Of ík nog in de liefde geloofde, vroeg Thomas mij tussen neus en lippen door. We leunden op zo'n troosteloos tafeltje in het benzinestation, waar we na de wekelijkse zwembeurt boterhammen pulken uit een stuk plastic. "Liefde op het eerste gezicht, weet je wel?"
...

Of ík nog in de liefde geloofde, vroeg Thomas mij tussen neus en lippen door. We leunden op zo'n troosteloos tafeltje in het benzinestation, waar we na de wekelijkse zwembeurt boterhammen pulken uit een stuk plastic. "Liefde op het eerste gezicht, weet je wel?" Mocht hij me die vraag vijftien jaar eerder hebben gesteld, dan zou ik er vlot een uurtje over hebben doorgeluld. Maar nu had ik er even niet van terug. Prima tijdverdrijf vind ik dat, liefde op het eerste gezicht. Tenminste in de puberteit. Daarna kan je er maar beter vanaf, zoals van zelfgerolde sigaretten en het bespelen van de luchtgitaar. Je zou denken dat zo'n Thomas op zijn vierendertigste toch lang genoeg de paringsdans heeft aanschouwd om dat te beseffen. Heeft een dochtertje van vijf en een kwaadaardige ex, die hem ervan beschuldigd heeft het kind te misbruiken. Daar bleek uiteindelijk niets van, maar door de procedureslag kreeg hij zijn kleine meid wel maandenlang niet te zien. Die truc schijnt populair te zijn dezer dagen.Liefde op het eerste gezicht? "Yes, I'm certain that it happens all the time", beantwoordde ik zijn vraag met de woorden van de prachtplaat Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band. Kwinkslagsgewijs dacht ik me er zo wel vanaf te kunnen maken. We hadden The Beatles allebei al overroepen gevonden, Thomas en ik. Een paar keer al zongen we boven een pul bier om het valst I wanna hold your hand. Maar nu vertrok zijn gezicht geen spier. Hij bleef me ernstig aankijken, met die diepliggende, grijsblauwe ogen van hem die me altijd een beetje doen denken aan Rudolf Hess. In zijn blik lag de droefheid van een halve eeuw eenzame opsluiting in Spandau. "Denk je?" vroeg hij hoopvol. Toen kwam het eruit, in woorden die roken naar viooltjes en lelietjes-van-dalen. Dat hij waarschijnlijk de ware had ontmoet. Elke vezel in zijn lijf schreeuwde het. Ze heette Anita en het was alsof de bliksem insloeg toen hij haar zag. Bij de apotheker of all places, waar ze achter de toonbank stond. Hoe mooi en zacht ze was, hoe grappig, vertrouwde hij me fluisterend toe... en helemaal zijn type! Amper een kwartier had hij met haar gebabbeld, zijn balts voortdurend onderbroken door klanten die pilletjes behoefden tegen te dunne ontlasting... Sindsdien miste hij haar, elk uur van de dag. "Holy shit", wou ik uitstoten, en ik dacht aan de manier waarop we in kwaaiere tijden ooit de aantrekkingskracht tussen man en vrouw hadden beschreven: de ene zak vol vocht en ingewanden die het met de andere wou doen. Maar ik hoedde me er wel voor die woorden nu uit mijn kop te laten lekken. In plaats daarvan greep ik terug naar wat ik die week toevallig bij Milan Kundera had gelezen. Dat van alle Tsjechische liefdesbetuigingen styská se mi po tobì de meest ontroerende is: "ik kan het verdriet van je afwezigheid niet verdragen". Volgens Kundera kan dat soort heimwee evengoed slaan op iets dat geweest is als op een onvervuld verlangen. Thomas knikte instemmend. Hoe heerlijk toch de literatuur, dacht ik doortrapt. Je vindt er altijd wel een sliert onzin in om je ergens uit te kletsen. "Alsof ze een ontbrekend stuk van mezelf is dat ik altijd heb gemist", pikte Thomas gretig in op de woorden van de beroemde literator. "Zo voelde mijn ontmoeting met Anita aan. Alsof we elkaar al kennen uit een vorig leven. Van de eerste seconde wist ik: voor die vrouw zou ik mijn leven geven."Bliksemflits. Altijd al gekend. Leven willen geven. Ik herkauwde het met plaatsvervangende schaamte. Thomas, door de wol geverfd architect, door het leven gepokt en gemazeld, loopt een aardig gleufdier tegen het lijf en hop! de clichés springen uit zijn keel als duiveltjes op roestige veren. De vaststelling dat ze loenste, had zijn vertedering er alleen maar groter op gemaakt.Gelukkig stelde mijn vriend mijn verdraagzaamheid niet langer op de proef. Hij herinnerde zich plots dat hij nog een werf had te bezoeken, waar ongetwijfeld weer een walgwekkend commissieloon viel op te strijken. Op wolkjes zag ik hem het benzinestation uitwandelen. Dartel als een veulen tastte hij in zijn broekzak naar de sleutels van zijn BMW. Waar Thomas' statusblik en zijn Versace-broeken nooit in waren geslaagd, dat kregen zijn woorden nu wel voor elkaar: ze weekten een soort onrust in mij los. Even voelde ik zelfs een steekje afgunst. "Misschien moet jij je cynisme nu ook maar eens aan de haak hangen", fluisterde een castraatstemmetje diep binnenin mij. Maar ik haalde diep adem en vermande mij. Dumpte de verfrommelde verpakking van de egg & bacon in het vuilnisvat en danste op mijn beurt door openschuivend glas de grote boze wereld in. Motregen had er de benzinepompen en de af- en aanrijdende auto's een matte glans gegeven. "Anita", mompelde ik. Een naam die we nog zouden horen. Als Thomas voor zwemmen tenminste tijd overhield. Jean-Paul Mulders