laatste jaar van mijn opleiding, ik was bijna achttien, wandelde ik met twee vriendinnen van school naar het internaat en gleed uit in de sneeuw. Een galante jongeman hielp me overeind en vroeg of ik me pijn gedaan had. Ik was doodsbenauwd dat iemand gezien kon hebben dat een vreemde man mij aanraakte, dus schudde ik hem na een kort gesprekje van me af. Maar de volgende dagen en nachten spookte zijn gezicht voortdurend door mijn gedachten. Ik werd overweldigd door gevoelens die ik niet kende en veronderstelde dat het verliefdheid was. De volgende dagen stond hij me op te wachten, maar ik negeerde hem. Ik wilde de heilige belofte aan mijn moeder niet breken, die me gesmeekt had me altijd goed te gedragen. Tot hij me een briefje in de hand drukte, dat ik pas op het toilet van de school durfde te lezen. „Ik weet wie je bent. Ik volg je al vier jaar. Voel jij iets voor mij ? Ik hou van je. Esat", stond er. Zo is het begonnen. Voor de rest van mijn schooltijd wisselden we af en toe stiekem briefjes uit en hadden we een paar korte ontmoetingen bij de bushalte als ik in het weekend naar huis ging. Ik kon mijn gevoelens voor hem niet meer ontkennen. Na mijn afstuderen beloofde hij om samen met zijn familie weldra om mijn hand te komen vragen en dan zouden we trouwen. Al snel vond ik een baan als onderwijzeres in mijn dorp en ik wachtte vol verlangen op Esats komst. Op een zomerse dag zag ik mijn hele familie toestromen in ons huis, er werden lammetjes geslacht en voorbereidingen getroffen voor een feestelijke ontvangst. Ik werd overal buiten gehouden, tot mijn neefje verklapte dat mijn toekomstige man vanavond zou komen. Er kwamen inderdaad vreemde mannen het erf op, maar Esat was er niet bij. Op de mannenbijeenkomst waar ik koffie mocht ronddelen terwijl mijn toekomstige echtgenoot - een arts - en zijn familie me monsterden, deed ik iets ontoelaatbaars. Ik vroeg aan de kandidaat of hij zijn leven wilde delen met een vrouw die van iemand anders hield. Gelukkig nam hij het goed op, maar mijn vader was buiten zichzelf van woede en voorspelde dat hij de man van wie ik hield eigenhandig zou vermoorden. Maar wat mij betrof was het Esat of niemand. Er zijn harde woorden gevallen en het heeft heel lang geduurd voor mijn vader toestemming gaf voor een verloving met mijn uitverkorene. Maar hij wist dat ik niet van gedachten zou veranderen. Op 20 oktober 1988 zijn Esat en ik getrouwd en zoals dat gebruikelijk was, trok ik in bij zijn familie. Ik had er zo naar verlangd om voor altijd met hem samen te zijn, maar onze eerste huwelijksnacht was een traumatische ervaring voor me. Ik had nooit enige seksuele voorlichting gehad en ik wist niet wat er zou gaan gebeuren. Het ergste waren de schaamte en de vernedering toen in de vroege ochtend zeker twintig leden van mijn nieuwe familie de bewijzen van mijn maagdelijkheid kwamen opeisen. Ze wilden weten of Esat niet „de vrouw van iemand anders naar huis had gebracht". We hadden een gelukkig huwelijk, vooral toen we zijn tirannieke familie verlieten en ons eigen huis bouwden, vlak bij mijn ouders. We kregen drie dochters, terwijl iedere moslimman alleen maar van zonen droomt. Maar Esat is altijd een goede vader geweest die heel betrokken was bij zijn meisjes. In juli 1999 keerden we na onze oorlogsvlucht naar Albanië terug naar Kosovo. Ons gezin en mijn vader hadden de bloedige strijd met Servië overleefd. Mijn moeder, zus en een groot deel van mijn familie waren op beestachtige wijze vermoord. Een maand later, tijdens het opruimen in ons vernielde huis, kwam ook Esat om, door een splinterbom die hij uit het puin had opgeraapt. Die ontplofte in zijn hand. Hij stierf voor mijn ogen en voor die van onze kinderen, 36 jaar oud. Een dag later hebben we hem begraven. Ik had geen man meer, geen dak boven mijn hoofd, geen werk, geen moeder, zus of familie, geen toekomst. Het was uitgerekend mijn strenge vader die toen het initiatief nam voor een vlucht naar het buitenland en die van zijn laatste spaarcenten ook betaalde. Als we in Kosovo zouden blijven, zou ik volgens de gebruikelijke normen bij mijn schoonfamilie moeten intrekken, met een van de beschikbare mannen moeten trouwen en mijn dochters moeten overleveren aan hun strenge wetten. Ooit zouden ook zij uitgehuwelijkt worden aan een man die ze niet zelf gekozen hadden. Na een dramatische vlucht kwamen we door een toeval aan in België, waar ik nu dertien jaar woon. Ik spreek de taal, heb een baan en een grote vriendenkring. Mijn dochters zijn bijna volwassen en studeren. We zijn gelukkig samen en ik ben het dorp dat me destijds zo gastvrij ontvangen heeft en waar ik nog steeds woon, heel dankbaar. Af en toe wordt er weleens iemand verliefd op me. Dat mag natuurlijk. Het streelt mijn ijdelheid, maar ik maak de mannen in kwestie erop attent dat ik niet op hun avances kan ingaan. Ik heb namelijk al een man, en dat is Esat. Hij mag dan niet meer levend bij me zijn, hij is er nog wel degelijk. Hij maakt nog altijd deel uit van ons gezin. Ik zou het niet anders willen. Sanije Halili, 'Vrijgevochten', uitgeverij Vrijdag, 160 p. DOOR DIANE BROECKHOVEN„Ik vroeg aan de uitgekozen kandidaat of hij zijn leven wilde delen met een vrouw die van iemand anders hield"